ECLI:NL:RBDHA:2025:27725

ECLI:NL:RBDHA:2025:27725

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-07-2025
Datum publicatie 19-03-2026
Zaaknummer NL24.44913
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht afgewezen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser de problemen met de Taliban niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde vrees voor vervolging niet voortvloeit uit de politieke overtuiging van eiser. En ook niet dat eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn verblijf in het westen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.44913

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.A. Pieters),

en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: Dhr. H.J. Toonders).

Inleiding

Beoordeling door de rechtbank

Verzoek om aanhouding
Toetsingskader geloofwaardigheid
Vrees voor vervolging en reëel risico op ernstige schade
Originele oproep en Werkinstructie 2024/6

3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Het asielrelaas

4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser behoort tot de Tadzjiekse bevolkingsgroep en heeft de Afghaanse nationaliteit. De Taliban is langs geweest bij de woning van eiser voor een huiszoeking. Zij hebben daar niets gevonden, maar kwamen een aantal dagen later opnieuw langs. Eiser is toen meegenomen en verhoord. Dit is voor eiser aanleiding geweest om Afghanistan te verlaten. Toen eiser in Nederland was hoorde hij dat er een oproep op zijn huisadres in Afghanistan is afgeleverd door de Taliban.

Het bestreden besluit

6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

7. identiteit, nationaliteit en herkomst; en

8. het leven onder de Taliban en daaruit ondervonden problemen.

7. De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De door eiser ondervonden problemen met de Taliban acht de minister ongeloofwaardig. De minister werpt in dit kader aan eiser tegen dat hij zijn asielmotief niet met objectieve documenten heeft onderbouwd. Eiser heeft een kopie van de oproep van de Taliban overgelegd en aangegeven dat deze oproep van langer geleden is en dat hij daarom niet weet of de buurman nog over het origineel beschikt. Dat eiser in ieder geval sinds 27 november 2024 wel over het originele document beschikt vormt geen reden om het besluit aan te houden. Eiser heeft namelijk 20 maanden de tijd gehad om het originele document te verkrijgen. Eiser had het document eerder moeten kunnen overleggen, volgens de minister. Verder vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister volgt eiser in zijn stellingen dat hij heeft meegedaan aan een demonstratie voor vrouwenrechten in september 2021, dat er een huiszoeking is geweest door de Taliban en dat hij enkele dagen daarna is meegenomen door de Taliban voor een gehoor. Echter, is niet gebleken dat er na de aanhouding in november 2021 iets noemenswaardigs is gebeurd waardoor de Taliban het op eiser zou hebben gemunt. Hierbij werpt de minister aan eiser tegen dat hij niet zo spoedig mogelijk asiel heeft aangevraagd in Nederland en dat hij daar geen goede verklaring voor heeft. Verder werpt de minister aan eiser tegen dat hij nadat hij door de Taliban is meegenomen voor verhoor, nog langere tijd in Afghanistan heeft kunnen verblijven zonder dat hij problemen heeft ondervonden. Vervolgens heeft eiser het land legaal kunnen verlaten, wat de minister erg onwaarschijnlijk vindt als hij gezocht zou worden door de Taliban. De minister heeft het geloofwaardig geachte asielmotief verder beoordeeld. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Daarnaast heeft eiser volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Gelet daarop komt eiser volgens de minister niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.

8. Tijdens de zitting van 28 januari 2025 is het beroep aangehouden om de minister in de gelegenheid te stellen de originele oproepbrief van de Taliban door Bureau Documenten te laten onderzoeken. Op 12 februari 2025 heeft de minister een verklaring van onderzoek overgelegd. Uit het onderzoek is gebleken dat, vanwege het ontbreken van voldoende en betrouwbaar vergelijkingsmateriaal, geen uitspraak kan worden gedaan over de echtheid van het document. Ook kan niet worden vastgesteld hoe het document is opgemaakt en afgegeven, en evenmin kan worden vastgesteld of de inhoud van het document juist is.

9. De rechtbank stelt voorop dat de minister sinds 1 juli 2024 een nieuwe werkinstructie heeft, de WI 2024/6 ‘Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel)’ (WI). De WI is van toepassing op het besluit van eiser. Volgens de WI stelt de minister in de beoordeling eerst de asielmotieven vast en ligt de nadruk op het staven van het asielmotief met documenten. Als een asielmotief niet met documenten wordt onderbouwd voert de minister een geloofwaardigheidsbeoordeling uit waarbij moet worden voldaan aan de cumulatieve voorwaarden voor het geloofwaardig achten van verklaringen van artikel 31, zesde lid, van de Vw.

Geloofwaardigheid asielrelaas

10. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn relaas ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft ten onrechte de conclusie getrokken dat de familieleden van eiser niet ondergedoken zaten. De minister miskent dat het verblijf op wisselende adressen en het alleen naar buiten komen voor het doen van noodzakelijke boodschappen als onderduiken kan worden aangemerkt. Dat de neef van eiser erin is geslaagd om tegen betaling een gestempelde tazkera te verkrijgen via de Afghan Post is geen reden om het relaas van eiser ongeloofwaardig te achten. Eiser voert verder aan dat het juist is dat hij legaal en zonder problemen heeft kunnen uitreizen, maar dat dat niet betekent dat hij niet in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Het is namelijk onbekend hoe de veiligheidssystemen en controles op het vliegveld zijn georganiseerd. De minister kan dit daarom niet aan eiser tegenwerpen.

De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser ook met zijn verklaringen de problemen met de Taliban niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft geloofwaardig geacht dat eiser heeft meegedaan aan een demonstratie in september 2021, dat er een huiszoeking door de Taliban is geweest en dat eiser enkele dagen daarna, rond 11 november 2021, is meegenomen door de Taliban voor verhoor. De minister heeft echter aan eiser kunnen tegenwerpen dat er nadien niets noemenswaardigs is gebeurd waaruit blijkt dat de Taliban het op eiser zou hebben voorzien. Eiser heeft tot aan zijn vertrek uit Afghanistan, in augustus 2022, geen problemen meer ondervonden met de Taliban. Met betrekking tot de oproepbrief van de Taliban van 3 januari 2022 heeft de minister overwogen dat – als al van de echtheid moet worden uitgegaan – dit niet tot gevolg heeft gehad dat eiser problemen heeft ondervonden. Eiser heeft namelijk een studievisum kunnen aanvragen en ontvangen en hij is vervolgens legaal uitgereisd. Ook heeft eiser nog op 4 augustus 2022 een tazkera kunnen ontvangen. Hieruit volgt dat eiser zich zonder problemen bij de autoriteiten heeft kunnen melden. De rechtbank volgt de minister hierin. Ten aanzien van de stelling van eiser dat zijn neef de tazkera heeft aangevraagd en tegen betaling heeft laten stempelen bij Afghan Post, is de rechtbank van oordeel dat de minister zich op het standpunt mocht stellen dat zelfs als dat zo is, niet aannemelijk is dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken dat zou doen, onder de macht van de Taliban. Immers, het is niet aannemelijk dat als de Taliban op zoek zou zijn naar eiser, zij ten behoeve van eiser een identificerend document zou verstrekken. De minister mocht zich op het standpunt stellen dat het feit dat het Ministerie dit wel heeft gedaan, sterk afdoet aan de geloofwaardigheid van de verklaringen dat eiser actief gezocht zou worden door de Taliban. Eiser heeft dus niet inzichtelijk gemaakt dat hij persoonlijk in de negatieve aandacht van de Taliban staat. Ook de familieleden van eiser hebben geen problemen ondervonden. Eiser stelt dat zij na de huiszoeking en het verhoor door de Taliban zijn ondergedoken, maar uit de verklaringen van eiser volgt dat hij en zijn broer naar buiten gingen voor onder andere boodschappen en om de tante van eiser te bezoeken. Verder zijn zij de buurman van eiser zonder problemen tegengekomen, terwijl de familieleden ondergedoken zouden zijn. Eiser heeft met deze verklaringen onvoldoende onderbouwd dat zijn familieleden ondergedoken zaten en problemen van de Taliban ondervonden.

Voordeel twijfel

11. Eiser voert aan dat nu de minister geloofwaardig acht dat eiser heeft deelgenomen aan een demonstratie voor vrouwenrechten, er een huiszoeking door de Taliban heeft plaatsgevonden en eiser door de Taliban is verhoord, sprake is van geloofwaardig geachte daden van vervolging. De minister heeft dit ten onrechte niet betrokken bij de beoordeling of de vrees van eiser reëel is. Eiser verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 juni 2020 [internetsite 1] )i, waarin wordt overwogen dat de minister moet motiveren waarom hij eiser bij de beoordeling van de ongeloofwaardig geachte elementen niet het voordeel van de twijfel heeft gegeven, omdat bepaalde elementen wel geloofwaardig zijn geacht. Immers, de minister maakt niet duidelijk waarom zij niet geloofwaardig acht dat eiser in de negatieve aandacht staat van de Taliban, terwijl de hiervoor genoemde gebeurtenissen wel geloofwaardig zijn geacht.

12. De rechtbank oordeelt dat de minister niet was gehouden om te motiveren of eiser het voordeel van de twijfel moet worden gegund, aangezien dit pas aan de orde is indien wordt voldaan aan alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw. De minister heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard. De minister heeft eiser verder kunnen tegenwerpen dat hij zich niet zo spoedig mogelijk heeft gemeld om asiel in te dienen.

Politieke overtuiging

13. Eiser voert aan dat nu de minister geloofwaardig acht dat hij heeft deelgenomen aan een demonstratie voor vrouwenrechten, er sprake is van een politieke overtuiging. De minister had dit moeten betrekken bij de beoordeling van de vraag of hij gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser verwijst in dit kader naar het arrest S. ( [internetsite 2] )van het Europees Hof van Justitie (HvJEU) van 21 september 2023.ii

14. De rechtbank overweegt als volgt. Dat eiser vanwege zijn politieke overtuiging vreest voor terugkeer naar Afghanistan is voor het eerst in beroep aangevoerd. De minister heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat dit niet ten grondslag ligt aan de asielaanvraag. Bovendien heeft eiser sinds 2021 geen activiteiten ondernomen waaruit een actuele en diepgewortelde politieke overtuiging blijkt. De enkele deelname aan één demonstratie in dat jaar, waarbij eiser naar eigen zeggen een half uur aanwezig was, biedt onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat sprake is van een zodanige overtuiging die in verband met zijn identiteit of morele integriteit bescherming behoeft. Onder deze omstandigheden heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde vrees voor vervolging niet voortvloeit uit de politieke overtuiging van eiser. De minister mocht bij de integrale beoordeling verder betrekken dat sprake was van een legale uitreis, dat tussen november 2021 en augustus 2022 geen incidenten zijn gemeld en dat de asielaanvraag pas zes maanden na binnenkomst is ingediend. Ook wordt niet ten onrechte betwijfeld of de gestelde deelname aan een enkele demonstratie en een kort verhoor duiden op vervolgingsrisico.

De beroepsgrond slaagt niet.

Verwestering

15. Eiser voert verder aan dat hij als verwesterde man uit Afghanistan een reëel risico op vervolging door de Taliban loopt. Uit de verklaringen van eiser tijdens het gehoor volgt dat hij zich niet zal kunnen aanpassen aan de leefregels van de Taliban. Eiser is Tadzjiek en heeft daarom een totaal andere denkwijze dan de Taliban. Eiser is het niet eens met de visie van de Taliban op vrouwenrechten. Verder komt eiser uit een familie waarvan de vrouwen zijn opgekomen voor vrouwenrechten en zijn vader werkzaam is geweest voor het USAID. De minister is op deze aspecten in het bestreden besluit niet ingegaan. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar het algemeen ambtsbericht Afghanistan van maart ( [internetsite 3] ( [internetsite 4] )en een uitspraak van de ABRvS van 20 november 2024.iii

16. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade vanwege zijn verblijf in het westen. Voor zover eiser stelt dat hij wegens verwestering vreest voor terugkeer naar Afghanistan, overweegt de rechtbank als volgt. De minister heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van verwestering die voortvloeit uit een diepgewortelde godsdienstige of politieke overtuiging. De gestelde gedragingen – zoals het luisteren naar muziek, het inkorten van de baard en het drinken van alcohol – zijn door eiser niet verbonden aan een overtuiging, maar berusten op persoonlijke voorkeur. Dat eiser zegt een andere denkwijze te hebben dan de Taliban en dat hij opkomt voor vrouwenrechten, is onvoldoende om te spreken van een kenbare politieke overtuiging die bescherming rechtvaardigt. De enkele deelname aan een enkele demonstratie in 2021 en een daaropvolgend verhoor bieden daartoe onvoldoende aanknopingspunten. Zoals ook ter zitting besproken, heeft eiser sindsdien geen activiteiten ondernomen waaruit betrokkenheid bij een overtuiging blijkt, noch is gebleken dat hij in de negatieve belangstelling van de autoriteiten is komen te staan.

17. De originele oproep van de Taliban is onderzocht door Bureau Documenten. Uit het onderzoeksrapport van 11 februari 2025 blijkt dat gelet op het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal geen uitspraak kan worden gedaan voor wat betreft de echtheid van het document. Daardoor kan ook geen uitspraak worden gedaan over de opmaak en afgifte van het document en evenmin kan worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. De minister heeft naar aanleiding daarvan in het bericht van 28 maart 2025 medegedeeld dat gezien de uitkomst van het onderzoek door het Bureau Documenten door de minister aan de overgelegde oproep geen grote bewijswaarde kan worden toegekend. De uitkomst van het onderzoek van Bureau Documenten maakt het relaas van eiser niet alsnog geloofwaardig. De minister persisteert dan ook in de bestreden beschikking, waarin is geoordeeld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij problemen heeft met de Taliban.

18. Eiser stelt dat de oproep van de Taliban – naar zijn oordeel een origineel document – ten onrechte niet voldoende is meegewogen in de beoordeling. Volgens eiser wordt in de brief van de minister van 28 maart 2025 ten onrechte aangesloten bij de WI op een manier die afwijkt van wat die instructie en de jurisprudentie voorschrijven. Eiser wijst erop dat ook andere bewijsmiddelen moeten worden meegewogen en niet alleen originele documenten waarvan de authenticiteit vastgesteld kan worden. Hij verwijst naar onder meer het arrest L.H van het HvJEU van 10 juni 2021.iv Eiser benadrukt dat het ontbreken van vastgestelde authenticiteit niet betekent dat een document niet mag meetellen in de bewijswaardering. Er zijn volgens eiser voldoende geloofwaardige elementen, zoals deelname aan demonstraties, een eerdere arrestatie, familieactiviteiten en het ontbreken van aanwijzingen dat de oproep vals is. Volgens eiser is sprake van een originele oproep en is volgens de WI dan voldaan aan de eerste stap, omdat wordt voldaan aan de voorwaarde dat alle bewijsmiddelen meetellen. Dat betekent volgens eiser dat de minister niet toekomt aan het toetsen van de tweede stap. Ook heeft eiser een beroep gedaan op een recente uitspraak, waaruit volgens hem blijkt dat de minister rekening moet houden met bewijsstukken en de rechtbank zegt dat zij daaraan niet twijfelt.v Echter, volgens eiser volgt uit de brief van 28 maart 2025 dat de minister daaraan wel twijfelt. Deze handelwijze is volgens eiser dan ook in strijd met bestaande jurisprudentie. De stelling van de minister in die zaak dat in de praktijk wel rekening wordt gehouden met alle bewijsmiddelen is eigenlijk anders dan de opstelling van de minister in deze zaak. Eiser meent dat de minister het beleid niet goed heeft uitgevoerd en geen rekening houdt met een document dat niet vals is. Eiser verwijt de minister een motiveringsgebrek en stelt dat er in de beoordeling onterecht aan het document voorbij wordt gegaan of dat er onvoldoende waarde aan wordt toegekend, ondanks dat dit document de kern van het relaas betreft. Het tijdstip van het overleggen van de oproep zou volgens eiser geen doorslaggevende rol mogen spelen, zeker nu het relaas in samenhang met ander bewijs als geloofwaardig moet worden beschouwd.

19. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet buiten de beoordelingskaders is getreden. De rechtbank begrijpt dat eiser doelt op de stappen onder 2a en 2b in de WI 2024/6. Daarin is opgenomen dat in stap 2a wordt bekeken of het asielmotief voldoende is onderbouwd met objectieve bewijsstukken. In stap 2b is neergelegd hoe de geloofwaardigheidstoets moet plaatsvinden als het asielmotief niet (voldoende) is onderbouwd met objectieve bewijsstukken. In de jurisprudentie waar eiser naar verwijst, heeft de rechtbank vastgesteld dat de nieuwe beoordeling in de WI is gebaseerd op de voorwaarden vermeld in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, die zijn geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw, en veel punten bevat die ook in de beoordelingswijze beschreven in WI 2014/10, al werden betrokken.vi De rechtbank heeft de minister vervolgens gevolgd dat waar in de aanhef van artikel 31, zesde lid, van de Vw wordt gesproken over ‘documenten’, in stap 2a en 2b is vermeld dat rekening wordt gehouden met ‘bewijsstukken’, hetgeen in lijn is met artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn waarin de term ‘bewijsmateriaal’ is gebruikt. De minister heeft in die zaak aangegeven dat in de praktijk ook met ander bewijsmateriaal dan documenten rekening wordt gehouden en de rechtbank heeft in dat verband opgenomen dat zij geen reden heeft om daaraan te twijfelen. De rechtbank kan het betoog van eiser niet volgen dat uit de brief van 28 maart 2025 volgt dat de minister daaraan wel twijfelt en evenmin dat deze handelwijze in strijd is met bestaande jurisprudentie. Dit berust naar het oordeel van de rechtbank op een onjuiste lezing van de uitspraak van de rechtbank dan wel van de brief van de minister van 28 maart 2025.

20. De rechtbank oordeelt ten aanzien van het betoog van eiser dat volgens de WI in dit geval is voldaan aan stap 2a en de minister dan niet toekomt aan het toetsen van stap 2b, als volgt. Om aan stap 2a te voldoen moet sprake zijn van objectieve bewijsstukken en is daarvan sprake als:

21. In het geval van eiser is de oproep van de Taliban niet echt bevonden, maar kan nu juist geen uitspraak worden gedaan voor wat betreft de echtheid van het document. Reeds daarom wordt niet voldaan aan stap 2a en slaagt het betoog van eiser niet.

22. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister, zoals eiser terecht stelt, ook andere bewijsmiddelen moet meewegen en niet alleen originele documenten waarvan de authenticiteit vastgesteld kan worden. De minister heeft dan ook terecht het relaas verder getoetst en is niet gebleven bij stap 2a van de instructie. De rechtbank stelt vast dat er geen uitsluitsel is over de echtheid van de oproep, maar dat de minister het stuk wel voldoende heeft betrokken bij de beoordeling. Reeds toen er alleen een kopie beschikbaar was, is er inhoudelijk naar gekeken. De minister mocht concluderen dat aan het document geen zwaar gewicht kon worden toegekend, mede gezien het ontbreken van referentiemateriaal en de algemeen bekende onbetrouwbaarheid van Afghaanse documenten. Daarbij mocht de minister er belang aan hechten dat de oproep laat is overgelegd, zonder dat sprake was van aantoonbare inspanning om het eerder te verkrijgen. De minister heeft bovendien niet ten onrechte gesteld dat, hoewel alle mogelijke bewijsmiddelen in aanmerking worden genomen, in deze zaak de oproep onvoldoende onderbouwend was voor de vrees voor vervolging. Er is geen bewijs uitgesloten of de bewijslast omgekeerd, zoals door eiser werd betoogd.

23. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dan ook mogen concluderen dat de overgelegde oproep de beoordeling niet anders maakt.

Conclusie en gevolgen

24. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. O. El Hihi, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

03 juli 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

i ECLI:NL:RVS:2020:1499.

ii 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688.

iii ECLI:NL:RVS:2024:4647.

iv ECLI:EU:C:2021:478.

v ECLI:RBDHA:2025:10057.

vi ECLI:RBDHA:2025:10057.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.E.M van Abbe

Griffier

  • mr. O. El Hihi

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?