Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/240848-25, 09/322008-25 (t.t.z. gevoegd), 09/048270-22 (TUL), 09/077291-24 (TUL) en 22/002510-21 (TUL)
Datum uitspraak: 29 december 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 16 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Polderman, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. P.B. Spaargaren, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het bij dagvaarding met parketnummer 09-322008-25 (dagvaarding II) tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het bij dagvaarding met parketnummer 09-240848-25 (dagvaarding I) onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Vrijspraak
De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding met parketnummer 09-322008-25 (dagvaarding II) ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om vast te kunnen stellen dat de verdachte op 27 juli 2025 in de woning aan de [adres 2] in Den Haag is geweest en daar de in de tenlastelegging vermelde goederen heeft weggenomen.
Opgaven van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de feiten onder 1, 2 en 3 vermeld op dagvaarding I met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025309503, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 65).
De rechtbank gebruikt voor dagvaarding I, feit 1 de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 16 december 2025;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 1] , opgemaakt op 12 september 2025 (p. 22-24);
De rechtbank gebruikt voor dagvaarding I, feit 2 de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 16 december 2025;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 12 september 2025 (p. 29-32);
De rechtbank gebruikt voor dagvaarding I, feit 3 de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 16 december 2025;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , opgemaakt op 12 september 2025 (p. 27-28).
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de bij dagvaarding I onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 12 september 2025 te Delft een tas, bakje sigaretten, Jaguar horloge en autosleutel, die aan mw. [aangeefster 1] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming, door naar binnen te klimmen door een afgesloten maar niet op slot gedraaid keukenraam;
2
hij op 12 september 2025 te Delft, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd op een besloten erf waarop een woning stond, aan de [straatnaam 1] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een fiets en schaatsen, die aan dhr.
[aangever 2] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3
hij op 12 september 2025 te Delft, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning aan het [straatnaam 2] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de
rechthebbende bevond, laptops, een telefoon, een portemonnee en cadeaubonnen, die aan [aangever 3] , toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en als bijzondere voorwaarden de voorwaarden die de rechtbank Den Haag bij vonnis van 28 augustus 2024 aan de verdachte heeft opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte verzocht om maximaal een gevangenisstraf van negen maanden op te leggen waarvan twee of drie maanden voorwaardelijk met als bijzondere voorwaarden de voorwaarden die de rechtbank Den Haag bij vonnis van 28 augustus 2024 aan de verdachte heeft opgelegd. De raadsman heeft daarbij verzocht dat de rechtbank SVG Reclassering Fivoor de opdracht geeft tot het houden van toezicht op de naleving van voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden in plaats van Reclassering Nederland. Dit omdat Fivoor is gespecialiseerd in verslavingszorg en de verdachte aan dergelijke zorg behoefte heeft.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal uit een woning door middel van inklimming, een diefstal uit een woning door middel van insluiping en een diefstal uit een schuur bij een woning. Dergelijke diefstallen veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een inbreuk op het gevoel van veiligheid en de privacy van de bewoners, terwijl een woning juist bij uitstek een plek is waar men zich veilig moet kunnen voelen. Daarnaast zorgen diefstallen uit of bij een woning ook binnen de samenleving in het algemeen voor gevoelens van onveiligheid. Het is voor slachtoffers bovendien bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning of op hun erf is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij herhaaldelijk geen enkel respect heeft getoond voor het eigendomsrecht en de persoonlijke levenssfeer van anderen en dat hij zich enkel heeft laten leiden door eigen financieel gewin.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 9 december 2025. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten en ten tijde van het plegen van onderhavig feiten in drie proeftijden liep.
Persoon van de verdachte
NIFP rapport van 10 juni 2024
De rechtbank heeft kennisgenomen van het NIFP rapport van 10 juni 2024. Dat rapport heeft betrekking op strafbare feiten die de verdachte in 2024 heeft gepleegd en waarvoor de verdachte door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag bij vonnis van 28 augustus 2024 is veroordeeld. Uit dit rapport blijkt dat er bij de verdachte sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, een gokverslaving en een stoornis in het gebruik van cannabis. De verdachte pleegt vooral inbraken om in zijn gokverslaving te kunnen voorzien. Bij vonnis van 28 augustus 2024 is het advies om de ten laste gelegde feiten in een verminderde mate toe te rekenen, overgenomen.
Gezien de vastgestelde stoornissen, de doorwerking in het ten laste gelegde en het hoge recidiverisico, is behandeling volgens de psycholoog geïndiceerd. Van belang is dat verdachte eerst voor zijn verslavingen (cannabis en gokken) wordt behandeld. Daarna dient de behandeling zich te richten op zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis. Genoemde behandeling zou in eerste instantie in een forensische verslavingskliniek plaats kunnen vinden en vervolgens in de vorm van een ambulante behandeling in het kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel met reclasseringstoezicht.
Hoewel het rapport ongeveer anderhalf jaar oud is, ziet de rechtbank op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting voldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de diagnose van de psycholoog ook nu nog actueel is en dat de stoornissen van de verdachte zijn gedrag voorafgaand en tijdens de bewezen verklaarde feiten in enige mate hebben beïnvloed. De rechtbank zal de bewezen verklaarde feiten daarom in een verminderde mate aan de verdachte toerekenen.
Voortgangsrapport Reclassering Nederland van 31 oktober 2025
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het voortgangsrapport van Reclassering Nederland van 31 oktober 2025. Hieruit volgt dat de klinische opname die de verdachte naar aanleiding van het hierboven genoemde vonnis onderging voortijdig is beëindigd. De verdachte zou onvoldoende profiteren van de behandeling en zich, ondanks de hoge mate van externe structuur, bezighouden met gokken en cannabis gebruiken. De reclassering ziet daarom geen mogelijkheden meer om uitvoering te geven aan het toezicht. De rechtbank heeft evenwel op 13 mei 2025 de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf echter afgewezen en geoordeeld dat het niet wenselijk is dat de verdachte zonder enig toezicht terugkeert in de maatschappij.
De conclusie van de reclassering op 31 oktober 2025 is desalniettemin dat zij geen mogelijkheden ziet om binnen een voorwaardelijk kader gedragsverandering te bereiken bij de verdachte. Daarvoor is onder andere noodzakelijk dat er voldoende zicht is op de aard van de risico’s die ten grondslag liggen aan het delinquente gedrag, dat het risicomanagement afdoende gewaarborgd kan worden, dat er sprake is van een bepaalde mate van zelfredzaamheid, dat er sprake is van intrinsieke motivatie voor gedragsverandering en dat er sprake is van een dusdanig lerend vermogen om te kunnen profiteren van de interventies. Deze elementen zijn volgens de reclassering niet aanwezig.
Berichten casemanager PI en [instelling]
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de berichten van de casemanager in de PI waar de verdachte op dit moment gedetineerd is en [instelling] , de instelling waar de hierboven besproken klinische opname van de verdachte plaatsvond en welke opname voortijdig is beëindigd. De casemanager van de PI schrijft dat de verdachte sinds zijn komst op 15 september 2025 correct en meewerkend is in het contact, ook met personeel en medegedetineerden. De verdachte zou zich aan de regels houden en er zouden geen incidenten of positieve urinecontroles zijn geweest. Het advies van de casemanager is om voortgang te blijven monitoren en te blijven ondersteunen bij het rehabilitatieproces.
[instelling] heeft laten weten de verdachte wederom op te willen nemen en heeft hem in afwachting van het oordeel van de rechtbank op de wachtlijst geplaatst.
De verdachte heeft ter terechtzitting kenbaar gemaakt dat hij gemotiveerd is voor gedragsverandering en bereid is om zich aan bijzondere voorwaarden te houden.
Straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting ten aanzien van inklimming en insluiping in een woning en bij straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd.
Gelet op alle omstandigheden acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf van twaalf maanden passend en geboden. De rechtbank zal een deel van die straf, te weten vijf maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaar en daaraan de voorwaarden die de rechtbank Den Haag bij vonnis van 28 augustus 2024 aan de verdachte heeft opgelegd verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. De rechtbank acht een langere proeftijd geïndiceerd, nu uit de justitiële documentatie van de verdachte volgt dat hij zich gedurende drie afzonderlijke proeftijden opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
7. De vordering van de benadeelde partij
[aangeefster 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 5.699,- en daarnaast € 59,95 per maand. Het eerstgenoemde bedrag bestaat uit € 699,- aan materiële schade, namelijk de kosten van de aanschaf van een alarmsysteem, en € 5.000,- aan immateriële schade. De € 59,95 per maand betreffen de abonnementskosten van het alarmsysteem.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering voor zover deze vordering ziet op de kosten in verband met het alarmsysteem, omdat de schade niet voldoende rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voor zover die vordering betrekking heeft op de immateriële schade voor
€ 1.000,- kan worden toegewezen en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij, strikt juridisch beschouwd, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Voor zover het gaat om de kosten van het alarmsysteem dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard te worden, omdat die kosten onvoldoende onderbouwd zijn en niet rechtstreeks zijn toegebracht door het bewezen verklaarde feit. Voor zover het gaat om de immateriële schade dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard te worden, omdat er onvoldoende is gebleken dat sprake is van geestelijk letsel. De raadsman refereert zich evenwel aan het oordeel van de rechtbank, nu zijn cliënt wel bereid is schade te vergoeden, als die er blijkt te zijn.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de materiële schade (de aanschaf van het alarmsysteem en de abonnementskosten), de vordering afwijzen, nu aan de benadeelde partij niet rechtstreeks schade is toegebracht door de bewezen verklaarde feiten.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de immateriële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank begroot op nihil.
8. Het inbeslaggenomen voorwerp
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank geen beslissing hoeft te nemen over het in beslag genomen voorwerp, een geldbedrag van € 35,80, omdat de verdachte hiervan afstand heeft gedaan.
Het standpunt van de verdediging
De verdachte heeft ter terechtzitting mondeling afstand gedaan van het inbeslaggenomen voorwerp, een geldbedrag van € 35,80.
Het oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft ter terechtzitting afstand gedaan van het in beslag genomen geldbedrag, maar formeel gezien kan een beslagene slechts schriftelijk afstand doen van in beslag genomen voorwerpen. De rechtbank zal dus een beslissing nemen op het in beslag genomen geldbedrag.
De rechtbank zal het in beslag genomen voorwerp verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan verdachte toebehoort en deze voorwerpen geheel of grotendeels door middel van de bij dagvaarding I onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten zijn verkregen.
9. De vordering tot tenuitvoerlegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 18 november 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 09-048270-22 door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 4 augustus 2023 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van vier maanden, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
De officier van justitie heeft bij vordering van 18 november 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 09-077291-24 door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 28 augustus 2024 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van drie maanden, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
De officier van justitie heeft bij vordering van 18 november 2025 gevorderd dat de bij parketnummer 22-002510-21 door het gerechtshof Den Haag op 31 augustus 2022 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van 236 dagen, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging
Parketnummer 09-048270-22
De raadsman heeft verzocht de proeftijd te verlengen. Subsidiair heeft de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
Parketnummer 09-077291-24
De raadsman heeft verzocht deze vordering af te wijzen en subsidiair de proeftijd te verlengen.
Parketnummer 22-002510-21
De raadsman heeft medegedeeld dat de verdachte reeds 51 dagen heeft uitgezeten. Hij heeft verzocht deze vordering af te wijzen, omdat het niet opportuun zou zijn de nog resterende 185 dagen gevangenisstraf ten uitvoer te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
Parketnummers 09-048270-22 en 09-077291-24
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de gestelde proeftijden schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zullen de genoemde vorderingen tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.
Parketnummer 22-002510-21
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de gestelde proeftijd opnieuw schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop ligt de vordering van de officier van justitie in beginsel voor toewijzing gereed, maar de rechtbank zal hier niet toe overgaan. De rechtbank acht het niet opportuun dat de verdachte na uitzitten van het onvoorwaardelijk deel van de bij dit vonnis opgelegde gevangenisstraf en na de tenuitvoerlegging van de voormelde voorwaardelijke straffen nog een voorwaardelijke gevangenisstraf uitzit waarvan de proeftijd enige dagen na de pleegdatum van de bewezen verklaarde feiten is verstreken.
10. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
11. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding met parketnummer 09-322008-25 (dagvaarding II) ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding met parketnummer 09-240848-25 (dagvaarding I) onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 09-240848-25 (dagvaarding I):
diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het
misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming
ten aanzien van feit 2 op de dagvaarding met parketnummer 09-240848-25 (dagvaarding I):
diefstal, op een besloten erf waarop een woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt
ten aanzien van feit 3 op de dagvaarding met parketnummer 09-240848-25 (dagvaarding I):
diefstal, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 12 (TWAALF) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 5 (VIJF) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
- zich gedurende het eerste jaar van de proeftijd, of zoveel korter als zijn behandelaars
in overleg met de reclassering nodig achten, laat opnemen in een forensische
zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor
plaatsing, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de huisregels en aanwijzingen die
hem door of namens de (geneesheer-)directeur van deze instelling worden gegeven. Wanneer de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- zich gedurende de proeftijd, aansluitend aan de klinische behandeling, onder
behandeling stelt van een forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te
bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die
zorginstelling aan te geven. De behandeling duurt zolang de behandelinstelling en
de reclassering dat nodig vinden. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en
de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
- gedurende de proeftijd, aansluitend aan de klinische behandeling, verblijft in een
RIBW of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang,
te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De
noodzaak en het besluit tot begeleid of beschermd wonen wordt bepaald door de
klinische zorginstelling in samenspraak en samenwerking met de reclassering. Het
verblijf duurt zolang de reclassering en/of de zorginstelling dat nodig vindt. De
veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in
overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan controle op het gebruik van drugs om het
middelengebruik te beheersen. De reclassering bepaalt hoe en hoe vaak betrokkene
wordt gecontroleerd;
- zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding
met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag. De dagbesteding wordt in overleg met de reclassering vastgesteld;
- gedurende de proeftijd meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen
van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening
in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde
geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
- gedurende de proeftijd niet deelneemt aan kansspelen en meewerkt aan controle op
dit verbod. De reclassering bepaalt hoe en hoe vaak de veroordeelde wordt
gecontroleerd;
- gedurende de proeftijd de reclassering openheid geeft over het aangaan en
onderhouden van (partner)relaties en de reclassering toestemming verleent om
relevante referenten uit zijn (sociale) netwerk te raadplegen en contact te
onderhouden met personen en instanties die deel uitmaken van zijn (sociale)
netwerk;
geeft opdracht aan SVG Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
de vordering van de benadeelde partij [aangeefster 1] ;
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de immateriële schade ten bedrage van € 5.000,- en bepaalt dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
de vorderingen tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de rechtbank Den Haag van 4 augustus 2023 gewezen onder parketnummer 09-048270-22, te weten een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden;
gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de rechtbank Den Haag van 28 augustus 2024 gewezen onder parketnummer 09-077291-24, te weten een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden;
wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld arrest van het gerechtshof Den Haag van 31 augustus 2022, gewezen onder parketnummer 22-002510-21, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 236 dagen.
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: 35,80 EUR geld euro.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.A. van Essen, voorzitter,
mr. M. Rootring, rechter,
mr. F.M. Guljé, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. den Besten, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 december 2025.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Parketnummer 09-240848-25
1
hij op of omstreeks 12 september 2025 te Delft een tas, bakje sigaretten, Jaguar horloge en/of autosleutel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan mw. [aangeefster 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik heeft
gebracht door middel van inklimming, door naar binnen te klimmen door een afgesloten maar niet op slot gedraaid keukenraam;
2
hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 11 september 2025 tot en met 12 september 2025 te Delft, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, aan de [straatnaam 1] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, een fiets en/of schaatsen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan dhr. [aangever 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3
hij op of omstreeks 12 september 2025 te Delft, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd uit een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, aan het [straatnaam 2] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, laptops, een telefoon, een portemonnee en/of cadeaubonnen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 3] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Parketnummer 09-322008-25
hij op of omstreeks 27 juli 2025 te 's-Gravenhage, in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, [adres 2] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond,
- een laptop,
- twee telefoons,
- twee portemonnees en/of
- een pasjeshouder met meerdere pasjes, waaronder pinpassen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.