ECLI:NL:RBDHA:2025:27708

ECLI:NL:RBDHA:2025:27708

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-11-2025
Datum publicatie 10-03-2026
Zaaknummer NL25.32336
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Beroep in verband met het niet tijdig beslissen door de minister op de asielaanvraag van eiser. WBV 2023/26. Besluit- en vertrekmoratorium Syrië. Gegrond. Termijn 16 weken

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.32336

(gemachtigde: mr. K. Yousef),

en

Procesverloop

Eiser heeft op 28 oktober 2024 een aanvraag gedaan om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Op 29 oktober 2024 heeft eiser het formulier M35-H ingediend.

Bij brief van 25 juni 2025 heeft eiser de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De minister heeft de ingebrekestelling op 25 juni 2025 ontvangen.

Eiser heeft vervolgens op 17 juli 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

De minister heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben aan het dossier toegevoegd en heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, nu partijen, desgevraagd, niet hebben aangegeven gebruik te willen maken van hun recht ter zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld.

2. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan het beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

3. Eiser heeft op 28 oktober 2024 zijn asielaanvraag ingediend. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 dient de minister binnen zes maanden op de asielaanvraag te beslissen.

4. De rechtbank maakt uit IB 2025/28 op dat de minister zich gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 mei 2025, niet langer op het standpunt stelt dat door middel van WBV 2023/26 de beslistermijn rechtsgeldig met negen maanden is verlengd op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De beslistermijn voor de asielaanvraag van eiser is dus niet verlengd met negen maanden op grond van WBV 2023/26.

5. De rechtbank overweegt verder dat de minister bij besluit van 13 december 2024 een besluit- en vertrekmoratorium heeft ingesteld met ingang van 14 december 2024. Op grond van artikel 2 van dit besluit wordt de beslistermijn bedoeld in artikel 42 van de Vw 2000, op grond van artikel 43, eerste lid, van de Vw 2000 verlengd met een jaar tot ten hoogste 21 maanden voor vreemdelingen afkomstig uit Syrië, die een aanvraag indienen of hebben ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

6. De rechtbank stelt vast dat de verlenging van de beslistermijn is gepubliceerd in de Staatscourant, maar niet is gebleken dat eiser individueel van deze verlenging op de hoogte is gesteld. Het besluit- en vertrekmoratorium is daarom niet op eiser van toepassing. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 oktober 2019, waarin is geoordeeld dat de minister het besluit- en vertrekmoratorium dient te publiceren in de Staatscourant en vervolgens elke individuele vreemdeling op wie het besluit- en vertrekmoratorium van toepassing is daarvan ook op de hoogte moet stellen. Op die manier is voldaan aan de vereisten die artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn aan het uitstellen van individuele besluiten stelt. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in haar recente uitspraak van 10 juli 2025. De beslistermijn voor de asielaanvraag van eiser is dus niet verlengd en is op 28 april 2025 verstreken.

7. Eiser heeft de minister op 25 juni 2025 in gebreke gesteld, de ingebrekestelling is daarmee geldig. Vervolgens heeft eiser meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Er is daarmee voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van een beroep wegens het niet tijdig beslissen, zoals opgenomen in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen is terecht ingediend. Het beroep is daarom gegrond en het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluit op de aanvraag wordt daarom vernietigd.

8. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank daarnaast met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb te bepalen dat de minister alsnog binnen een te stellen termijn een besluit bekend dient te maken op de aanvraag van eiser.

9. Bij het stellen van deze termijn neemt de rechtbank mee dat de Afdeling

bij uitspraak van 8 juli 2020 heeft bepaald dat in gevallen waarin nog geen eerste gehoor heeft plaatsgevonden, het “8+8 model” passend is, dat wil zeggen acht weken voor het afnemen van het eerste gehoor en acht weken daarna om het besluit bekend te maken. De Afdeling heeft in die uitspraak verder nog overwogen dat de rechter in asielzaken er rekening mee houdt dat de minister aanvragen binnen een redelijke termijn moet hebben behandeld. Dit aspect van behoorlijk bestuur is een algemeen beginsel van het Unierecht waaraan de rechter toetst. Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn verplicht lidstaten procedures in elk geval uiterlijk binnen 21 maanden af te ronden. De rechter stelt dus geen onnodig lange nadere termijn en neemt in ieder geval de bovengrens van 21 maanden in acht, aldus de Afdeling.

10. Nu de aanvraag op 28 oktober 2024 is ingediend, is de bovengrens van 21 maanden, waarbinnen de minister de asielaanvraag moet hebben behandeld, nog niet overschreden. Daarom neemt de rechtbank het 8+8 weken model uit bovengenoemde uitspraak van de Afdeling als uitgangspunt. In de zaak van eiser houdt de rechtbank bij het bepalen van de nadere termijn rekening met het feit dat eiser nog niet is gehoord over zijn asielmotieven. Gezien het voorgaande acht de rechtbank een termijn van zestien weken niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort.

11. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb te bepalen dat de minister een dwangsom verbeurt als hij de gestelde termijn van zestien weken overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op

€ 100,00 per dag, met een maximum van € 7,500,00 overeenkomstig de vaste, in uitspraken neergelegde, praktijk.

12. De rechtbank ziet verder aanleiding om de minister te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten wegens verleende rechtsbijstand worden ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 453,50, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiser één punt met een waarde van € 907,00 wordt toegekend (voor het indienen van het beroepschrift). Het gewicht van de zaak is bepaald op licht (wegingsfactor 0,5) omdat het bij dit beroep uitsluitend gaat om het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. de Jong - Nibourg, rechter, in aanwezigheid van T. Degirmenci, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 november 2025

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.A.J. de Jong - Nibourg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?