RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.N. Ali),
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: P.M.W. Jans).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.18338
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de verklaringen van eiser dat hij problemen heeft ondervonden vanwege zijn homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig mogen achten. De minister hoefde geen waarde te hechten aan de overgelegde documenten. De minister heeft verder mogen concluderen dat de verklaringen van eiser onsamenhangend en geen aannemelijk geheel vormen en dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Eiser heeft dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Tanzaniaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1984. De minister heeft met het bestreden besluit van 21 maart 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M.D.A. Okeyo als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
Referentiekader
Oppervlakkige verklaringen
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij voert aan dat hij niet terug kan naar zijn land van herkomst omdat hij een relatie heeft gehad met een andere man. Dit is in Tanzania bij wet verboden en eiser is hiervoor ook aangehouden. Eiser heeft voor moeten komen bij de rechtbank in Tanzania en heeft een termijn gekregen om zich daar later weer te melden. Voor het einde van die termijn heeft eiser besloten om te vluchten omdat hij bang was dat hij in de gevangenis zou belanden.
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen vanwege eisers homoseksuele gerichtheid.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. Dat eiser homoseksueel is en problemen heeft vanwege zijn gestelde homoseksuele gerichtheid vindt de minister echter niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn asielaanvraag niet onderbouwd met objectieve documenten. Bureau Documenten heeft de door eiser overgelegde documenten onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat deze documenten met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd zijn opgemaakt. De minister hecht daarom geen waarde aan deze documenten. De minister vindt het asielmotief niet alsnog geloofwaardig, omdat eiser niet voldoet aan de vereisten van artikel 31, zesde lid, onder c en e, Vw. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, Vw. Eiser heeft namelijk oppervlakkig verklaard over de volgende aspecten:
- De realisatie van zijn geaardheid en zijn gevoelens daarbij;
- De acceptatie van zijn geaardheid;
- De gevoelens voor [persoon1] (de eerste man met wie eiser een relatie had);
- Zijn relaties;
- Het gedwongen hebben van een heteroseksuele relatie;
- De situatie van LHBTI in Nederland en Tanzania.
Van eiser mag worden verwacht dat hij meer in detail persoonlijke verklaringen kan afleggen over zijn gevoelens en hier ook meer inzicht in kan geven. Daarnaast heeft eiser ongerijmd verklaard over het onderduiken en is de informatie op de overgelegde documenten – een oproep en een arrestatiebevel – opmerkelijk. Aan de overgelegde documenten kan geen waarde worden gehecht.
Ook kan eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd als bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder e, omdat hij documenten heeft overgelegd waarvan niet kan worden gezegd dat deze echt zijn. Dat doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van eiser als geheel. De minister meent daarom dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat hij bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft daarom de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vw.
Het oordeel van de rechtbank
6. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag. Hij voert aan dat de minister zijn asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. De rechtbank is van oordeel dat de minister het asielrelaas van eiser wel ongeloofwaardig heeft kunnen vinden. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser oppervlakkig heeft verklaard en er meer van hem verwacht had mogen worden. De overgelegde documenten zijn onvoldoende om de oppervlakkige verklaringen te ondersteunen. Hierna legt de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden uit hoe zij tot dit oordeel komt.
7. Tijdens de zitting heeft eiser aangevoerd dat hij uit een andere gemeenschap komt waarin het niet gebruikelijk is om te praten over seksualiteit en gevoelens. De minister heeft dit niet meegenomen in de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas. Daarom vindt eiser dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser dit voor het eerst tijdens de zitting heeft aangevoerd. Eiser heeft hierover slechts gezegd dat hij niet gewend is om te praten over zijn gevoelens. De minister heeft daarop gereageerd dat de enkele stelling dat eiser een andere cultuur heeft onvoldoende is. De rechtbank volgt de minister hierin en is van oordeel dat de minister wel voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
9. Eiser voert aan dat hij met zijn verklaringen wel voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij homoseksueel is en daardoor problemen zal ondervinden als hij terug gaat naar Tanzania. Verder klopt het niet dat eiser oppervlakkig zou hebben verklaard. Eiser heeft namelijk wel inzicht gegeven in zijn gevoelens, hoe deze zijn ontwikkeld en hoe hij zich hierdoor realiseerde dat hij op mannen valt. Eiser heeft duidelijk verklaard over de acceptatie van zijn geaardheid en over de gevoelens voor [persoon1] . Ook heeft hij niet oppervlakkig verklaard over zijn relaties. Het kan niet zo zijn dat eiser al die gedetailleerde verklaringen heeft verzonnen over zijn relatie met [persoon2] . Daarnaast is het heel aannemelijk dat eiser een gedwongen huwelijk heeft gehad, omdat homoseksualiteit verboden is in Tanzania. Dat eiser niet zoveel weet over de LHBTI situatie in Tanzania mag hem ook niet worden tegengeworpen. Eiser heeft hier bewust geen informatie over opgezocht omdat hij bang was dat daardoor zijn homoseksuele gerichtheid naar buiten zou komen. Daarnaast klopt het niet dat hij ongerijmd heeft verklaard over het onderduiken. De minister heeft dit ook niet deugdelijk gemotiveerd.
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister mocht concluderen dat eiser oppervlakkig en ongerijmd heeft verklaard. De verklaringen van eiser blijven oppervlakkig en algemeen. Eisers verklaringen geven weinig inzicht in zijn geaardheid, hoe hij erachter kwam dat hij homoseksueel was en hoe hij zijn gevoelens voor zijn mannelijke partners heeft geaccepteerd. Eiser heeft bijvoorbeeld alleen feitelijk verklaard over hoe hij [persoon1] heeft ontmoet en hoe de relatie met hem is begonnen. (Zie pagina 17 van het nader gehoor). Verder heeft eiser verklaard dat hij na zijn relatie met [persoon1] zijn geaardheid gelijk heeft
geaccepteerd en dat deze acceptatie niet moeilijk was omdat het voor eiser lastig was om een meisje te versieren. (Zie pagina 20 van het nader gehoor). De rechtbank begrijpt dat dit voor de minister moeilijk te volgen is. Bovendien blijft eiser hangen in het seksuele deel van zijn relaties en heeft hij geen inzicht gegeven over hoe het voor hem was om gedwongen een heteroseksuele relatie te hebben. De minister mag van eiser verwachten dat hij hier uitgebreider en persoonlijker over kan verklaren.
De rechtbank overweegt dat de beroepsgronden die eiser verder heeft ingediend slechts een herhaling zijn van de zienswijze, zonder toelichting of nadere onderbouwing waarom het standpunt van de minister daarover niet klopt. Eiser voert wel aan dat sprake is van een motiveringsgebrek, maar onderbouwt dit niet. Ook heeft hij nauwelijks iets ingebracht tegen de stelling van de minister dat eiser onvoldoende weet over de LHBTI-situatie in Tanzania. Verder heeft eiser niet uitgelegd waarom zijn verklaringen over het onderduiken wel met elkaar rijmen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Documenten
11. Eiser voert aan dat de door hem overgelegde documenten, de oproep en het arrestatiebevel, als ondersteunend bewijs moeten dienen. Tijdens de zitting heeft eiser aangevoerd dat het onderzoek van Bureau Documenten slechts een waarschijnlijkheidsoordeel geeft. Daarmee staat nog niet vast dat de documenten niet door de bevoegde instanties zijn verstrekt. De minister had daar volgens eiser niet zomaar aan voorbij mogen gaan.
12. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak - van de hoogste bestuursrechter - een advies van Bureau Documenten is aan te merken als een deskundigenadvies aan de minister, ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. De minister moet zich volgens artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ervan vergewissen dat een door hem gebruikt deskundigenrapport op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als dat het geval is, mag de minister in beginsel van de juistheid van het advies uitgaan. Eiser kan een deskundigenadvies betwisten met een contra-expertise of door concrete aanknopingspunten aan te voeren die leiden tot twijfel over het advies.
De rechtbank is van oordeel dat de minister mocht uitgaan van het onderzoek van Bureau Documenten. De minister hoeft daardoor geen waarde te hechten aan de documenten die eiser heeft overgelegd. Eiser heeft geen contra-expertise ingebracht en geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die leiden tot twijfel over het onderzoek van Bureau Documenten. Eiser heeft wel gezegd dat hij een contra-expertise wilde laten uitvoeren zodra hij daarvoor de financiële middelen had, maar dat is nooit gebeurd. Ook is de enkele opmerking dat het slechts gaat om een waarschijnlijkheidsoordeel geen concreet aanknopingspunt om aan het advies van Bureau Documenten te twijfelen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Openbare bronnen
13. Eiser heeft daarnaast nog verwezen naar verschillende openbare bronnen die volgens hem zijn asielrelaas ondersteunen. De informatie uit deze openbare bronnen onderbouwen de verklaringen die eiser heeft afgelegd over het gevaar dat hij zal lopen als hij terug gaat naar Tanzania. Bovendien ondersteunt de informatie uit deze bronnen het arrestatiebevel dat eiser bij zijn asielaanvraag heeft overgelegd.
14. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt stelt dat de overgelegde openbare bronnen eisers asielrelaas niet ondersteunen. De rechtbank overweegt dat voor zover eiser heeft gezegd dat homoseksuelen een risico lopen in Tanzania, deze stelling op dit moment niet relevant is, aangezien de minister het ongeloofwaardig heeft bevonden dat eiser homoseksueel is. Voor zover eiser zegt dat de openbare bronnen zijn asielrelaas en arrestatiebevel bevestigen, volgt de rechtbank het standpunt van de minister, dat uit deze openbare bronnen niet blijkt dat iedere homoseksueel in Tanzania een arrestatiebevel krijgt. Bovendien heeft Bureau Documenten beoordeeld dat het arrestatiebevel naar aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt. De minister hoeft aan het arrestatiebevel, zoals de rechtbank heeft overwogen in rechtsoverweging 11.1, geen waarde aan te hechten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
15. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister het asielmotief over de gestelde problemen van eiser in Tanzania vanwege zijn homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig heeft mogen vinden.
Veiligheidssituatie Tanzania
16. Tijdens de zitting is de huidige veiligheidssituatie in Tanzania besproken. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een 15c situatie, ondanks de onrustige situatie op dit moment. Dit heeft eiser niet weersproken. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om ervan uit te gaan dat het op dit moment zo onveilig is in Tanzania dat het voor eiser niet mogelijk is om terug te keren zonder een reëel risico te lopen om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Het is de rechtbank niet gebleken dat de onrust en het geweld in Tanzania zodanig wijdverbreid, hevig en willekeurig is, dat eiser daardoor een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Dat betekent dat eiser geen verblijfsvergunning asiel krijgt. Ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 12 december 2025.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.