ECLI:NL:RBDHA:2025:27640

ECLI:NL:RBDHA:2025:27640

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 16-04-2025
Datum publicatie 26-02-2026
Zaaknummer 24.36349
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Asiel. Dublin. Kroatië. Het beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel slaagt niet. Ook het beroep op artikel 17 lid 1 van de Dublinverordening slaagt niet.

Uitspraak

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden),

en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A. Dijcks).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 17 september 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Eiser heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL24.36350). In een uitspraak van 4 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen toegewezen en bepaald dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat eiser niet mag worden overgedragen aan Kroatië totdat is beslist op het beroep.

Op 13 maart 2025 heeft eiser aanvullende beroepsgronden ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J. Al Sayed als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.

3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening). De minister neemt een asielaanvraag niet in behandeling als op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). In dit geval heeft Nederland op 14 mei 2024 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Kroatië heeft dit verzoek op 28 mei 2024 aanvaard op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening. Dat betekent dat Kroatië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.

Wordt de zienswijze als herhaald en ingelast beschouwd?

5. Eiser verzoekt om wat hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht in beroep als herhaald en ingelast te beschouwen.

De rechtbank overweegt dat deze enkele verwijzing, zonder nadere toelichting op welke concrete punten de reactie van de minister in het bestreden besluit onjuist of onvolledig zou zijn, onvoldoende is om als beroepsgrond te worden aangemerkt waar de rechtbank op in moet gaan. Voor zover eiser in het vervolg van zijn beroepsgronden uitlegt op welke punten de reactie van de minister op de zienswijze onjuist of onvolledig is geweest, zal de rechtbank daar hierna op ingaan.

Kan ten aanzien van Kroatië worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

6. Eiser voert aan dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser is in Kroatië vernederd en mishandeld. Ook heeft hij gezien hoe anderen slecht zijn behandeld en slachtoffer werden van geweld. Daarnaast is volgens eiser geen medische behandeling beschikbaar voor asielzoekers. Dat heeft hij zelf ook ervaren. Ook wijst eiser op de pushbacks die in Kroatië plaatsvinden. Verder wijst eiser op een zaak die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 28 augustus 2024 op zitting heeft behandeld en waarin vragen zijn gesteld over de opvangvoorzieningen in Kroatië. Ter zitting heeft eiser desgevraagd bevestigd op de hoogte te zijn van de recente rechtspraak van de Afdeling over het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Toch stelt hij zich op het standpunt dat zijn voornoemde eerdere negatieve ervaringen in Kroatië ertoe leiden dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

De rechtbank overweegt dat gelet op het claimakkoord de autoriteiten van Kroatië in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Dit is slechts anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers in Kroatië systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) dan wel artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De tekortkomingen vallen pas onder artikel 4 van het Handvest als deze een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 maart 2019 in de zaak Abubacarr Jawo tegen Duitsland (ECLI:EU:C:2019:218, het arrest Jawo).

Verder is van belang een arrest van het Hof van 29 februari 2024 (ECLI:EU:C:2024:195, het arrest X). Hierin is overwogen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel deelbaar is. Ook is overwogen dat bij de beoordeling of sprake is van systeemfouten die vallen onder artikel 4 van het Handvest en daarmee de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid als bedoeld in het arrest Jawo bereiken, de situatie waarin de betrokken verzoeker zich bij of na overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat zou kunnen bevinden bepalend is. Niet is bepalend de situatie waarin hij zich bevond toen hij het grondgebied van die lidstaat aanvankelijk betrad.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in uitspraken van 4 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3455 en ECLI:NL:RVS:2024:3456) geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, te weerleggen. Dat kan de vreemdeling doen door feiten te stellen of verklaringen af te leggen over zijn ervaringen in de aangezochte lidstaat waarmee hij aannemelijk maakt dat er aanknopingspunten zijn dat de asielprocedure en/of opvangvoorzieningen in die lidstaat systeemfouten bevatten die voor zijn overdracht relevant zijn. Ook kan hij daartoe uiterlijk in beroep objectieve informatie over de werking van het asielstelsel van de aangezochte lidstaat overleggen. Als de vreemdeling zich onder verwijzing naar objectieve informatie gemotiveerd op het standpunt stelt dat de minister niet of niet zonder meer van het vermoeden kan uitgaan dat de aangezochte lidstaat aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen, dan mag de minister die gegevens niet buiten beschouwing laten en is het aan haar om gemotiveerd aannemelijk te maken dat zij nog altijd van dat vermoeden mag uitgaan. Bovendien moet de minister ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan zij kennis heeft, om te beslissen over de toepassing van artikel 3, tweede lid, tweede alinea, van de Dublinverordening.

Eiser is er niet in geslaagd om het vermoeden te weerleggen dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, zoals de minister terecht en gemotiveerd heeft overwogen in het bestreden besluit. De rechtbank wijst daarbij in eerste plaats op een uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4037). In deze uitspraak heeft de Afdeling geconcludeerd dat asielzoekers in Kroatië toegang hebben tot basale medische zorg. Ook is de Afdeling ingegaan op het risico op pushbacks bij teruggekeerde Dublinclaimanten en heeft geoordeeld dat uit beschikbare informatie niet volgt dat Dublinclaimanten een reëel risico lopen om slachtoffer te worden van pushbacks in Kroatië. Dit oordeel heeft de Afdeling zeer recent in een uitspraak van 6 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:919) herhaald. Eisers standpunt ten aanzien van de beschikbaarheid van medische zorg en het risico op pushbacks wordt daarom niet gevolgd. Ook de verklaringen van eiser over zijn eerdere ervaringen zijn in dit geval onvoldoende om het eerdergenoemde vermoeden te weerleggen. De minister heeft de door eiser afgelegde verklaringen over zijn gestelde eerdere negatieve ervaringen in Kroatië voldoende betrokken in het bestreden besluit. Eiser zal immers als Dublinclaimant op gereguleerde wijze worden overgedragen aan Kroatië. Hierdoor bevindt hij zich dan in een andere situatie dan toen hij Kroatië voor het eerst betrad. Bovendien heeft de minister terecht gesteld dat eiser in Kroatië kan klagen bij de (hogere) autoriteiten en/of de rechterlijke instanties als Kroatië zich niet houdt aan zijn internationale verplichtingen jegens eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister aanleiding moeten zien om artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening toe te passen?

7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eisers eerdere negatieve ervaringen in Kroatië geen aanleiding vormen om zijn aanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser is onder meer mishandeld en vernederd. Hij wijst daarbij op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 8 maart 2024. Verder voert eiser voor het eerst in beroep aan dat zijn broer in Nederland verblijft en dat zijn broer en hij graag bij elkaar willen blijven en niet willen worden gescheiden. Eiser en zijn broer hebben namelijk een hele diepe en hechte band. Ook om deze reden zou de minister de asielaanvraag volgens eiser onverplicht aan zich moeten trekken.

Uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening volgt dat een lidstaat kan besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in deze verordening.

Volgens paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt de minister terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen in ieder geval indien sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van de vreemdeling aan die lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Kroatië van een onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft er namelijk op gewezen dat zij de door eiser aangevoerde eerdere negatieve ervaringen in Kroatië al heeft meegenomen bij de beoordeling in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:717) volgt dat het de minister vrijstaat om het besluit op deze manier te motiveren. Het beroep van eiser op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 8 maart 2024, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Eiser heeft in zijn beroepsgronden namelijk geen vindplaats van de uitspraak opgenomen. Ter zitting heeft eiser de rechtbank desgevraagd ook geen vindplaats van de uitspraak kunnen geven. Hierdoor is onduidelijk welke uitspraak wordt bedoeld en wat de inhoud van deze uitspraak is.

Verder heeft de minister zich ter zitting in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in het verblijf van de broer van eiser in Nederland ook geen aanleiding wordt gezien om artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening toe te passen. De minister heeft erop mogen wijzen dat de Dublinverordening niet bedoeld is om gezinshereniging te realiseren, maar om de verantwoordelijkheid van een lidstaat voor de behandeling van een asielaanvraag vast te stellen. Ook heeft de minister erop mogen wijzen dat tussen eiser en zijn broer sprake is van een emotionele band, die de normale band tussen broers en zussen niet overstijgt. Hoewel het voorstelbaar is dat eiser graag bij zijn broer in Nederland wil verblijven, heeft de minister hierin geen bijzondere, individuele omstandigheid hoeven zien die maakt dat overdracht van eiser aan Kroatië van een onevenredige hardheid zou getuigen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr.J.M. van Noord, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. F.M.E. Schulmer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?