[eiser] , geboren [geboortedag] 2003
[V-Nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H.L.M. Janssen),
en
de Minister van Asiel en Migratie
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 februari 2025 niet in behandeling genomen omdat Bondsrepubliek Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beroepsgronden
4. Eiser voert aan dat ten aanzien van Duitsland niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In Duitsland komt veel discriminatie voor van asielzoekers. Het politieke draagvlak voor de opname van asielzoekers brokkelt zienderogen af, vooral na de recente reeks bloedige aanslagen van jihadistische signatuur zoals bij de kerstmarkt in Maagdenburg en de moordpartij in Solingen. Een groeiend aantal Duitsers komt er openlijk voor uit dat ze de massa-immigratie van derdelanders drastisch willen indammen. Veel Duitsers zijn van mening dat de islam onverenigbaar is met de Westerse normen en waarden. Eiser is van mening dat hij in een dergelijk geladen politiek klimaat geen kans maakt op een faire asielprocedure en voelt zich in Duitsland kwetsbaar.
5. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister er in het algemeen op vertrouwen dat de lidstaten die partij zijn bij de Dublinverordening – waaronder ook Duitsland – hun internationale verplichtingen nakomen. Dit betekent dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van eiser na overdracht aan Duitsland in overeenstemming is met de bepalingen uit het EVRM, het Handvest en het Vluchtelingenverdrag. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, omdat de asielprocedure in Duitsland een fundamentele systeemfout bevat die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt als bedoeld in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Eiser is hier naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd.
6. De door eiser naar voren gebrachte omstandigheden onderbouwen immers niet dat en hoe eiser terechtkomt in een situatie van verregaande materiële deprivatie of dat er sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen. Met het gegeven claimakkoord garandeert Duitsland bovendien dat het asielverzoek van eiser (weer) in behandeling zal worden genomen en dat zijn situatie zal worden beoordeeld met toepassing van de geldende Europese wet- en regelgeving, die ook in Duitsland geldt. Voorts overweegt de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zich in geval van problemen met betrekking tot de gestelde discriminatie tot de (hogere) autoriteiten in Duitsland kan wenden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen, of dat vragen om hulp bij voorbaat zinloos is.
7. Eiser heeft voorts als beroepsgrond naar voren gebracht dat de minister de asielaanvraag ook aan zich had kunnen trekken. Nu eiser niet nader heeft onderbouwd op grond van welke feiten en omstandigheden verweerder dit had behoren te doen, slaagt het beroep reeds daarom niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Omdat op het beroep is beslist zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze utspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.P.W. Kwakman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.