[eiser] en [eiseres] , eiser en eiseres (hierna: eisers)
V-nummers: [# 1] en [# 2] ,
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van Midden).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 17 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvragen.
De rechtbank heeft de beroepen op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eisers, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiseres is niet verschenen wegens ziekte.
Beoordeling door de rechtbank
Waarover gaat deze uitspraak?
2. De rechtbank concludeert in deze uitspraak dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres niet kwetsbaar is in de zin van het Tarakhel-arrest en waarom geen individuele garanties zijn gevraagd. Het beroep is gegrond. De rechtbank legt hierna uit, aan de hand van de beroepsgronden van eisers, hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
Wat betrekt de rechtbank in haar beoordeling?
3. Eisers stellen van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1998 en [geboortedatum 2] 1991. Zij hebben op 27 april 2025 in Nederland hun asielaanvragen ingediend. Uit Eurodac blijkt dat zij eerder al in Zwitserland en Duitsland verzoeken om internationale bescherming hebben ingediend. De autoriteiten van Zwitserland hebben een verzoek om overname afgewezen, omdat Spanje volgens hen verantwoordelijk is voor de asielaanvragen.
De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om terugname gedaan op 12 mei 2025. Spanje heeft dit verzoek aanvaard op 26 mei 2025.
Verweerder heeft in de besluiten van 19 juni 2025 de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen, omdat Spanje hiervoor verantwoordelijk is. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld. Dit beroep is op 19 september 2025 gegrond verklaard door deze rechtbank en zittingsplaats. Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 17 oktober 2025 opnieuw de aanvragen van eisers niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eisers hebben hier wederom beroep tegen ingesteld.
Leidt de proceshouding van verweerder tot onzorgvuldigheid?
4. De rechtbank stelt met eisers vast dat het voornemen geen schoonheidsprijs verdient. Het voornemen heeft geen goed opgebouwde en duidelijke structuur en is daarom minder goed leesbaar. Dit neemt echter niet weg dat verweerder de verklaringen van eisers heeft betrokken in dit voornemen. Bovendien heeft verweerder, anders dan eisers stellen, niet eerder dan in het besluit kunnen concluderen dat de overdracht van Zwitserland aan Spanje alsnog geloofwaardig is. Het ‘plan de vol’ of vluchtschema van eisers is namelijk pas in de zienswijze overgelegd.
Voor zover eisers hebben betoogd dat niet is voldaan aan de eerdere uitspraak in deze zaak, gaat de rechtbank hier niet in mee. Verweerder heeft de verklaringen van eisers namelijk betrokken in het bestreden besluit. Verweerder had ook geen nadere vragen hoeven stellen aan eisers voordat een nieuw voornemen werd uitgebracht. Deze opdracht volgt namelijk niet uit de eerdere uitspraak in deze zaak. Bovendien heeft verweerder, anders dan in de eerdere procedure, de overdracht van eisers aan Spanje in het bestreden besluit alsnog geloofwaardig geacht. In zoverre volgt de rechtbank eisers ook niet in hun stelling dat verweerder niet heeft voldaan aan de opdracht die volgt uit de uitspraak van 19 september 2025.
De beroepsgrond slaagt niet.
Kan ten aanzien van Spanje worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. De rechtbank stelt voorop dat er in beginsel ten aanzien van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dit uitgangspunt wordt bevestigd door vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zoals bijvoorbeeld de uitspraken van 25 november 2025 en 3 februari 2025. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er in dit geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Bovendien betrekt de Afdeling in de uitspraak van 25 november 2025 het meest recente AIDA-rapport en concludeert de Afdeling dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van de opvangvoorzieningen in Spanje voor Dublinclaimanten dan volgt uit de landeninformatie die is betrokken in de uitspraken van de Afdeling van 8 juli 2021, van 27 juli 2023 en van 24 juni 2024.
Voor zover eisers in dit kader een beroep doen hebben gedaan op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 18 juli 2025, slaagt dit beroep niet. Het ging in die uitspraak inderdaad ook om een eerdere overdracht aan Spanje in het kader van de Dublinverordening en daarop volgende vergelijkbare negatieve ervaringen van de vreemdeling in Spanje. Deze uitspraak is echter op alle onderdelen vernietigd door de Afdeling.
De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder de asielaanvraag van eisers in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening?
6. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat verweerder hun asielverzoek in behandeling had moeten nemen op grond van zijn discretionaire bevoegdheid die volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eisers geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden hebben aangevoerd dat deze maken dat hun overdracht aan Spanje van een onevenredige hardheid getuigt. Eisers hebben verklaard de eerste keer slechts korte tijd opvang te hebben gekregen van het Rode Kruis, de tweede keer niet en beide keren geen asielaanvraag te hebben kunnen indienen. Deze verklaringen zijn al betrokken in het kader van de vraag of ten aanzien van Spanje kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat verweerder deze omstandigheden niet nogmaals hoeft te betrekken in zijn beoordeling.
De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen eisers worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar in de zin van arrest Tarakhel?
7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers, of eiseres alleen, niet kunnen worden aangemerkt als kwetsbaar in de zin van arrest Tarakhel en dat er daarom geen aanvullende garanties aan Spanje moeten worden gevraagd alvorens over te gaan tot overdracht. Op dit punt volgt de rechtbank het standpunt van verweerder niet. Eisers hebben verklaard na de overdracht vanuit Spanje opnieuw op straat te zijn beland en door onbekenden te zijn belaagd. Verweerder heeft dit op zich niet bestreden. Verder hebben eisers aangevoerd dat eiseres ziek was geworden na overdracht aan Spanje en binnen zes maanden twaalf kilo was kwijtgeraakt en in het ziekenhuis in Zwitserland heeft moeten verblijven. Ter onderbouwing is bij de zienswijze een brief gevoegd van een arts(-assistent) van een Zwitsers ziekenhuis, waarin de arts constateert dat eiseres is opgenomen met oogklachten, hoofdpijn, hoesten en gewichtsverlies. Zij heeft hiervoor diverse medicijnen gekregen. Daar komt bij dat blijkens een verklaring van een verloskundige van 12 augustus 2025 eiseres zwanger is en de geschatte bevallingsdatum ligt op 26 maart 2026. De rechtbank vindt dat onder deze omstandigheden verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiseres niet als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt en waarom verweerder geen individuele garanties aan Spanje had moeten vragen. Dit laatste geldt eens te meer nu eisers hebben verklaard ook na de gereguleerde overdracht geen toegang te hebben gehad tot de opvang. Verweerder kan dan niet, zoals verweerder ter zitting heeft gedaan, volstaan met een verwijzing naar artikel 32 van de Dublinverordening.
De rechtbank merkt hierbij op dat bovengenoemde brief van de Zwitserse arts(-assistent), na sluiting van het onderzoek niet in het dossier van de rechtbank bleek te zitten. Gemachtigde van eisers heeft deze alsnog of wederom geüpload. Omdat verweerder dit stuk, blijkens pagina 4 van de beschikking en het verhandelde ter zitting wel in zijn dossier had zitten en het heeft betrokken bij zijn oordeel en betrokkenen niet van mening verschillen over de inhoud van dit stuk, heeft de rechtbank dit stuk gezien als tot het dossier behorend in de zin van artikel 8:42 Awb voorafgaand aan de sluiting van het onderzoek.
De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
8. Nu verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres niet kwetsbaar is in de zin van arrest Tarakhel, bevatten de besluiten een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen redenen om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing over de mogelijke overdracht aan Spanje te nemen. Verweerder moet de situatie van eisers opnieuw beoordelen.
9. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene
wet bestuursrecht dat verweerder nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken de tijd.
10. Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- (2 punten voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 17 oktober 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. A.V. Kostiouk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.