ECLI:NL:RBDHA:2025:27717

ECLI:NL:RBDHA:2025:27717

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-05-2025
Datum publicatie 12-03-2026
Zaaknummer NL24.24120
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

De minister heeft het landenbeleid ten aanzien van Jezidi’s, zowel ten aanzien van de Koerdische Autonome Regio (KAR) als de rest van Irak, onvoldoende gemotiveerd. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij uitzetting naar Irak, ondanks de humanitaire situatie voor Jezidi’s in combinatie bezien met zijn individualiseerbare omstandigheden, in staat zal zijn om in zijn basisbehoeften te voorzien. De minister heeft verder geloofwaardig gevonden dat discriminatie en achterstelling van Jezidi’s in de KAR voorkomt. De minister had daarom moeten onderzoeken of eiser als Jezidi behoort tot een sociale groep, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 16 januari 2024 (ECLI:EU:C:2024:47), dan wel of het zijn van Jezidi als een geloof kan worden aangemerkt en eiser als gevolg daarvan te vrezen heeft voor vervolging en daarmee als verdragsvluchteling in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan worden aangemerkt.

Uitspraak

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser,

(gemachtigde: mr. H.J. Janse),

en

de Minister van Asiel en Migratie, als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 juni 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw.

2. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op 16 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer D.A.H. Ahmed als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

4. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Eerdere procedures en de omvang van het geding naar aanleiding van deze procedures

5. Eiser stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .

Eiser heeft op 7 februari 2006 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Daarna heeft eiser in de periode van 29 juni 2007 tot en met 23 november 2017 nog zes (opvolgende) asielaanvragen ingediend. De besluiten die in deze procedures door verweerder zijn genomen staan op dit moment allen in rechte vast.

Op 20 augustus 2018 heeft eiser zijn achtste en huidige asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 7 februari 2019 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Het daartegen ingestelde beroep heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, bij uitspraak van 26 maart 2019 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 1 oktober 2019 heeft de Afdeling het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit van 7 februari 2019 vernietigd. In rechtsoverweging 2 van deze uitspraak heeft de Afdeling het volgende overwogen:

“De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de door de vreemdeling overgelegde, van na de beschikking op zijn vorige aanvraag daterende, informatie volgt dat de situatie in heel Irak voor Jezidi's slecht en onveilig is. De vreemdeling klaagt in zijn grief terecht dat die overweging zich niet verdraagt met het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris niet kan beoordelen of de vreemdeling als Jezidi een risico loopt bij terugkeer naar dat land, omdat zijn herkomst in Irak niet vaststaat. Omdat de staatssecretaris in zijn besluit hetzelfde standpunt heeft ingenomen, heeft de vreemdeling in beroep dan ook terecht betoogd dat hij nieuwe elementen en bevindingen naar voren heeft gebracht die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag.”

Met het besluit van 25 juni 2020 heeft verweerder de huidige asielaanvraag van eiser opnieuw niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Bij uitspraak van 14 september 2020 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft bij uitspraak van 30 maart 2023 het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 juni 2020 vernietigd en verweerder opgedragen om binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

In rechtsoverweging 3 van deze uitspraak heeft de Afdeling het volgende overwogen:

“De Afdeling heeft in haar uitspraak van 11 oktober 2019 geoordeeld dat de vreemdeling, door het inbrengen van informatie over de positie van Jezidi's in geheel Irak, nieuwe elementen en bevindingen naar voren heeft gebracht die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. In dit oordeel had de staatssecretaris aanleiding moeten zien de aanvraag van de vreemdeling inhoudelijk te beoordelen en daarbij had hij met inachtneming van de geldende regelgeving en eventuele gewijzigde persoonlijke omstandigheden moeten beoordelen of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade.”

Verder heeft de Afdeling in rechtsoverweging 4 – voor zover relevant – overwogen:

“Dit betekent dat de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling inhoudelijk moet beoordelen. Voordat de staatssecretaris een nieuw besluit neemt, moet hij een nieuw voornemen uitbrengen en de vreemdeling in de gelegenheid stellen daarop een zienswijze te geven. De staatssecretaris moet bij zijn beoordeling betrekken dat hij na de uitspraak van de Afdeling van 11 oktober 2019 zijn beleid heeft gewijzigd wegens de veranderde veiligheidssituatie in het land van herkomst van de vreemdeling en de bijzondere groep waartoe hij behoort (Stcrt. 2021, 1570). Ook moet de staatssecretaris een standpunt innemen over de verhouding tussen de zaak van de vreemdeling en zijn beleid dat Jezidi's uit lrak (met uitzondering van de Koerdische Autonome Regio) worden aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep.”

Vervolgens heeft verweerder op 24 oktober 2023 het voornemen uitgebracht om

eisers huidige asielaanvraag af te wijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Eiser heeft op 21 november 2023 een zienswijze ingediend. Met het bestreden besluit van 4 juni 2024 heeft verweerder zijn standpunt in het voornemen gehandhaafd. In zoverre heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aan de opdrachten – zoals weergegeven in de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling – voldaan. De rechtbank zal hierna beoordelen of het bestreden besluit in stand kan blijven.

Het asielrelaas

6. Eiser heeft aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij niet kan terugkeren naar Irak, aangezien hij tot de Jezidi’s behoort en de situatie voor alle Jezidi’s in Irak is verslechterd. Daarnaast stelt eiser dat hij al dertien jaar in Nederland verblijft. Aangezien hij geen familie of bezit meer in Irak heeft, zal hij als ontheemde naar Irak moeten terugkeren. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft eiser gewezen op het AAB over Irak van mei 2018.

Standpunten van partijen

7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- de identiteit, nationaliteit en herkomst;

- het behoren tot de Jezidi;

- geen familie en bezit meer in Irak.

8. Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de naam van eiser [eiser] is en dat hij de Iraakse nationaliteit bezit, maar dat in de eerdere asielprocedures in rechte is komen vast te staan dat de door eiser gestelde herkomst uit Centraal-Irak niet geloofwaardig is. Verweerder volgt eisers verklaring in de huidige procedure dat hij behoort tot de groep Jezidi’s die afkomstig is uit de KAR (provincie Duhok). Verweerder merkt Duhok daarom aan als de (normale) woon- of verblijfplaats van eiser voor zijn vertrek. De stelling van eiser dat hij voor zijn vertrek ook lang in Bagdad heeft verbleven en dat daarom zijn (normale) woon- of verblijfplaats gelegen is in Irak (niet zijnde de KAR) volgt verweerder niet. Eiser heeft deze stelling namelijk niet nader met documenten onderbouwd. Daarnaast vindt verweerder de verklaring van eiser dat hij geen familie of bezit meer in Irak heeft en hij daarom als ontheemde naar Irak moet terugkeren niet geloofwaardig.

Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als Jezidi bij terugkeer naar Irak (zijnde de KAR) een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. In dit verband heeft verweerder overwogen dat er geen sprake is van vervolging op basis van religie, omdat Jezidi’s zijn aangemerkt als erkende minderheidsreligie in de wet van Irak. Daarnaast hoeft eiser niet terug te keren naar een gebied waar de Da’esh nog steeds actief zijn. Verder heeft verweerder overwogen dat – hoewel discriminatie van Jezidi’s in de KAR voorkomt – uit eisers verklaringen niet is gebleken dat hij daar in zijn specifieke geval mee te maken heeft gehad. Ook worden Jezidi’s die afkomstig zijn uit de KAR en niet uit Irak (niet zijnde de KAR) niet (langer) aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep. Verder heeft eiser niet geconcretiseerd op welke manier zijn levens- of kledingstijl bij terugkeer naar Duhok tot problemen zal leiden. De enkele terugkeer uit het Westen is daarvoor onvoldoende. Daarnaast meent verweerder dat in de provincie Duhok geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.

Tot slot heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw, omdat deze aanvraag een opvolgende aanvraag is die niet niet-ontvankelijk is verklaard.

9. Eiser heeft de juistheid van het bestreden besluit gemotiveerd betwist. Een bespreking van wat hij heeft aangevoerd zal hieronder plaatsvinden.

Etniciteit en herkomstgebied van eiser

10. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat eiser behoort tot de groep Jezidi’s die afkomstig is uit de KAR (gouvernement Duhok, district Sumel, plaats Fayda) en dat dit zijn (normale) woon-of verblijfsplaats was voor vertrek.

Risico op willekeurig geweld (artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn)

Het betoog van eiser

11. Eiser stelt zich op het standpunt dat in de provincie Duhok sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. In dit verband voert eiser aan dat uit IB 2024/51 – dat naar aanleiding van de uitspraak van het Hof van Justitie in het arrest X, Y en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 is opgesteld – volgt dat verweerder drie gradaties binnen de veiligheidssituatie van een land hanteert. In het nieuwe beleid van verweerder – zoals neergelegd in de bijlage van 23 oktober 2024 horend bij de beslisnota “Toepassing gewijzigd kader artikel 15, onder c, Kwalificatierichtlijn” – wordt Duhok genoemd als gebied waar juist relatief veel geweld plaatsvindt. Ook in het AAB over Irak van november 2023 is volgens eiser vermeld dat er in de provincies Dohuk, Ninewa, en Diyala sprake is van een gewapend conflict en willekeurig geweld. Daarnaast wijst eiser op zijn individuele omstandigheden. Deze individuele omstandigheden zijn dat hij een Jezidi is, hij eerder vanwege zijn afkomst is gediscrimineerd en hij al 19 jaar in Europa heeft verbleven. Eiser meent dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder de algemene veiligheidssituatie in Duhok heeft gewogen in onderlinge samenhang met zijn individuele omstandigheden zoals bedoeld in het arrest X, Y.

Het standpunt van verweerder

In het bestreden besluit heeft verweerder – onder verwijzing naar de beslisnota van 27 mei 2024 en het EUAA-rapport van 29 juni 2022 – geconcludeerd dat er in Irak geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De mate van willekeurig geweld in het gouvernement Duhok, district Sumel, plaats Fayda (het herkomstgebied van eiser), bereikt volgens verweerder niet het niveau van de uitzonderlijke situatie noch de minder uitzonderlijke situatie die in relatie tot de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden kunnen leiden tot een risico zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Nog altijd kan hier sprake zijn van een gewapend conflict met gevechtshandelingen waarbij er ook

(burger-)slachtoffers kunnen vallen, maar het reële risico dat je als burger daardoor getroffen wordt is dermate gering dat er – ongeacht de aangevoerde individuele omstandigheden – geen sprake kan zijn van een reëel risico op ernstige schade als gevolg van het willekeurige geweld dat voortvloeit uit het conflict. Verweerder meent dat daarom de door eiser naar voren gebrachte individuele omstandigheden niet relevant zijn voor de beoordeling van het hierboven genoemde risico.

Op zitting heeft verweerder zijn standpunt in het bestreden besluit gehandhaafd. Verder heeft verweerder op zitting verwezen naar de beslisnota van 27 november 2024, waarin verweerder als gevolg van de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 en het op grond daarvan gewijzigde kader een herbeoordeling heeft gemaakt van onder meer het landgebonden beleid over Irak. In deze beslisnota is – voor zover relevant – Duhok aangemerkt als gebied waar sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld door een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Volgens verweerder is daarom in Duhok geen sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Verweerder meent dat in een dergelijk geval de individuele omstandigheden van eiser niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

Toetsingskader

13. Op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn bestaat ernstige schade uit een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Dit artikel is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder sub b, onderdeel 3, van de Vw.

In het eerdergenoemde arrest X, Y is het Hof van Justitie ingegaan op de verschillende situaties die in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kunnen worden onderscheiden. Het Hof van Justitie heeft overwogen dat artikel 15, aanhef en onder c, een algemener risico op ernstige schade betreft dan de risico’s die zijn genoemd in de onderdelen a en b van dat artikel. De onderdelen a en b veronderstellen dat een vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst specifiek en individueel wordt blootgesteld aan een reëel risico op ernstige schade en deze bepalingen vereisen dus een duidelijke mate van individualisering. Volgens het Hof van Justitie gaat het in onderdeel c in ruimere zin over een ‘bedreiging van het leven of de persoon van een burger’ en dus niet om bepaalde gewelddadigheden. Onderdeel c gaat allereerst over de situatie waarin een gewapend conflict willekeurig geweld meebrengt en waarin de mate van geweld zo hoog is dat kan worden aangenomen dat iemand die terugkeert, alleen al door zijn aanwezigheid in een land of gebied, een reëel risico op schade zou lopen, ongeacht zijn identiteit en persoonlijke situatie (meest uitzonderlijke situatie). In deze situatie geldt niet de voorwaarde dat de vreemdeling aantoont dat hij specifiek wordt getroffen wegens elementen die eigen zijn aan zijn persoonlijke omstandigheden. Vervolgens is het Hof van Justitie ingegaan op andere, minder uitzonderlijke situaties. In deze situaties kunnen elementen die verband houden met de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling wel relevant zijn. Hoe meer de vreemdeling in die situatie het bewijs kan leveren dat hij specifiek wordt geraakt wegens elementen die eigen zijn aan zijn individuele situatie of persoonlijke omstandigheden, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (glijdende schaal).

De Afdeling heeft op 17 juli 2024 een richtinggevende uitspraak gedaan over dit arrest.

Verweerder heeft naar aanleiding van het arrest X,Y en voornoemde uitspraak van de Afdeling besloten om voortaan drie gradaties binnen de veiligheidssituaties van landen te onderscheiden. In de eerste gradatie is de mate van willekeurig geweld zo hoog, dat iedere burger die terugkeert naar het betrokken land of gebied, alleen al door zijn aanwezigheid een risico loopt op ernstige schade (‘risico door loutere aanwezigheid’, voorheen: ‘meest uitzonderlijke situatie’). De tweede gradatie is de situatie waarbij de mate van willekeurig geweld een relatief hoog niveau bereikt, maar niet hoog genoeg is om op basis van de loutere aanwezigheid van de vreemdeling een reëel risico op ernstige schade aan te nemen (‘relatief hoger niveau van willekeurig geweld’, voorheen: ‘minder uitzonderlijke situatie’). In deze situatie zal een beoordeling van de individuele (risicoverhogende) omstandigheden gemaakt moeten worden. De derde gradatie is de situatie waarin er wel sprake is van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, maar bereikt de mate van het willekeurige geweld volgens verweerder een relatief lager niveau (‘relatief lager niveau van willekeurig geweld’, voorheen: ‘geen of onvoldoende uitzonderlijke situatie’). In deze situatie moet ook een individuele beoordeling plaatsvinden.

Het oordeel van de rechtbank

14. Eiser is – zoals de rechtbank al in rechtsoverweging 10 heeft vastgesteld – afkomstig uit het gouvernement Duhok, district Sumel, in Irak. Hoewel verweerder – blijkens het bestreden besluit en de toelichting daarop op zitting – aanneemt dat in het gouvernement Duhok een binnenlands gewapend conflict speelt, is volgens verweerder in dat gebied sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Volgens verweerder is daarom in Duhok geen sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en kunnen de individuele omstandigheden van eiser dan ook niet tot een ander oordeel leiden. De rechtbank maakt hieruit op dat verweerder lijkt te bedoelen dat de mate van willekeurig geweld zodanig beperkt is dat individuele omstandigheden van een vreemdeling, in het licht van de veiligheidssituatie, niet kunnen leiden tot een dusdanig verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld dat daardoor de drempel van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan worden gehaald. Dit komt overeen met wat in het rapport van de EUAA, “Country Guidance: Iraq”, van november 2024 is vermeld. Uit dit rapport blijkt namelijk dat in het gouvernement Duhok (met uitzondering van het district Amedi) geen reëel risico bestaat dat een burger persoonlijk wordt getroffen door willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, ook niet als gevolg van individuele omstandigheden. Volgens het EUAA-rapport is in het herkomstgebied van eiser dus geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, ook niet met toepassing van de glijdende schaal. Dit laat echter onverlet dat verweerder in de meest recente wijziging van diens landenbeleid de gehele regio Duhok heeft aangemerkt als een regio waar een relatief lager niveau van willekeurig geweld voorkomt, zodat kennelijk verweerder meent dat een betrokkene op basis van individuele omstandigheden wel de drempel van artikel 15 aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn kan halen. Verweerder is aan dit eigen beleid gebonden. Gelet op het gegeven dat er bij eiser de nodige individuele omstandigheden spelen, onder meer vanwege het behoren tot de Jezidi’s en het (mogelijk) ontbreken van een sociaal netwerk, zoals hierna zal worden besproken, zal verweerder gelet op diens eigen beleid nog een nadere afweging op grond van artikel 15 aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn dienen te maken en is het bestreden besluit in zoverre onvoldoende gemotiveerd.

Risico op vervolging én risico op foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (artikel 15, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn)

Het betoog van eiser

15. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij bij terugkeer naar Irak heeft te vrezen voor vervolging en/of ernstige schade. Eiser wijst daarbij op de positie van Jezidi’s in de KAR, waar zij als onrein en ongelovig worden beschouwd. Daarnaast hebben de Jezidi’s daar te vrezen voor discriminatie en geweld. Ook hebben Jezidi’s volgens eiser na de genocide in 2014/2015 door IS nog steeds te maken met onderdrukking. Gelet hierop, is eiser van mening dat verweerder de Jezids’s in de KAR ten onrechte niet als een kwetsbare minderheidsgroep aanmerkt. Verder stelt eiser dat hij bij terugkeer naar Irak in een ontheemdenkamp terecht zal komen, omdat hij al ruim 18 jaar niet meer in Irak verblijft en hij daar geen sociaal netwerk meer heeft. Bovendien is van het familiebezit niets meer over. Volgens eiser blijkt uit de door hem overgelegde landeninformatie dat het leven in een ontheemdenkamp inhumaan is. Eiser meent dat verweerder hem in dit kader ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over zijn moeder en overige familieleden in Irak. Eiser meent dat hij, nu er inmiddels ruim vijf jaar zijn verstreken sinds het korte gehoor in 2019, opnieuw gehoord had moeten worden over onder meer het ontbreken van een sociaal netwerk in Irak. Hij zou dan uitleg kunnen geven over onder meer de misverstanden die zijn ontstaan over de dood van zijn moeder en het verkrijgen van de door hem overgelegde (nieuwe) documenten en informatie via een voormalig dorpsgenoot. Eiser wijst daarbij op het arrest LH en de samenwerkingsverplichting van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. Tot slot betoogt eiser dat hij bij terugkeer te vrezen heeft vanwege zijn jarenlange verblijf in het (ongelovige) Westen. Ter onderbouwing van het vorenstaande heeft eiser in de (aanvullende) beroepsgronden van 26 juni 2024 en 14 januari 2025 verwezen naar diverse stukken.

Beoordeling van het risico vanwege het behoren tot de Jezidi bevolkingsgroep

16. De rechtbank overweegt dat bij brief van 27 mei 2024 door de toenmalige staatssecretaris het nieuwe landenbeleid voor Irak is toegelicht. In deze brief en de daarbij horende beslisnota wordt overwogen dat de beleidsmatige aanwijzing van Jezidi’s als kwetsbare minderheidsgroep komt te vervallen en er ook geen aanleiding bestaat om hen op te nemen als risicogroep. Aan deze wijziging van het landgebonden beleid ligt in belangrijke mate ten grondslag dat IS inmiddels is verslagen. Verder heeft verweerder op basis van het AAB over Irak van november 2023 geoordeeld dat de positie van Jezidi’s in algemene zin geacht wordt te zijn verbeterd. Verweerder heeft daarbij van belang gevonden dat er – volgens verweerder – geen blijk van is dat Jezidi’s in algemene zin te maken krijgen met vervolging dan wel ernstige schade en het jezidisme wordt erkend als een officiële religie. Ook blijkt dat er vanuit de Iraakse autoriteiten initiatieven zijn gestart om Jezidi’s te laten terugkeren naar Sinjar en dat er fondsen zijn voor herstelbetalingen aan IS-slachtoffers zoals de Jezidi’s.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het nieuwe landgebondenbeleid voor Jezidi’s uit Irak (niet zijnde de KAR) voor eiser minder relevant is. Eiser behoort namelijk tot de groep Jezidi’s die afkomstig is uit de KAR en die groep wordt zowel voor als na de herziening van het beleid niet aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep dan wel risicogroep.

Bij besluit van 13 juni 2024, WBV 2024/12, inhoudende de wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000 (daterend van na het bestreden besluit) heeft verweerder het groepenbeleid gewijzigd, in die zin dat de voorheen in het landgebonden beleid gehanteerde ‘risicogroepen’ en ‘kwetsbare minderheidsgroepen’ zijn komen te vervallen en dat is overgestapt naar ‘risicoprofielen’ voor zowel vluchtelingschap als subsidiaire bescherming.

17. De rechtbank acht het onbegrijpelijk dat verweerder op basis van het AAB over Irak van november 2023 de Jezidi’s niet langer als kwetsbare minderheidsgroep of risicogroep aanmerkt. Hoewel er misschien sprake is van enige verbeteringen in de positie van de Jezidi’s, blijkt namelijk uit het AAB van november 2023 ook dat de situatie van Jezidi’s in geheel Irak nog precair is. Als gevolg van de misdaden van IS hebben Jezidi’s het nog steeds lastig in Irak (niet zijnde de KAR) en de KAR. Veel Jezidi’s leven daar nog steeds in ontheemdenkampen met zeer sobere leefomstandigheden, er is onder meer een gebrek aan (voldoende) elektriciteit, water, toiletten, hygiëne en toegang tot psychosociale hulp. Daarnaast ondervinden veel Jezidi’s in Irak discriminatie, lopen zij risico op arbitraire arrestaties door veiligheidsdiensten en milities en ondervinden zij obstakels bij het verkrijgen van essentiële identiteitsdocumenten die noodzakelijk zijn voor bewegingsvrijheid en voor toegang tot diensten. Ook werden Jezidi’s het doelwit van een haatcampagne op sociale media, waarin zij ongelovigen en duivelsaanbidders werden genoemd. Daar komt bij dat uit het rapport “Pathways to Protection’ van de Yale University van november 2024 blijkt dat Duitse ambtenaren in die periode niet in staat waren om de situatie in Irak volledig te observeren en nauwkeurig te beoordelen vanwege veiligheidsproblemen en beperkte toegang. De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat dit ook gold voor de ambtenaren van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken, zodat betwijfeld kan worden of de gestelde verbeteringen überhaupt betrouwbaar vastgesteld hebben kunnen worden. Verder blijkt uit het hiervoor genoemde rapport van Yale University, dat is gebaseerd op verklaringen van duizenden ooggetuigen, dat de situatie voor Jezidi’s in heel Irak slecht is. Zo hebben Jezidi’s na de genocide door IS (nog steeds) te maken met geweld, toenemende discriminatie, bedreigingen en onderdrukking. Ook wordt in het rapport van Yale University ingegaan op de situatie van de Jezidi’s in ontheemdenkampen in zowel de provincie Sinjar als ook de provincie Duhok. In deze kampen hebben Jezidi’s weinig rechten, beperkt toegang tot (basis)voorzieningen en worden zij onderworpen aan intimidatie en indoctrinatie. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het landenbeleid ten aanzien van Jezidi’s, zowel ten aanzien van de KAR als de rest van Irak, onvoldoende is gemotiveerd. Daarmee is ook het bestreden besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

De humanitaire problemen voor Jezidi’s en artikel 3 van het EVRM

18. De rechtbank wijst er verder op dat daar waar humanitaire problemen ontstaan als gevolg van het handelen van actoren binnen de staat, en aldus niet (hoofdzakelijk) het gevolg zijn van natuurlijke omstandigheden, de uitzetting van een vreemdeling naar die staat in strijd kan komen met artikel 3 van het EVRM, ook zonder dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Uit de door eiser overgelegde bronnen, zoals hiervoor besproken, kan worden afgeleid dat de beperkte toegang tot de basisvoorzieningen voor en economische achterstelling van Jezidi’s (in de KAR) zijn ontstaan als gevolg van de genocide door IS. Daarmee zijn de huidige humanitaire problemen niet (hoofdzakelijk) het gevolg van natuurlijke omstandigheden. Daarom dient de vraag of deze humanitaire problemen in het licht van artikel 3 van het EVRM aan uitzetting van eiser in de weg staan, te worden beoordeeld aan de hand van de vraag of eiser bij terugkeer in staat zal zijn: “to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame”.

Aangezien het Hof van Justitie verder heeft geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn in wezen overeenkomt met artikel 3 van het EVRM, dient bij een ontkennend antwoord niet enkel uitzetting achterwege te blijven, maar komt eiser in dat geval in beginsel ook voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 2, van de Vw in aanmerking.

In de besluitvorming van verweerder is het hiervoor genoemde toetsingskader niet betrokken, zodat ook in zoverre het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Verweerder zal moeten nagaan of eiser bij uitzetting naar Irak, ondanks de humanitaire situatie voor Jezidi’s in combinatie bezien met zijn individualiseerbare omstandigheden, in staat zal zijn om in zijn basisbehoeften te voorzien.

De rechtbank overweegt in dit verband dat verweerder door middel van een aanvullend gehoor nader onderzoek zal moeten doen naar de aanwezigheid van familie dan wel een ander sociaal netwerk in Irak die eiser kan bijstaan (onder meer voor het verkrijgen van huisvesting en andere basisvoorzieningen). Daarbij acht de rechtbank van belang dat er al ruim 6 jaar zijn verstreken sinds het gehoor op 5 februari 2019 en de situatie omtrent het sociale netwerk van eiser sindsdien kan zijn veranderd. Ook neemt de rechtbank bij dit oordeel in aanmerking dat in het geval eiser bij terugkeer naar Irak niet kan terugvallen op een sociaal netwerk, niet valt uit te sluiten dat eiser daar terecht zal komen in één van de ontheemdenkampen, die blijkens de eerdergenoemde landeninformatie worden afgebouwd en waarin de (humanitaire) situatie erbarmelijk is. Hierbij geeft de rechtbank nog aan verweerder mee dat, als hij op basis van het te verrichten nader onderzoek tot de conclusie komt dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat eiser bij terugkeer naar Irak in een ontheemdenkamp terecht komt, eiser – gelet op de humanitaire crisissituatie in dergelijke kampen zoals die uit voornoemde informatie blijkt – in beginsel in aanmerking moet komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 2, van de Vw. Voor zover eiser, al dan niet als gevolg van een sociaal netwerk, volgens verweerder niet het risico loopt in een dergelijk kamp te belanden, zal verweerder moeten motiveren of de achterstelling van Jezidi’s zoals die hiervoor is overwogen in combinatie met de individuele omstandigheden van eiser tot toekenning van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 van de Vw moet leiden.

Behoren Jezidi’s tot een sociale groep of geloofsgroep?

19. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit geloofwaardig heeft gevonden dat discriminatie en achterstelling van Jezidi’s in de KAR voorkomt. Dit wordt ook bevestigd door de hiervoor onder rechtsoverweging 17 genoemde landeninformatie. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder had moeten onderzoeken of eiser als Jezidi behoort tot een sociale groep, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 16 januari 2024, dan wel of het zijn van Jezidi als een geloof kan worden aangemerkt en eiser als gevolg daarvan te vrezen heeft voor vervolging en daarmee als verdragsvluchteling in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan worden aangemerkt. Nu verweerder dit niet heeft gedaan, is het bestreden besluit ook op dit punt onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

20. Gelet op wat hiervoor onder de rechtsoverwegingen 14, 17, 18, en 19 is overwogen, is het beroep al gegrond. De overige beroepsgronden behoeven daarom op dit moment geen bespreking. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit vanwege strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Gelet op de aard van de geconstateerde gebreken ziet de rechtbank geen aanleiding het geschil finaal te beslechten. Verweerder zal daarom een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen waarbij deze uitspraak in acht wordt genomen. Gelet op de lange duur van de procedure van eiser, die voor wat betreft de huidige opvolgende aanvraag al sinds 2019 loopt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze zaak voorrang dient te geven in de behandeling en op zo kort mogelijke termijn opnieuw moet beoordelen. Om die reden geeft de rechtbank een relatief korte termijn voor deze herbeoordeling, zijnde acht weken na datum van verzending van deze uitspraak.

22. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 4 juni 2024;

- draagt verweerder op binnen een termijn van acht weken een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij deze uitspraak in acht wordt genomen;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J. Thurlings-Rassa, rechter, in aanwezigheid van

mr. K.I. Legendal-Moesker, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?