ECLI:NL:RBDHA:2025:27595

ECLI:NL:RBDHA:2025:27595

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-12-2025
Datum publicatie 20-02-2026
Zaaknummer NL25.50433, NL25.50434, NL25.50435 & NL25.50436
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Dublin Frankrijk, gezin met dochtertje van een jaar oud. De rechtbank concludeert in deze uitspraak dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook heeft verweerder aan Frankrijk niet om individuele garanties hoeven vragen, aangezien eisers niet voldoen aan de voorwaarden van arrest Tarakhel. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijft.

Uitspraak

[eiser] , eiser

V-nummer: [# 1] ,

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [# 2] ,

hierna: eisers

(gemachtigde: mr. R. Hijma),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F.H. van Zanden).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 15 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat hij Frankrijk daar verantwoordelijk voor acht.

De rechtbank heeft de beroepen op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers, de gemachtigde van eisers, [naam 1] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. De dochter van eisers, [naam 2] , was ook aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Waarover gaat deze uitspraak?

2. De rechtbank concludeert in deze uitspraak dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook heeft verweerder aan Frankrijk niet om individuele garanties hoeven vragen.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Achtergrond

4. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1999 en eiseres is geboren op [geboortedatum 2] 1994. Dochter [naam 2] is geboren op [geboortedatum 3] 2024. Zij hebben de Azerbeidzjaanse nationaliteit. Op 29 september 2024 hebben zij in Nederland verzocht om internationale bescherming. Verweerder heeft de asielaanvragen niet in behandeling genomen. Uit EU-VIS blijkt dat Frankrijk aan eisers visa met een geldigheidsduur van 6 september 2024 tot 28 september 2024 heeft verleend. De visa waren minder dan zes maanden verlopen ten tijde van hun asielaanvragen.

5. Op 29 oktober 2024 heeft Nederland bij Frankrijk verzocht om overname op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. Frankrijk heeft niet binnen de termijn gereageerd, waardoor de verantwoordelijkheid van Frankrijk vanaf 30 december 2024 vaststaat. Op 30 december 2024 hebben de Franse autoriteiten het claimverzoek ook uitdrukkelijk bevestigd. Verweerder heeft de asielaanvragen vervolgens niet in behandeling genomen. Hier hebben eisers beroep tegen ingesteld. Deze rechtbank en zittingsplaats hebben deze beroepen op 5 juni 2025 ongegrond verklaard. Eisers zijn vervolgens op 27 juni 2025 overgedragen aan Frankrijk. Kort daarna zijn eisers op eigen initiatief teruggekeerd naar Nederland en op 3 juli 2025 hebben zij opnieuw asiel aangevraagd.

Besluit van verweerder

6. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Het claimverzoek van 21 augustus 2025 is op 4 september 2025 door de Franse autoriteiten geaccepteerd.

Kan ten aanzien van Frankrijk worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

7. Eisers voeren aan dat zij vijf nachten hebben verbleven in een hotel in Frankrijk, waarna het door hen geleende geld opraakte. Eiseres stellen dat zij gedurende dit verblijf meermaals hebben gebeld naar een telefoonnummer van de Franse autoriteiten om opvang te krijgen, maar zonder succes. Ook stellen zij dat het voor hen niet duidelijk was of en wanneer zij opvang zouden krijgen. Dit is, volgens eisers, in lijn met het AIDA-rapport 2024, aangezien het dagen tot weken kan duren voor er opvang wordt geregeld in Frankrijk.

De rechtbank stelt voorop dat er in beginsel ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dit uitgangspunt wordt bevestigd door vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zoals bijvoorbeeld in de uitspraak van 31 juli 2025. Het is aan eisers om aannemelijk te maken dat er in dit geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

De rechtbank volgt verweerder in diens standpunt dat voor eisers ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder verwijst hiervoor naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 16 juli 2025, waarin de rechtbank concludeert dat het AIDA-rapport 2024 geen wezenlijk ander beeld schetst van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken. Dit oordeel is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2025, waarbij de Afdeling de conclusie trekt dat het AIDA-rapport 2024 geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvang van asielzoekers in Frankrijk dan volgt uit voorgaande rapporten. Verweerder heeft dus kunnen stellen dat uit de door eiser aangehaalde pagina’s van het AIDA-rapport niet de conclusie kan worden getrokken dat eisers geen opvang zullen krijgen. Ook heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat uit het recente – en ook uit het vorige – AIDA-rapport naar voren komt dat er in het Franse opvangsysteem een primaire focus ligt op de opvang van families/gezinnen.

De rechtbank concludeert dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat Frankrijk in hun specifieke geval de internationale verplichtingen schendt. Eisers hebben hun stelling dat daarvan sprake is niet onderbouwd met stukken die hen persoonlijk betreffen, bijvoorbeeld over hun asielprocedure in Frankrijk. Verweerder heeft daarom kunnen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en zich terecht op het standpunt gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Frankrijk de internationale verplichtingen nakomt.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Kunnen eisers een geslaagd beroep doen op arrest Tarakhel ?

8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers niet kunnen worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar in de zin van arrest Tarakhel en dat er daarom geen aanvullende garanties aan Frankrijk hoeven te worden gevraagd alvorens over te gaan tot overdracht. Eisers stellen dat ten aanzien van hen aanvullende garanties zijn vereist, omdat zij tot een kwetsbare groep behoren. Zij hebben immers een dochtertje van een jaar oud en hebben al eerdere ervaringen met het Franse opvangsysteem in het kader van een Dublinoverdracht. De eerdere ervaring houdt in dat eisers gedurende vijf nachten geen opvang hebben gekregen van de Franse autoriteiten. Deze stelling heeft verweerder betrokken in het bestreden besluit en geconcludeerd dat eisers niet hebben aangetoond dat zij zonder individuele garanties geen opvang zullen krijgen.

De rechtbank oordeelt ten aanzien hiervan dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in het arrest Tarakhel heeft overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangbehoeften zal kunnen krijgen. De rechtbank volgt verweerder in diens standpunt dat eisers niet met documenten aannemelijk hebben gemaakt dat zij bijzonder kwetsbaar zijn en dat er daarom aanvullende garanties moeten worden gevraagd aan Frankrijk. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Haag, van 20 mei 2025, waarin werd geoordeeld dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere kwetsbaarheid en hij zonder aanvullende garanties in een ander Dublinland niet de benodigde opvang en bescherming zal krijgen. De enkele stelling van eisers dat zij meermaals hebben gebeld naar de Franse autoriteiten en dat hen is meegedeeld dat er geen opvang was, is niet voldoende om aan te nemen dat zij zonder individuele garanties geen opvang zullen krijgen in Frankrijk. De rechtbank volgt eisers dus niet in hun stelling dat zij bijzonder kwetsbaar zijn en een geslaagd beroep op het arrest Tarakhel kunnen doen.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat voor eisers ten aanzien van Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarnaast heeft verweerder kunnen concluderen dat er geen aanvullende garanties hoeven te worden gevraagd aan Frankrijk, aangezien eisers niet voldoen aan de voorwaarden van arrest Tarakhel.

10. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen.

11. Nu op de beroepen is beslist, is er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst om deze reden de verzoeken tot een voorlopige voorziening af.

12. Voor een proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A.V. Kostiouk, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?