ECLI:NL:RBDHA:2025:27568

ECLI:NL:RBDHA:2025:27568

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-12-2025
Datum publicatie 17-02-2026
Zaaknummer AWB 24/20589 en AWB 24/20591
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Vreemdelingenrecht. Afwijzing aanvraag verblijf bij dochter. Ten onrechte getoetst aan CV, want dochter is ten tijde van besluit meerderjarig. Rechtsgevolgen worden in stand gelaten, omdat inhoudelijke beoordeling stand houdt langs de lat van arrest K.A.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , uit [plaats] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 24/20589 (beroep) en AWB 24/20591 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Dorgelo),

en

(gemachtigde: mr. N. Joseph).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 5 maart 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [zijn dochter] ’, hierna: zijn dochter. Zijn dochter is geboren op [geboortedag] 2004 en heeft de Nederlandse nationaliteit.

2. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 28 juni 2021 afgewezen en aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. Met het besluit van 27 oktober 2022 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening. In de uitspraak van 9 mei 2023 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, het beroep met kenmerk AWB 22/7086 gegrond verklaard, het besluit van 27 oktober 2022 vernietigd en verweerder opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

3. Verweerder heeft eiser op 25 juni 2024 nader gehoord. Aan zijn dochter heeft verweerder een vragenlijst toegestuurd. En aan eiser heeft verweerder bewijsstukken gevraagd. Hierop is geen reactie gekomen.

4. Bij besluit van 13 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het inreisverbod gehandhaafd.

5. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld (AWB 24/20589) en verzocht om een voorlopige voorziening (AWB 24/20591).

6. Het beroep en het verzoek zijn op 29 september 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich op de zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Grondslag bestreden besluit

7. Aan de afwijzing van de aanvraag heeft verweerder het volgende ten grondslag gelegd. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning. Hij heeft namelijk geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (een mvv) en hij komt ook niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Hij kan volgens verweerder geen rechten ontlenen aan artikel 20 van het VWEU, zoals uitgelegd in het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017. Ook is zijn uitzetting niet in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (het EVRM). Volgens verweerder leiden alle omstandigheden in samenhang bezien ook niet tot vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Verweerder ziet geen reden voor ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning of voor uitstel van vertrek. Op 12 augustus 2019 heeft verweerder eiser opgedragen om binnen vier weken de lidstaten van de EU te verlaten. Die vertrekplicht geldt nog steeds. Daarnaast blijft het inreisverbod voor de duur van twee jaren geldig.

Beoordeling van het beroep (AWB 24/20589)

8. De rechtbank stelt vast dat eiser niet in het bezit is van een geldige mvv. Hij komt dan in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, tenzij hij in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste.

9. In geschil is de vraag of eiser in aanmerking komt voor vrijstelling op het mvv-vereiste. Daartoe voert eiser het volgende aan.

Afgeleid verblijfsrecht, artikel 20 van het VWEU

Eiser stelt - kort gezegd - dat hem een afgeleid verblijfsrecht toekomt, omdat eiser essentiële zorg- en opvoedingstaken voor zijn dochter en kleindochters verricht. Daarbij stelt eiser dat moet worden uitgegaan van de situatie ten tijde van de aanvraag, toen zijn dochter minderjarig was. Wat sindsdien eventueel positief is veranderd ten opzichte van die situatie mag verweerder meenemen, wat negatief is veranderd niet, zo stelt eiser op de zitting.

Eiser heeft in dit kader verder aangevoerd dat hij en dochter dermate afhankelijk van elkaar zijn, dat zij niet kunnen worden gescheiden. Dat volgt volgens eiser uit de omstandigheden dat eiser zijn dochter pragmatische en psychologische steun biedt tijdens het doorstaan van de ziekte MS, dat eiser zorgt voor de kleinkinderen als zijn dochter naar het ziekenhuis en naar school moet, dat zijn dochter financieel afhankelijk is van hem en dat eiser en zijn dochter veel doen samen (zoals koken). Het huis van eiser ligt op anderhalve kilometer afstand van het huis van zijn dochter. Eiser heeft twee tot drie keer per week omgang met zijn dochter en kleinkinderen. Eiser is onmisbaar voor zijn dochter. Zijn rol kan niet worden vervangen door moeder. Ter onderbouwing van zijn gestelde omstandigheden heeft eiser in beroep gewezen op de aanwezige dossierstukken.

Volgens verweerder is niet gebleken van een zodanige afhankelijkheid dat zijn dochter het grondgebied van de EU moet verlaten. Aan de voorwaarden voor een afgeleid verblijfsrecht wordt dan niet voldaan. Daarbij heeft verweerder op de zitting erkend dat in het bestreden besluit niet is onderkend dat de dochter ten tijde van het bestreden besluit inmiddels meerderjarig was en eiser reeds om die reden geen afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez heeft. Verweerder heeft op zitting toegelicht dat ook uitgaande van de situatie dat de dochter meerderjarig is, geen van artikel 20 van het VWEU afgeleid verblijfsrecht bestaat omdat niet aan de voorwaarden uit het arrest K.A. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2018 wordt voldaan.

De rechtbank stelt voorop dat zij het bestreden besluit ex tunc toetst, dat betekent naar de stand van zaken ten tijde van dat besluit. Dat betekent ook dat uitgegaan moet worden van de meerderjarigheid van de dochter. De dochter van eiser is op [geboortedag] 2004 geboren en dus vanaf [datum] 2022, ruim vóór het bestreden besluit, meerderjarig. Vanaf dat moment kan een afgeleid verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez niet meer bestaan. De voorwaarden die voortvloeien uit het arrest Chavez-Vilchez zijn cumulatief en één van die voorwaarden is dat het kind een minderjarige EU-burger is. Verweerder heeft dit in het bestreden besluit ten onrechte niet onderkend. In zoverre slaagt de beroepsgrond.

Dat betekent dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet toereikend is gemotiveerd. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

10. De rechtbank ziet aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Verweerder heeft op de zitting namelijk het standpunt ingenomen dat zijn motivering ook bij de meerderjarigheid van de dochter stand houdt. De rechtbank zal bezien of de inhoudelijke beoordeling van verweerder over de afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn dochter in het licht van de voorwaarden in het arrest K.A. stand houdt. In het arrest K.A. is namelijk uitgelegd dat een situatie waarin tussen twee volwassen familieleden een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat deze een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU doet ontstaan, in uitzonderlijke gevallen voorstelbaar is. Dit is het geval indien de meerderjarige Unieburger zodanig afhankelijk is van zijn meerderjarige familielid (derdelander) dat zij, gelet op alle relevante omstandigheden op geen enkele wijze gescheiden kan worden van het familielid van wie zij afhankelijk is.

11. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de dossierstukken onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake is van een zodanige afhankelijkheid tussen eiser en zijn dochter dat zij op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. De eerder overgelegde foto’s en betalingsbewijzen tonen aan dat eiser betrokken is in het leven van zijn dochter en meermaals geld naar haar over maakt, maar dat is onvoldoende om een zo vergaande afhankelijkheid aan te nemen. Verder is van belang dat eiser niet op hetzelfde adres staat ingeschreven als zijn dochter. Dat zij dichtbij elkaar wonen en dat eiser zijn dochter twee tot drie keer per week bezoekt, is – daargelaten dat dit niet is onderbouwd – onvoldoende. Weliswaar volgt uit de eerdere verklaring van zijn dochter, overgelegd op 26 maart 2021, dat zij veel leuke dingen doen samen en dat eiser haar helpt door op zijn kleindochter te passen en geld over te maken voor spulletjes voor zijn dochter, maar hieruit volgt niet dat sprake is van een zodanige afhankelijkheid dat eiser en zijn dochter op geen enkele wijze van elkaar gescheiden kunnen worden. Daarbij merkt de rechtbank op dat de dochter de vragenlijst van verweerder naar aanleiding van de nadere hoorzitting niet heeft ingevuld en teruggestuurd. Daardoor ontbreekt een recente onderbouwing vanuit haar zijde.

Eiser heeft verder geen medische stukken overgelegd om de gestelde ziekte van zijn dochter te onderbouwen. De verwijsbrief van het [ziekenhuis] van 17 februari 2022 is hiervoor onvoldoende. Eiser geeft naar eigen zeggen (emotionele) steun, hij past op de kleinkinderen, hij geeft financieel hulp en hij doet veel met zijn dochter. Hoewel deze bijdrage ongetwijfeld waardevol is voor zijn dochter, ziet de rechtbank hierin geen zodanige afhankelijkheid van elkaar. Daarbovenop komt nog dat namens eiser op de zitting is verklaard dat hij tijdelijk terug is gekeerd naar Brazilië om op adem te komen. Hoewel voorstelbaar is dat zijn onzekere verblijfssituatie in Nederland een negatieve impact op hem heeft, en hoewel onduidelijk is per wanneer hij is vertrokken, doet dit zonder nadere toelichting afbreuk aan zijn standpunt dat hij volstrekt onmisbaar is in het leven van zijn dochter. Al met al is de conclusie dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem een afgeleid verblijfsrecht toekomt. Dat betekent dat verweerder de aanvraag om een afgeleid verblijfsrecht vast te stellen – zij het met een aangepaste motivering – heeft kunnen afwijzen.

Familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM

12. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte geen familieleven heeft aangenomen tussen hem en zijn kleindochters. Met name tijdens de coronapandemie was eiser hoofdverzorger voor zijn dochter en zijn kleinkinderen. Hij vervult een essentiële rol in hun leven. Die rol kan niet door moeder - die ook in Nederland woont en de Nederlandse nationaliteit heeft – worden uitgeoefend. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte de belangenafweging in zijn nadeel heeft laten uitvallen. Zijn dochter heeft de Nederlandse nationaliteit. Zij kan niet in Brazilië gaan wonen. Zij kan de band met haar moeder niet opgeven. Ook heeft ze met haar kinderen het recht in Nederland op te groeien. Ten onrechte zijn de belangen van de kleinkinderen niet betrokken. Ten onrechte heeft verweerder de omstandigheid dat zijn dochter tienermoeder was en is gediagnosticeerd met MS niet als bijzonder meegewogen. Het is onbegrijpelijk dat verweerder dan toch het belang van de Nederlandse overheid laat prevaleren.

Volgens verweerder valt de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM alles afwegend in het nadeel van eiser uit. Daarbij neemt verweerder aan dat tussen eiser en zijn dochter sprake is van familieleven. Tussen eiser en zijn kleindochters neemt verweerder geen familieleven aan, omdat niet is gebleken van hechte persoonlijke banden tussen hen.

De beroepsgrond slaagt niet. Dat legt de rechtbank hierna uit.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder kunnen concluderen dat geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiser en zijn kleinkinderen. De daarvoor vereiste hechte persoonlijke banden zijn niet onderbouwd of gebleken. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij meer dan normaal betrokken is bij de verzorging en opvoeding van zijn kleinkinderen. Zijn gestelde essentiële rol heeft hij niet onderbouwd.

Vaststaat dat eiser en zijn dochter familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM hebben. Uitgaande daarvan heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd en niet ten onrechte geconcludeerd dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Daartoe heeft verweerder mogen meewegen dat eiser het familieleven met zijn destijds minderjarige dochter is gaan uitoefenen zonder een verblijfsvergunning vanaf oktober 2015, terwijl hem vanaf augustus 2019 meermaals is aangezegd de lidstaten van de EU te verlaten. Eiser heeft de Nederlandse overheid daarmee voor een voldongen feit gesteld. Hij heeft weliswaar lang in Nederland gewoond en zijn leven opgebouwd, maar dat betekent op zichzelf niet dat hij niet terug kan. Verweerder heeft betrokken dat eiser het grootste deel van zijn leven in Brazilië heeft gewoond, dat hij de taal spreekt, dat hij de gebruiken kent en een sociaal netwerk en familie heeft daar. De gezondheidstoestand van zijn dochter heeft eiser niet met bewijsstukken onderbouwd, terwijl hij daartoe ruimschoots in de gelegenheid is gesteld. Onduidelijk is wat haar medische situatie is en wat voor impact een vertrek naar Brazilië op haar heeft. Verweerder heeft mogen concluderen dat de omstandigheden dat eisers dochter en kleinkinderen de Nederlandse nationaliteit hebben, in Nederland wonen, hun sociale contacten hebben en naar school gaan, niet als bijzonder is aan te merken. De kleinkinderen zijn nog heel jong en afhankelijk van hun moeder, de dochter. Verweerder heeft eveneens mogen vinden dat eisers dochter, inmiddels meerderjarig, in staat moet worden geacht hen indien gewenst te begeleiden in Brazilië en daar een bestaan op te bouwen.. Er is niet gebleken dat het familieleven niet in Brazilië kan worden uitgeoefend. Ook kan het familieleven op afstand worden uitgeoefend. Dat eiser geen verblijfsrecht heeft, betekent niet dat zijn dochter en kleinkinderen niet in Nederland mogen verblijven. De keuze om eiser te volgen naar Brazilië is voor hen vrij. Al met al heeft verweerder de belangen van de Nederlandse overheid zwaarder mogen laten wegen dan de belangen van eiser om zijn familieleven met zijn dochter in Nederland voort te zetten.

Terugkeerbesluit en inreisverbod

13. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte het terugkeerbesluit handhaaft en dat het onbegrijpelijk is dat verweerder een inreisverbod van twee jaar oplegt. Daardoor kan eiser zijn dochter en kleinkinderen niet zien opgroeien. Dit terwijl hij de (klein)kinderen meerdere malen per week begeleidt in hun zorg en opvoeding en familieleven met ze uitoefent.

Volgens verweerder is het terugkeerbesluit rechtmatig. Verder is volgens verweerder niet gebleken dat moet worden afgezien van het inreisverbod van twee jaar.

De beroepsgrond slaagt niet. Voor herziening van het terugkeerbesluit van 13 augustus 2019 bestond geen aanleiding. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht een inreisverbod van twee jaar opgelegd. De door eiser genoemde belangen maken niet dat verweerder op grond van humanitaire redenen van het uitvaardigen van het inreisverbod af moest zien. Verweerder heeft daarbij ook kunnen betrekken dat het inreisverbod een beperkte looptijd heeft. Onder voorwaarden kan eiser op enig moment om (tijdelijke) opheffing verzoeken. Ten aanzien het namens eiser pas op de zitting ingenomen standpunt dat de SIS-signalering (die voortvloeit uit het inreisverbod) moet worden opgeheven omdat dit het verblijf dat hij wenst te hebben in Portugal doorkruist, overweegt de rechtbank dat dit buiten de omvang van het geding valt. Eiser kan een verzoek om opheffing doen bij verweerder.

Beoordeling van de voorlopige voorziening (AWB 24/20591)

14. Eiser stelt belang te hebben bij een voorlopige voorziening omdat hij continue stress ervaart wat tot gezondheidsklachten kan leiden. Ook heeft hij er belang bij om te gaan werken, omdat hij moet voorzien in levensonderhoud van zichzelf, zijn dochter en kleinkinderen.

15. Nu de rechtbank beslist op het beroep en de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laat (zie hierna), is er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek daartoe af.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder is namelijk ten onrechte uitgegaan van de minderjarigheid van de dochter. Verweerder heeft daardoor bij de beoordeling van de vraag of hem een afgeleid verblijfsrecht toekomt ten onrechte getoetst aan de criteria van het arrest Chavez-Vilchez.

17. De rechtbank ziet echter gelet op wat onder punt 10 en verder is geoordeeld aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden in stand te laten. Er is geen sprake van een zodanige afhankelijkheid dat eiser een van artikel 20 van het VWEU afgeleid verblijfsrecht toekomt. Verweerder hoefde eiser ook niet wegens artikel 8 van het EVRM vrij te stellen van het mvv-vereiste. Daarmee blijft de afwijzing van eisers aanvraag in stand. Het verzoek om voorlopige voorziening wijst de rechtbank af.

18. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 187,- voor zowel het beroep als het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt.

19. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het beroep vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Voor het verzoek om voorlopige voorziening stelt de rechtbank de proceskostenvergoeding vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

In AWB 24/20589:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 13 november 2024;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.

In AWB 24/20591:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.

De griffier is verhinderd om

de uitspraak te tekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?