RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit Suriname, eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/7362
(gemachtigde: mr. W. Hoebba),
en
(gemachtigde: J. Isibor).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser tot het afgeven van een machtiging tot voorlopig verblijf met als doel verblijf als familie- of gezinslid bij zijn biologische vader (hierna: referent). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiser en referent. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) op 11 oktober 2023. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 23 juli 2024 afgewezen.
4. Met het bestreden besluit van 3 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Volgens de minister heeft eiser namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij is verwekt of geboren uit een huwelijk of niet-huwelijkse relatie. Daarnaast heeft eiser niet aangetoond dat hij een hechte band heeft met referent. Volgens de minister is er daarom geen sprake van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daarom heeft de minister ook geen belangenafweging gemaakt.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten vaststelling
5. In 2006 is eiser geboren en in die periode woonden referent en de moeder van eiser samen op een kamer in Paramaribo. Deze kleine ruimte vond referent niet geschikt voor een gezin. Daarom heeft hij besloten om eiser en de moeder van eiser in het huis van de tante van referent onder te brengen. In dat huis in [plaats] is referent ook opgegroeid. [plaats] is een aantal uren reizen vanaf Paramaribo, waar referent op dat moment woonde voor zijn werk. Referent is wel regelmatig, namelijk één keer per week, op bezoek geweest bij eiser en de moeder van eiser. In 2009 hebben referent en de moeder van eiser ook nog een dochter gekregen.
Uiteindelijk zijn referent en de moeder uit elkaar gegaan. Referent heeft het contact met eiser voortgezet, ook nadat hij in 2019 naar Nederland is verhuisd. Referent heeft, terwijl hij in Nederland was, regelmatig geld overgemaakt naar eiser. Daarnaast heeft hij contact gehad met de school van eiser, is hij in 2022 op bezoek geweest in Suriname en heeft hij in 2023 de voogdij gekregen van eiser. Dit alles is gebeurd in goed overleg met zijn ex-partner tevens moeder van eiser.
Wettelijk kader
6. Een van de vereisten voor het afgeven van een mvv, is dat er sprake moet zijn van familie- of gezinsleven tussen de aanvrager en de referent. In paragraaf B7/3.8.1 van de vreemdelingencirculaire staat wanneer er volgens de minister sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens (EVRM). Daarin staat dat er altijd sprake is van familie- of gezinsleven tussen ouders en hun uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie geboren minderjarige kinderen. Wanneer het kind niet geboren is uit een huwelijk of niet-huwelijkse relatie, kan er ook sprake zijn van familie- of gezinsleven. Dat is het geval als uit de feiten en omstandigheden volgt dat er hechte en persoonlijke banden zijn tussen het kind en zijn biologische vader. Op het moment dat de vader maar een beperkte invulling heeft kunnen geven aan het familieleven met zijn kind, maar deze relatie wel verder wil ontwikkelen kan er ook sprake zijn van een beschermenswaardig familie- of gezinsleven. De vader moet dan wel aannemelijk kunnen maken dat hij de band met zijn kind wil opbouwen of versterken.
Familie- of gezinsleven
7. Eiser voert aan dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van familie- of gezinsleven. Er is namelijk wel sprake van een niet-huwelijkse relatie waaruit eiser is geboren. Referent en de moeder van eiser hadden een affectieve relatie waaruit niet alleen eiser is geboren, maar drie jaar later ook zijn zusje. De minister heeft ook niet betwist dat referent de vader is van eiser, waardoor de identiteit en familierechtelijke relatie is aangetoond. Dat referent en de moeder van eiser niet lang hebben samengewoond klopt, maar de minister hecht daar ten onrechte veel gewicht aan toegekend. Daarnaast heeft eiser wel onderbouwd dat referent voor hem heeft gezorgd en dat er sprake is van een hechte band. Er zijn voldoende aanwijzingen dat het contact tussen eiser en referent altijd heeft blijven bestaan, ook na het vertrek van referent naar Nederland. Ook is referent altijd persoonlijk betrokken gebleven bij de opvoeding en verzorging van eiser.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom er geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen referent en eiser. De rechtbank overweegt dat op grond van de geloofwaardige verklaringen van referent aannemelijk is geworden dat eiser is geboren uit een niet-huwelijkse relatie van referent en de moeder van eiser. De relatie kan ook afgeleid worden uit de omstandigheid dat referent en moeder in 2009 een tweede kind hebben gekregen. De feitelijke samenwoning is inderdaad erg beperkt geweest omdat referent in Paramaribo werkte en eiser bij zijn oudtante in [plaats] verbleef. Het is echter wel aannemelijk dat er in die periode contact is gehouden zoals referent heeft verklaard. Daarnaast is het duidelijk dat referent het contact wil verstevigen door eiser over te komen naar Nederland. Daarom heeft referent in overleg met eisers moeder ook de voogdij over eiser verkregen. Eiser zal in Nederland ook bij referent gaan wonen.
De rechtbank overweegt verder dat de verklaringen en overgelegde documenten ook voldoende feitelijke onderbouwing geven van de bestaande hechte en persoonlijke banden tussen referent en eiser. Referent heeft namelijk geld overgemaakt aan eiser, heeft contact gehad met de schooldirecteur en eiser aangemoedigd om naar school te blijven gaan. Bovendien heeft referent altijd contact gehouden met eiser door middel van Whatsapp en (video)bellen en is referent naar Suriname afgereisd om eiser te bezoeken.
Gelet op al deze omstandigheden in onderlinge samenhang is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat eiser is geboren uit de relatie tussen referent en zijn moeder en dat daarnaast sprake is van hechte en persoonlijke banden tussen eiser en referent. Daarmee kan de motivering die de minister aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd, geen standhouden.
Belangenafweging
9. Eiser betoogt verder dat de minister ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt. Er is immers sprake van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
10. Aangezien de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van gezinsleven, heeft de minister ook geen belangenafweging gemaakt. Sinds de uitspraak van 27 maart 2024 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2024:1189) hoeft de minister namelijk geen belangenafweging te maken als er geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM is. In zoverre slaagt het betoog van eiser niet. Zoals uit het voorgaan blijkt heeft de minister echter onvoldoende gemotiveerd waarom hij niet uitgaat van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen eiser en referent. In het nieuw te nemen besluit zal de minister dit alsnog moeten doen. Als de minister tot de conclusie komt dat sprake is van gezinsleven, zal hij vervolgens nog een belangenafweging moeten maken.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. De reden hiervoor is dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en als hij tot de conclusie komt dat er sprake is van gezinsleven ook een belangenafweging moet maken.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 3 maart 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.