RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S. Kowsari).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.37114
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
Bij besluit van 29 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. H.W. Omvlee als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Lotfi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Conclusie
1. Eiser stelt op de zitting van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1993.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser alle zware en lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. De minister heeft de zware grond onder 3d ter zitting laten vallen.
4. Ten aanzien van de zware grond onder 3a stelt eiser dat hij in het gehoor voor inbewaringstelling van 29 juli 2025 heeft gezegd dat hij nooit asiel heeft aangevraagd in Oostenrijk, waardoor onduidelijk is of eiser zich niet heeft gehouden aan de verplichting om zich daar beschikbaar te houden voor de behandeling van zijn asielaanvraag. In dit kader heeft de gemachtigde van eiser verder nog een document overgelegd waaruit zou moeten blijken dat eiser een zogenoemd circulatierecht heeft in Frankrijk. Eiser heeft daar ook verbleven en zou graag naar Frankrijk terug willen keren. Over de zware grond onder 3b stelt eiser dat de minister bij de motivering van deze grond onvoldoende rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiser. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij geen identiteitsdocument heeft en ook niet beschikt over een geboorteakte.
5. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden onder 3a en 3b feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Eiser is zonder geldig grensoverschrijdingsdocument Nederland ingereisd. In het gehoor voor inbewaringstelling van 29 juli 2025 heeft eiser ook verklaard dat hij geen grensoverschrijdingsdocumenten bezit. Dat eiser stelt geen asiel te hebben aangevraagd in Oostenrijk, maakt niet dat deze grond niet feitelijk juist is. Uit Eurodac volgt dat eiser wel asiel heeft aangevraagd in Oostenrijk en Oostenrijk heeft de Dublinclaim ook geaccepteerd onder de vermelding “for determination of the asylum application”. Dat eiser al dan niet een circulatierecht zou hebben in Frankrijk doet hier niets aan af. Eiser heeft ter zitting overigens zelf gezegd dat hij niet wil terugkeren naar Frankrijk. Gezien bovenstaande overwegingen mag de zware grond onder 3a aan de maatregel van bewaring ten grondslag worden gelegd. Omdat eiser zonder geldig grensoverschrijdingsdocument Nederland is ingereisd en niet direct melding heeft gemaakt van zijn illegale verblijf in Nederland, mocht de minister ook de zware grond onder 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag leggen.
6. De zware gronden onder 3a en 3b zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Daaruit volgt al dat er een significant risico op onttrekking bestaat dat eiser zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. De overige betwiste gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
Lichter middel
7. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. De omstandigheden van eiser gaven hier immers wel aanleiding toe. Daarbij stelt eiser op zitting dat hij vrijwillig wil vertrekken naar Oostenrijk. Doordat eiser zich meewerkend opstelt had de minister kunnen volstaan met het opleggen van een lichter middel.
8. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. Uit de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en de motivering daarvan volgt al dat er sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht. De minister heeft in de maatregel van bewaring verder voldoende gemotiveerd waarom hij vindt dat er een risico is dat eiser zich zal onttrekken. Eiser heeft ook geen omstandigheden aangevoerd waaruit zou moeten blijken dat de maatregel van bewaring niet opgelegd mocht worden. De enkele stelling van eiser op de zitting dat hij wel vrijwillig wil terugkeren naar Oostenrijk doet hier niet aan af. Eiser stelt dit immers pas voor het eerst op zitting. Eiser heeft eerder geen enkele actie ondernomen om terug te keren naar Oostenrijk, terwijl hij daar wel voldoende tijd voor heeft gehad. Het beroep slaagt niet.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 augustus 2025
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.