RECHTBANK Den Haag
Team handel-voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/693145 KG ZA 25-1017
Vonnis in kort geding van 16 december 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V. te [vestigingsplaats] ,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaten: mrs. A. Beerts en A.H. Klein Hofmeijer te Rotterdam,
tegen:
DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES, dienst RIJKSVASTGOEDBEDRIJF) te Den Haag,
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mrs. M. van Rijn en T.M.O. Bottinga te Den Haag,
waarin is tussengekomen:
IJBOUW B.V. te Amsterdam,
eiseres in het incident,
advocaat: mr. F.G. Horsting te Amsterdam,
Eisers worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’, gedaagde als ‘de Staat’ en de tussengekomen partijen als ‘IJbouw’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 oktober 2025;
- de door [eiseres] overgelegde bijbehorende producties 1 tot en met 8;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst subsidiair voeging van IJbouw;
- de conclusie van antwoord van de Staat, met producties 1 tot en met 5;
- de akte wijziging eis van [eiseres] ;
- de op 27 november 2025 gehouden mondelinge behandeling, waarbij de advocaten van partijen de zaak aan de hand van pleitnota’s hebben toegelicht.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2. Het incident tot tussenkomst, subsidiair voeging.
IJbouw heeft (primair) gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [eiseres] en de Staat. [eiseres] en de Staat hebben ter zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst van IJbouw. IJbouw is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij belang heeft bij de uitkomst van dit geding tussen [eiseres] en de Staat. Verder is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.
3. De feiten
De Staat heeft een Europese niet-openbare aanbestedingsprocedure gehouden voor de opdracht ‘Realisatie herinrichting [adres] ’ (hierna: de Opdracht). Het pand op genoemd adres moet worden heringericht en bouwkundig worden aangepast zodat het als kantoorpand met 150 werkplekken kan worden gebruikt. Het doel van de inschrijvingsfase is om, uit (maximaal) 5 door de Staat geselecteerde gegadigden die zijn uitgenodigd tot deelneming aan de inschrijvingsfase, te komen tot één winnende inschrijver waarmee een overeenkomst gesloten kan worden voor de Opdracht.
Op de aanbesteding zijn van toepassing de Aanbestedingswet 2012 (hierna: Aw), het Aanbestedings Reglement Werken 2016 (hierna: ARW) en de Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (versie 2025) (hierna: UAV).
Tot de aanbestedingsdocumentatie behoren onder andere:
- het Bestek, bestaande uit drie delen (Algemeen -, Bouwkundig- en Installatietechnisch deel), met bijlagen;
- de Aanbestedingsleidraad (hierna: de Leidraad)
- de Nota van Inlichtingen (hierna: NvI).
Het gunningscriterium is de economisch meest voordelige inschrijving. De Leidraad bepaalt in paragraaf 3.1 dat als de economisch meest voordelige inschrijving wordt aangemerkt de inschrijving met de laagste fictieve inschrijvingssom. De fictieve inschrijvingssom wordt berekend door de totale kwaliteitswaarde in mindering te brengen op de inschrijvingssom, als volgt (paragraaf 3.4):
Criterium
Maximale kwaliteitswaarde
Score (punt)
Behaalde Kwaliteits- waarde
Totalen Euro
1. Inschrijvingssom
€[XX]
2. Overlastbeperking
€ 270.000,00
Min. 0 -
max. 5
€[XX]
3. Beheersen planning
€ 1.080.000,00
Min. 0 -
max. 5
€[XX]
4. Coördinatie en directieleveringen
€ 450.000,00
Min. 0 -
max. 5
€[XX]
Totale kwaliteitswaarde kwaliteitscriterium 2 t/m 4
€[XX]
Fictieve inschrijvingssom = Inschrijvingssom – totale kwaliteitswaarde
€[XX]
De Leidraad bepaalt over de inschrijving in paragraaf 4.1 (“Algemeen”) als volgt:
“Geselecteerde gegadigden die in aanmerking willen komen voor gunning van de opdracht moeten een tijdige, volledige en correcte inschrijving indienen via het dashboard van deze aanbesteding.
Inschrijvingen dienen te voldoen aan alle bepalingen zoals vermeld in de aanbestedingsstukken en op het dashboard van deze aanbesteding. Een inschrijving waaraan voorwaarden zijn verbonden, wordt als ongeldig terzijde gelegd en niet in beschouwing genomen.”
Paragraaf 4.2 van de Leidraad bevat een checklist inschrijvingsdocumenten en bewijsstukken waarin, voor zover hier relevant, het volgende staat:
Inschrijvingsdocument / bewijsstuk
Verwijzing TenderNed
Vereisten
KWANTITATIEVE DOCUMENTEN
Inschrijvingsbiljet
Criterium 1
(…)
(Optioneel) Volmacht
Niet van toepassing
(…)
Inschrijvingsbegroting
Criterium 1
Zie paragraaf Inschrijvingsbegroting
Verklaring bestuurder omtrent rechtmatigheid inschrijving (Model K)
Eis 8
(…)
Plan van aanpak Overlastbeperking
Criterium 2
(…)
Plan van aanpak realiseren planning
Criterium 3
(…)
Plan van aanpak Coördinatie en directieleveringen
Criterium 4
(…)
Paragraaf 4.2.1.2. van de Leidraad “Inschrijvingsbegroting” luidt:
“De inschrijvingsbegroting dient te zijn gespecificeerd en opgesteld in een algemeen gangbaar bestandsformaat, bij voorkeur als rekenblad/spreadsheet en anders in pdf.
Het Rijksvastgoedbedrijf kan steekproefsgewijs de inschrijvingsbegroting laten controleren op signalen van onregelmatigheden. De inschrijvingsbegroting maakt geen deel uit van de overeenkomst.
In het geval het Rijksvastgoedbedrijf constateert dat de inschrijvingsbegroting ontbreekt, dan stelt het Rijksvastgoedbedrijf de betreffende inschrijver in de gelegenheid om dit gebrek te herstellen.
Herstel dient binnen een termijn van twee werkdagen, te rekenen vanaf de dag van verzending van het herstelverzoek via TenderNed, te hebben plaatsgevonden, bij gebreke waarvan de inschrijving als ongeldig terzijde zal worden gelegd.”
Bij gunningsbeslissing van 30 september 2025 heeft de Staat de inschrijving van [eiseres] als ongeldig terzijde gelegd. In de bijlage is dit als volgt toegelicht:
“U heeft in uw open begroting de volgende tekst opgenomen op pagina 2 onder punt 6) Bijkomende kosten projectgericht:
‘Bankgarantie 5% (eindigd bij ingang onderhoudstermijn)’
Dit is echter niet conform uitvraag en de gegeven antwoorden in de nota van inlichtingen met betrekking tot de bankgarantie. In de NvI is bepaald dat de bankgarantie 5% van de totale aannemingssom dient te zijn gedurende de bouwtijd en dat deze na goedkeuring van de revisietekeningen gehalveerd wordt naar 2,5%. Wij verwijzen hiertoe naar de NvI vragen 47, 154, 173, 308, 318, 327, 369 en paragraaf 43a lid 3 UAV 2012 (versie 2025) en paragraaf 11 lid d UAV 2012 (versie 2025).
Daarnaast heeft u op pagina 25 een personeelskeuken genoemd van € 90.000,00. Dit is niet conform uitvraag: de personeelskeuken betreft een directielevering die wordt verzorgd door [bedrijfsnaam] . Wij verwijzen hiertoe naar het antwoord op vraag 354 van de nota van inlichtingen.
Conform paragraaf 4.1 van de aanbestedingsleidraad inschrijvingsfase en 3.35.1 van het Aanbestedingsreglement Werken 2016 is een inschrijving die niet voldoet aan de eisen gesteld in het ARW, de aankondiging en de voor aanmelding en inschrijving relevante aanbestedingsstukken, ongeldig.
Nu uw inschrijving op twee punten afwijkt van onze uitvraag (de voor de inschrijving relevante aanbestedingsstukken), hebben wij uw inschrijving als ongeldig terzijde gelegd.”
De bijlage vermeldt verder dat IJbouw de winnende inschrijver is.
De bankgarantie
De NvI vermeldt over de bankgarantie onder meer het volgende:
“Ref.nr. 154 Onderwerp:
Model Bankgarantie
Vraag:
De einddatum is hierin niet duidelijk vermeld. In het bestek is op art. 01.02.43.09 een vraag gesteld ter bepaling van de einddatum van de bankgarantie.
Antwoord:
Wij kunnen deze vraag niet plaatsen aangezien er in genoemd lid geen vraag is gesteld. De bankgarantie bevat overigens geen einddatum De bankgarantie blijft van kracht tot het moment dat de aannemer aan al zijn verplichtingen heeft voldaan. Zie ook UAV 2012 (Versie 2025) paragraaf 43a lid 5, en omdat er een onderhoudstermijn van toepassing is, paragraaf 11 lid 6.
(…)
Ref.nr.173 Onderwerp:
Bankgarantie
Vraag:
Kunt u bevestigen dat er een harde einddatum in de tekst van de bankgarantie kan worden opgenomen als om een bankgarantie wordt gevraagd?
Antwoord:
Nee. de bankgarantie bevat geen einddatum. De bankgarantie blijf van kracht tot het moment dat de aannemer aan al zijn verplichtingen heeft voldaan. Zie ook UAV 2012 (Versie 2025) paragraaf 43a lid 5, en omdat er een onderhoudstermijn van toepassing is. paragraaf 11 lid 6.
(…)
Ref.nr. 308 Onderwerp:
Model Bankgarantie
Vraag:
De einddatum is hierin niet duidelijk vermeld. In het bestek is op art 01.02.43.09 een vraag gesteld ter bepaling van de einddatum van de bankgarantie.
Antwoord:
De bankgarantie heeft geen einddatum, maar wordt geretourneerd na afronden van de contractuele verplichtingen.
(…)
Ref.nr. 327 Onderwerp:
Algemeen deel bestek
Vraag:
pag. 25 Het is niet duidelijk tot welke datum of gebeurtenis de zekerheidstelling o.b.v. een bankgarantie van kracht dient te zijn. Wij stellen voor om de bankgarantie te retourneren ten tijde van (of direct na) de oplevering van het Werk.
Antwoord:
Het bestek voorziet erin dat de bankgarantie wordt geretourneerd na afronden van de onderhoudstermijn. Alle betalingen zijn dan immers gedaan en resteert alleen nog de zekerheidsstelling.
(…)
Ref.nr. 369 Onderwerp:
Bestek art. 01.02.43.09
Vraag:
Een bankgarantie van 5% gedurende de looptijd van de realisatie van het werk tot aan de oplevering is gebruikelijk en akkoord. Echter is het aanhouden van de bankgarantie voor de volledige 5% gedurende de onderhoudstermijn niet proportioneel vanwege het zeer verlaagde risico voor Opdrachtgever tijdens de onderhoudstermijn. Wij verzoeken Opdrachtgever om de bankgarantie na oplevering te kunnen verlagen naar 2% gedurende de onderhoudstermijn.
Antwoord:
Na goedkeuring van de revisietekeningen zal de bankgarantie worden gehalveerd.”
De UAV 2012, paragraaf 11 “Onderhoudstermijn” bepaalt, voor zover hier van belang, als volgt:
“ (…)
2. De aannemer is gehouden gebreken, welke in de onderhoudstermijn aan de dag treden, te herstellen, met uitzondering echter van die, waarvoor de opdrachtgever op grond van § 5, tweede lid de verantwoordelijkheid draagt of waarvoor hij op grond van § 5, derde of vierde lid, aansprakelijk is. Onder de in dit lid bedoelde gebreken vallen niet die gebreken die het gevolg zijn van onjuist of onzorgvuldig gebruik dan wel gekwalificeerd kunnen worden als normaal te verwachten slijtage als gevolg van het feitelijke gebruik.
(…)
6. Na afloop van de onderhoudstermijn zal het werk wederom worden opgenomen om te constateren, of de aannemer aan zijn verplichtingen heeft voldaan, waarbij wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in § 9.
De personeelskeuken
De personeelskeuken wordt niet geleverd door de winnaar van deze aanbesteding, maar door een derde aannemer ( [bedrijfsnaam] ).
Het Bestek (Bouwkundig deel, gedateerd 20 mei 2025, bestekpost 47.31.19-b) vermeldt dat de offerte van [bedrijfsnaam] (€ 90.000,-) 1 op 1 moet worden opgenomen in de offerte van inschrijvers.
Naar aanleiding van vragenronde 1 is op 29 augustus 2025 over de personeelskeuken het volgende opgenomen in de NvI:
“Ref.nr. 353 Onderwerp:
Bestek 47.13.19
Vraag:
Dient anders dan de werkzaamheden van Bosch en Heras als zijnde derden de ontvangen prijsopgave van [bedrijfsnaam] à 90K wel of niet in onze prijsopgave opgenomen te worden en dienen wij de in deze opgave benoemde prijsstijgingen dan mee te nemen?
Antwoord:
Nee, [bedrijfsnaam] is ook een nevenaannemer en er is rechtstreeks door het RVB opdracht verleend.
Ref.nr. 354 Onderwerp:
Nota van Inlichtingen 3-148*
Vraag:
148* Dienen wij de werkzaamheden van Bosch, Heras en [bedrijfsnaam] te coördineren en dienen wij hier een coördinatie vergoeding voor op te nemen?
Antwoord:
Jazeker.”
Via Tenderned heeft [eiseres] de Staat op 30 september 2025 als volgt bericht:
“ [eiseres] BV maakt bezwaar op de door u verzonden gunningsbeslissing. Juridisch mag aanbestedende dienst nimmer uitsluiting op basis van wel of niet opgenomen onderdelen in de open begroting. De open begroting is geen contractstuk en dient enkel voor verrekening meer- en minderwerk zoals ook aangegeven in paragraaf 4.2.1.2 van de aanbestedingsleidraad.
Wij verzoeken u onze inschrijving dan ook alsnog te beoordelen (…).”
De Staat heeft [eiseres] op 7 oktober 2025 geantwoord, onder vermelding van de redenen daarvoor, dat hij niet voornemens is de gunningsbeslissing te herzien.
4. Het geschil
[eiseres] vordert, na wijziging van eis, dat de voorzieningenrechter bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
i. de Staat gebiedt om binnen vijf werkdagen na dit vonnis de gunningsbeslissing van 30 september 2025 in te trekken en ingetrokken te houden en de Staat verbiedt uitvoering te geven aan deze voorgenomen gunningsbeslissing;
ii. de Staat gebiedt om binnen vijf werkdagen na dit vonnis, voor zover hij de Opdracht nog wil gunnen, over te gaan tot beoordeling van (in ieder geval) de inschrijving van [eiseres] en een nieuwe gunningsbeslissing te nemen, waarbij (in ieder geval) [eiseres] een nieuwe standstilltermijn van 20 dagen wordt geboden om in rechte op te komen tegen deze beslissing, en de Staat daarbij gebiedt om de beoordeling van de inschrijving van IJbouw ongewijzigd te laten;
iii. de Staat veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
[eiseres] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. De inschrijving van [eiseres] is ten onrechte als ongeldig terzijde gesteld. De begroting maakt geen onderdeel uit van de overeenkomst. Voor wat betreft de bankgarantie volstaat dat [eiseres] in het Inschrijvingsbiljet heeft verklaard dat zij een aanbieding doet ‘overeenkomstig de bepalingen van het Aanbestedingsreglement Werken 2016 en met inachtneming van de bepalingen en de gegevens zoals deze zijn omschreven in de aanbestedingsstukken.' Daarin ligt besloten dat [eiseres] instemt met de verplichting dat zij zo spoedig mogelijk nadat het werk aan haar is opgedragen de gevraagde bankgaranties zal verstrekken. Dat in de Inschrijvingsbegroting geen (zelfstandige) kostenpost is opgenomen voor de bankgarantie die moet worden afgegeven voor de onderhoudstermijn kan niet worden uitgelegd als een indicatie dat [eiseres] de 2,5% garantie niet zou aanbieden. In geval van vermeende tekortkomingen in de open inschrijfbegroting had de Staat vragen moeten stellen op grond van artikel 2.55 Aw. [eiseres] had dan kunnen verduidelijken dat zij met haar inschrijving bedoeld heeft om, conform uitvraag, óók een 2,5%-bankgarantie aan te bieden. Voor wat betreft de bedrijfskeuken geldt dat [eiseres] de kosten daarvan heeft opgenomen in de begroting omdat zij twee antwoorden in de NvI (ref. nrs 353 en 354) over het hoofd heeft gezien. Feitelijk biedt [eiseres] daardoor meer aan dan is gevraagd. Dat is een kennelijke vergissing. Fouten in de inschrijvingsbegroting zijn bovendien herstelbaar. De ongeldigverklaring is dan ook disproportioneel. Bovendien is terzijdelegging van de inschrijving van [eiseres] in strijd met artikel 1.4 lid 2 Aw, dat bepaalt dat de aanbestedende dienst moet zorgdragen voor een maximale maatschappelijke waarde. Het is immers vanuit het oogpunt van de belastingbetaler moeilijk te rechtvaardigen dat de inschrijving van [eiseres] terzijde is gelegd terwijl die economisch veel voordeliger is dan die van IJbouw.
De Staat voert verweer waarop hierna, voor zover van belang, wordt ingegaan.
IJbouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] . Verder vordert IJbouw:
Primair dat de voorzieningenrechter de Staat gebiedt verdere uitvoering te geven aan de voorlopige gunningsbeslissing en de Opdracht definitief aan lJbouw te gunnen, voor zover de Staat de Opdracht definitief wenst te gunnen;
Subsidiair dat de voorzieningenrechter een andere voorlopige voorziening treft die hij in goede justitie passend acht en die recht doet aan de belangen van IJbouw; een en ander met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure, inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Op de stellingen van IJbouw wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Tussen partijen is in geschil of de Staat de inschrijving van [eiseres] terecht terzijde heeft gesteld omdat de in de inschrijvingsbegroting opgenomen bankgarantie en bedrijfskeuken niet conform de uitvraag zouden zijn.
Partijen verschillen van inzicht over de status van de inschrijvingsbegroting, de daaraan te stellen eisen en of de Staat een herstelmogelijkheid had moeten bieden. Verder is in geschil of de sanctie van terzijdelegging van de inschrijving disproportioneel is. Tot slot twisten partijen erover of de omstandigheid dat [eiseres] een inschrijving heeft gedaan die economisch gezien veel voordeliger is dan die van de andere inschrijvers aan de terzijdelegging van die inschrijving in de weg staat, gelet op het belang van de belastingbetaler.
De voorzieningenrechter zal deze geschilpunten hierna beoordelen.
I Status van de inschrijvingsbegroting
[eiseres] stelt dat de inschrijvingsbegroting geen deel uitmaakt van de inschrijvingsstukken. Dit leidt zij af uit het feit dat de Leidraad (par. 4.2.1.2) bepaalt dat de inschrijvingsbegroting geen deel uitmaakt van de overeenkomst, deze slechts steekproefsgewijs wordt gecontroleerd, en bij het ontbreken daarvan dit gebrek mag worden hersteld. Dat zou ondenkbaar zijn als de inschrijvingsbegroting deel zou uitmaken van de inschrijving, omdat wijziging van de inschrijving in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel.
De Staat en IJbouw stellen zich op het standpunt dat de inschrijvingsbegroting een inschrijvingsstuk is. Als alle posten uit de inschrijvingsbegroting bij elkaar worden opgeteld komt daaruit de inschrijfsom. De inschrijfsom bestaat dus uit alle posten die zijn opgenomen in de inschrijvingsbegroting (en andersom). Daarnaast is de inschrijvingsbegroting relevant voor de uitvoeringsfase, in het kader van eventueel opgevoerd meer- en minderwerk (Bestek, Algemeen deel, punt 01.02.35.90).
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Paragraaf 4.2 van de Leidraad bevat een checklist inzake in te dienen inschrijvingsdocumenten en bewijsstukken. Daarin staan het Inschrijvingsbiljet en de Inschrijvingsbegroting allebei genoemd als Criterium 1, het Plan van aanpak Overlastbeperking als Criterium 2, het Plan van aanpak realiseren planning als Criterium 3 en het Plan van aanpak Coördinatie en directieleveringen als Criterium 4.
Al deze criteria spelen een rol in het kader van het gunningscriterium ‘de economische meest voordelige inschrijving’ waaronder volgens de Leidraad, paragraaf 3.4 “Beoordelingsmethodiek”, wordt verstaan de inschrijving met de laagste fictieve inschrijvingssom. Deze fictieve inschrijfsom wordt volgens de Leidraad (Tabel Rekenblad BPKV, zoals hierboven weergegeven onder 3.3.) berekend door de behaalde kwaliteitswaarde van Criteria 2, 3 en 4 (Overlastbeperking, Beheersen planning en Coördinatie en directieleveringen) af te trekken van Criterium 1 (Inschrijvingssom).
Criterium 1 is dus (mede)bepalend voor de fictieve inschrijvingssom, en daardoor voor de beoordeling van de inschrijving. Daaruit vloeit voort dat de Inschrijvingsbegroting, als onderdeel van Criterium 1, een inschrijvingsstuk is.
II Eisen aan de aanbestedingsbegroting
[eiseres] heeft gesteld dat de Inschrijvingsbegroting slechts een toelichting is op de inschrijvingssom om een idee te geven over de opbouw daarvan, en dat haar verklaring op het Inschrijvingsbiljet dat conform het AWR en de aanbestedingsstukken wordt ingeschreven leidend is.
De Staat en IJbouw betwisten dit.
De Inschrijvingsbegroting is, als hiervoor overwogen, een inschrijvingsstuk. Zoals de Staat en IJbouw hebben toegelicht ter zitting, dient de Inschrijvingsbegroting onder meer om aan de hand van de daarin opgenomen posten na te kunnen gaan of aan de in het Bestek gestelde eisen wordt voldaan.
In de Leidraad is bepaald dat de Inschrijvingsbegroting en het Inschrijvingsbiljet samen Criterium 1 vormen. Zij dienen daarom op elkaar aan te sluiten. De posten die zijn opgenomen in de Inschrijvingsbegroting dienen bij elkaar opgeteld dus overeen te komen met de Inschrijvingssom vermeld op het Inschrijvingsbiljet. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat dit [eiseres] duidelijk was, nu zij blijkens de NvI hierover geen vragen heeft gesteld.
Ook volgt uit genoemde samenstelling van Criterium 1 (Inschrijvingsbiljet + Inschrijvingsbegroting) dat de algemene verklaring op het Inschrijvingsbiljet alleen niet volstaat. Dat is ook logisch omdat de voorgedrukte algemene verklaring op het Inschrijvingsbiljet dat conform de aanbestedingsstukken wordt ingeschreven, er niet automatisch toe leidt dat de inschrijver ook daadwerkelijk aan alle in de aanbestedingsstukken gestelde eisen voldoet.
De verklaring op het Inschrijvingsbiljet kan een eventueel gebrek in de Inschrijvingsbegroting dan ook niet dekken. Als dit wel het geval zou zijn, zou (vrijwel) iedere fout in de aanbestedingsstukken als “kennelijke” fout kwalificeren en daarmee voor herstel in aanmerking komen (zie hieronder rechtsoverweging 5.10).
III Mogelijkheid tot herstel ?
Niet in geschil is dat [eiseres] in de Inschrijvingsbegroting een bankgarantie heeft begroot voor de bouwfase, eindigend bij ingang van de onderhoudstermijn.
Uit paragraaf 43a lid 2 en 3 UAV (zekerheidstelling voor nakoming van verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst, in de vorm van een bankgarantie) en paragraaf 11 lid 2 en 6 UAV (verplichting tot herstel van gebreken die zich voordoen in de onderhoudstermijn) gelezen in samenhang met de antwoorden in de NvI, ref. nrs. 154,173 en met name 327 en 369, blijkt dat [eiseres] ook voor de onderhoudstermijn een bankgarantie had moeten stellen. Nu de Inschrijvingsbegroting daarin niet voorziet, is deze onvolledig.
De vraag die ter beantwoording voorligt is of de Staat [eiseres] in de gelegenheid had moeten stellen om haar Inschrijvingsbegroting te herstellen.
[eiseres] wijst erop dat het ontbreken van de Inschrijvingsbegroting herstelbaar is (Leidraad, paragraaf 4.2.1.2) en dat als de Staat twijfelde over het aanbieden van de bankgarantie hij daarover vragen had moeten stellen aan [eiseres] .
De Staat en IJbouw voeren aan dat de aanbestedingsrechtelijke beginselen in dit geval aan herstel in de weg staan. Indien [eiseres] in de gelegenheid zou worden gesteld haar inschrijving op dit punt te herstellen, zou er sprake zijn van een materieel andere inschrijving.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
De wetgever heeft in artikel 2.55 Aw een bevoegdheid voor de aanbestedende dienst gecreëerd die inhoudt dat een aanbestedende dienst een ondernemer kan vragen om zijn inschrijving of verzoek om deelneming nader toe te lichten of aan te vullen. Voor de beantwoording van de vraag hoe die bevoegdheid in dit geval kan en moet worden uitgeoefend, moet artikel 2.55 Aw 2012 worden geïnterpreteerd in het licht van Richtlijn 2014/24/EU en de uitleg die het HvJ EU in jurisprudentie aan de voorgaande richtlijn 2004/18/EG heeft gegeven.
Deze jurisprudentie komt er – kort gezegd – op neer dat wanneer een inschrijver zijn inschrijving heeft ingediend, hij deze inschrijving in beginsel niet meer mag aanpassen. De beginselen van gelijke behandeling en transparantie verzetten zich daartegen.
In uitzonderlijke gevallen echter, kunnen de inschrijvingen worden verbeterd of aangevuld. Daarbij dient het herstel betrekking te hebben op een eenvoudige precisering of een kennelijke materiële fout en mag een herstel er niet toe leiden dat in werkelijkheid een nieuwe inschrijving wordt voorgesteld (HvJ EU 29 maart 2012, zaak C-599/10, ECLI:EU:C:2012:191 (SAG), rechtsoverweging 40). Daarnaast moet de verbetering of aanvulling betrekking hebben op gegevens waarvan objectief kan worden vastgesteld dat zij dateren van vóór de datum van de inschrijving.
Het maken van een dergelijke uitzondering is echter uitgesloten ingeval van ontbrekende informatie die op straffe van uitsluiting moet worden verstrekt (HvJ EU 10 oktober 2013, zaak C-336/12, ECLI:EU:C:2013:647 (Manova), rechtsoverweging 39 en 40 en meer recent HvJ EU 28 februari 2018, zaken C-523 en 536/16, ECLI:EU:C:2018:122, rechtsoverweging 49 en 51).
Als toepassing van deze criteria ertoe leidt dat een gebrek kan worden hersteld, moet de aanbestedende dienst de inschrijver hiervoor ook gelegenheid bieden. Als de aanbestedende dienst dit niet doet, is dat in strijd met het proportionaliteitsbeginsel (zie daarover hieronder rechtsoverweging 5.18).
De voorzieningenrechter constateert dat de Leidraad in paragraaf 4.1 (“Algemeen”) bepaalt dat geselecteerde gegadigden die in aanmerking willen komen voor gunning van de opdracht een tijdige, volledige en correcte inschrijving moeten indienen via het dashboard van deze aanbesteding, en dat Inschrijvingen dienen te voldoen aan alle bepalingen zoals vermeld in de aanbestedingsstukken en op het dashboard van de aanbesteding.
Hieruit volgt dat in geval van een gebrek in de Inschrijvingsbegroting de Inschrijver in beginsel niet in aanmerking komt voor gunning.
Bij toetsing aan de onder 5.10 genoemde criteria voor herstel komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat daaraan in dit geval niet wordt voldaan. Van een klaarblijkelijk eenvoudige precisering is geen sprake omdat de kostenpost die behoort bij een bankgarantie voor de onderhoudstermijn niet eenvoudig kan worden bepaald op basis van de inschrijving van [eiseres] . Evenmin is sprake van een kennelijke materiële fout. Een dergelijke fout doet zich volgens vaste rechtspraak voor wanneer uit de inschrijving zelf blijkt dat het om een fout moet gaan. Uit geen van de inschrijvingsstukken van [eiseres] echter wordt duidelijk dat zij in de Inschrijvingsbegroting heeft bedoeld om een bankgarantie voor de gehele contractduur tot en met de onderhoudsfase aan te bieden in plaats van voor alleen de bouwfase. Het aanpassen van de ingediende Inschrijvingsbegroting waarbij de bankgarantie eindigt bij aanvang van de onderhoudstermijn naar een bankgarantie die zich wel uitstrekt over de onderhoudstermijn, zou er toe leiden dat er materieel gezien sprake is van een nieuwe inschrijving. De posten die zijn opgenomen in de Inschrijvingsbegroting dienen bij elkaar opgeteld immers overeen te komen met de Inschrijvingssom vermeld op het Inschrijvingsbiljet. Dit brengt mee dat als een de Inschrijvingsbegroting wordt aangevuld met een eerder ontbrekende post, dit ook tot aanpassing van de (hoogte van de) Inschrijvingssom op het Inschrijvingsbiljet leidt.
Dit zou in strijd komen met de hiervoor aangehaalde jurisprudentie. Ook is het in geval van verbetering of aanvulling van de Inschrijvingsbegroting door daarin alsnog een volledige bankgarantie op te nemen, niet (meer) mogelijk objectief vast te stellen dat deze gegevens dateren van voor de inschrijvingstermijn.
Het voorgaande betekent dat er geen sprake is van een uitzonderlijk geval waarin aan [eiseres] de gelegenheid had moeten worden geboden haar inschrijving te verbeteren of aan te vullen.
Dat in geval van het geheel ontbreken van een inschrijvingsbegroting dit gebrek mag worden hersteld, zoals [eiseres] aanvoert, leidt niet tot een ander oordeel. Dit betreft immers een andere situatie, omdat de Leidraad voor dat geval expliciet voorziet in de mogelijkheid tot herstel.
De conclusie op grond van het voorgaande is dat de Staat terecht geen gelegenheid heeft geboden aan [eiseres] om haar inschrijving aan te passen.
Uit deze conclusie volgt ook dat de Staat niet gehouden was [eiseres] te vragen haar inschrijving op dit punt toe te lichten of te verduidelijken.
IV Is de terzijdestelling disproportioneel?
[eiseres] heeft verder betoogd dat de sanctie van terzijdestelling van haar inschrijving in strijd met het proportionaliteitsbeginsel is.
Dit betoog slaagt niet. In de wet en de jurisprudentie over herstelmogelijkheden is het proportionaliteitsbeginsel, dat inhoudt dat de reactie van de aanbestedende dienst op een verzuim van een inschrijver in verhouding tot dat verzuim moet staan, al verdisconteerd (zie rechtsoverweging 5.11): op grond van het proportionaliteitsbeginsel moet de aanbestedende dienst als wordt voldaan aan de eerdergenoemde criteria voor herstel de inschrijver gelegenheid bieden tot herstel van het verzuim.
Dit betekent dat als het gebrek zich niet voor herstel leent, zoals in dit geval, de terzijdelegging van de inschrijving niet in strijd is met het proportionaliteitsbeginsel. Er is geen plaats voor een tweede toetsing aan het proportionaliteitsbeginsel.
V. Belastingbetaler
Ook het betoog van [eiseres] dat terzijdestalling van haar economisch gunstiger inschrijving vanuit het oogpunt van de belastingbetaler strijdig zou zijn met artikel 1.4 lid 2 Aw, dat bepaalt dat de aanbestedende dienst moet zorgdragen voor een maximale maatschappelijke waarde, faalt.
Op grond van paragraaf 4.1.2.2. Leidraad heeft de Staat de Inschrijvingsbegroting gecontroleerd op onregelmatigheden. Artikel 2.28 lid 3 Aw bepaalt dat een inschrijving onder meer onregelmatig is, als deze niet voldoet aan de vereisten van de aanbestedingsstukken. Nu de Inschrijvingsbegroting van [eiseres] niet voldoet aan de eisen als vermeld in de NvI, komt zij niet in aanmerking voor gunning (Leidraad, paragraaf 4.1). Het niet optreden tegen de Inschrijvingsbegroting van [eiseres] die, nu herstel daarvan niet mogelijk is, (definitief) niet voldoet aan de uitvraag en daarmee incorrect is, terwijl anderen hun inschrijving wel conform de uitvraag hebben ingediend, is in strijd met de wet (artikel 3.35.1 ARW) en de beginselen van het aanbestedingsrecht (gelijke behandeling, artikel 1.8 Aw; transparantie, artikel 1.9 Aw; en objectiviteit, artikel 1.10a Aw). De Staat was dan ook gehouden de inschrijving van [eiseres] als ongeldig terzijde te leggen.
De conclusie op grond van het voorgaande is dat de Staat naar het oordeel van de voorzieningenrecht terecht de inschrijving van [eiseres] terzijde heeft gelegd. Gelet op dit oordeel behoeft de andere reden die de Staat aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd, inzake de bedrijfskeuken, geen verdere bespreking.
De vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen.
Proceskosten en vorderingen in de tussenkomst
[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld de proceskosten (inclusief nakosten) van de Staat te betalen. Deze worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.999,00
De door de Staat gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De afwijzing van de vorderingen van [eiseres] brengt mee, ervan uitgaande dat de Staat voornemens is de Opdracht definitief te gunnen aan IJbouw, dat IJbouw in deze procedure geen belang heeft bij toewijzing van haar primaire vordering ten laste van de Staat. Daarnaast staat aan toewijzing van de vordering in de weg dat op 24 december 2025 vonnis zal worden gewezen in het kort geding van Constructif B.V. tegen de Staat over de terzijdelegging van haar inschrijving en de voorzieningenrechter niet op de uitkomst van die procedure vooruit kan lopen. Ditzelfde geldt ten aanzien van de subsidiaire vordering, die daarom eveneens wordt afgewezen,
IJbouw zal daarom als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de Staat, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat de Staat als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken.
[eiseres] wordt in haar verhouding tot IJbouw aangemerkt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij. Het doel van IJbouw was immers met name de gunningsbeslissing van de Staat in stand te houden. Dat doel is bereikt. [eiseres] zal worden veroordeeld in de proceskosten van IJbouw, die in het incident worden begroot op nihil en in de hoofdzaak op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.107,00
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.999,00
De door IJbouw gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van de Staat tot op heden begroot op € 1.999,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiseres]€ 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van IJbouw tot op heden begroot op nihil in het incident en op € 1.999,00 in de hoofdzaak, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiseres] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [eiseres] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de door haar te betalen proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
veroordeelt IJbouw voor wat betreft de door haar ingestelde vordering tegen de Staat in de kosten van de Staat, tot op heden begroot op nihil;
verklaart de kostenveroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
SH