Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/224109-22
Datum uitspraak: 10 oktober 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 26 april 2024, 22 juli 2024 (alle pro forma) en 26 september 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R.A.J. Verploegh naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. De geldigheid van de dagvaarding
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 2 en 3 nietig is, omdat onvoldoende is bepaald waartegen de verdachte zich dient te verweren.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging vermelding maakt van de feiten, de tijd en de pleegplaats en dat hetgeen aan de verdachte verweten wordt is gebaseerd op een beperkt aantal ambtshandelingen die zijn uitgewerkt in het dossier. Zij vindt de dagvaarding als geheel geldig.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 261, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het feit begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Bij de uitleg van deze bepaling moet voortdurend in het oog worden gehouden dat de vraag centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. De opgave van het feit moet duidelijk en begrijpelijk, niet innerlijk tegenstrijdig en voldoende feitelijk zijn. Bij de verdachte mag er – tegen de achtergrond van het strafdossier en het voorbereidend onderzoek – redelijkerwijs geen twijfel over bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten. Voor de rechtbank moet duidelijk en begrijpelijk zijn wat zij concreet te onderzoeken heeft.
De rechtbank acht de tekst van de tenlastelegging – in samenhang met de inhoud van het dossier – voldoende duidelijk, begrijpelijk, feitelijk en niet tegenstrijdig. Er bestaat redelijkerwijs geen twijfel over het antwoord op de vraag welke specifieke gedragingen de verdachte worden verweten. Het is de rechtbank ter terechtzitting overigens ook niet gebleken dat het de verdachte niet duidelijk was waartegen hij zich moest verdedigen.
De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat de tenlastelegging aan de vereisten van artikel 261 Sv voldoet en verwerpt daarom het verweer van de raadsman.
De dagvaarding is geldig.
4. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 4 ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.
Op specifieke verweren wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
Vrijspraak
De rechtbank is met betrekking tot het onder feit 4 ten laste gelegde, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 29 januari 2024 werd de verdachte in de woning aan de [adres] aangehouden. In de woning aan de [adres] bevindt zich op de tweede woonlaag één slaapkamer. Achter deze slaapkamer bevindt zich een inloop/opbergkast. In deze kast werd een zwart doosje aangetroffen. In het zwarte doosje zat een vuurwapen, inclusief bijpassende (één korte en één lange) patroonhouder en bijbehorende patronen. Het vuurwapen is onderzocht op DNA-sporen. Hierop is geen DNA van de verdachte aangetroffen.
Omdat het vuurwapen niet in het zicht lag en er geen DNA van de verdachte op is aangetroffen, kan niet worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het vuurwapen, zodat niet bewezen kan worden dat hij het wapen opzettelijk aanwezig heeft gehad.
De verdachte zal daarom van het onder feit 4 ten laste gelegde worden vrijgesproken.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft als bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
De identificatie van de verdachte
De verdenking is in deze zaak gericht op een persoon die met anderen communiceerde middels de communicatiedienst SkyECC, gebruikmakend van de Sky-ID’s [account 1] en [account 2] . Daarom moet eerst worden vastgesteld of de verdachte de persoon is die achter deze Sky-ID’s schuilgaat.
De raadsman heeft zich ten aanzien van Sky-ID [account 2] op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat op het moment dat de feiten hebben plaatsgevonden, de verdachte de gebruiker is geweest van het Sky-ID, omdat de identificatie heeft plaatsgevonden op grond van gegevens van ruim een maand vóór de berichten over de ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van Sky-ID [account 1] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker hiervan is geweest.
De rechtbank volgt de verdediging niet, gelet op de inhoud van de met deze Sky-ID’s gevoerde chatgesprekken. Zo wordt in een chatgesprek tussen [account 2] (het aan de verdachte toegeschreven ID) en [account 3] , door [account 2] een foto gedeeld van een Marktplaatsadvertentie over een grijze Volkswagen Polo die is verkocht. Op die foto is het overgrote deel (vijf van de zes tekens) van het kenteken te zien. Het kenteken van die auto komt overeen met een grijze Volkswagen Polo die de verdachte op naam had staan. Daarbij maakte het IMEI-nummer gekoppeld aan Sky-ID [account 2] in de nachtrust bestemde tijd gebruik van een basisstation dat het verblijfadres van de verdachte tot 10 september 2020 binnen zijn bereik had en maakte dit IMEI-nummer na 10 september 2020 gebruik van het een basisstation dat het nieuwe adres van de verdachte binnen zijn bereik had. Ook het IMEI-nummer behorende bij het Sky-ID [account 1] maakte gebruik van een basisstation dat het (nieuwe) verblijfsadres van de verdachte binnen zijn bereik had. Het IMSI-nummer behorende bij dit ID bewoog dagelijks mee met het mobiele nummer dat in gebruik was bij de verdachte.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen dan ook vast dat de verdachte de (vaste) gebruiker was van de Sky-ID’s [account 1] en [account 2] . Dat de identificatie van de verdachte als gebruiker van het ID [account 2] ’zou hebben plaatsgevonden op grond van gegevens van vóór de met dit ID gevoerde gesprekken die gaan over de ten laste gelegde feiten, maakt dit niet anders, omdat niet is gebleken van een wisseling van personen met betrekking tot het gebruik van voornoemde Sky-ID’s. Het dossier bevat, in tegendeel, aanwijzingen dat ook de latere gesprekken door de verdachte zijn gevoerd, onder meer omdat daaruit blijkt van een vader-zoon-relatie tussen het aan de medeverdachte [medeverdachte] toegeschreven ID [account 4] en het bewuste ID [account 2] .
Feit 1
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte] op 14 december 2020 naar de verdachte een afbeelding stuurt van een blok cocaïne. Vervolgens koopt de verdachte in overleg met [medeverdachte] twee vijverpompen en verpakt hij, steeds in overleg met [medeverdachte] , de vijverpomp met daarin één blok cocaïne in één doos en een vijverpomp met daarin twee blokken cocaïne in een andere doos. Op 21 december 2020 verstuurt de verdachte, weer in overleg met [medeverdachte] , in elk geval één doos met daarin de vijverpomp en cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk. Op 23 december 2020 verstuurt de verdachte weer, in elk geval één doos met daarin de vijverpomp en cocaïne naar, het Verenigd Koninkrijk. De politie heeft duiding gegeven aan de verschillende termen en begrippen die in de chatgesprekken zijn gebruikt. De rechtbank volgt die uitleg van de politie. Zo is deze duiding in lijn met hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is geworden uit andere Opiumwetzaken. Daarbij komt dat deze duiding doorgaans past bij de context van de gevoerde gesprekken en de samenhang tussen chatberichten en afbeeldingen die bij sommige chatberichten zijn verstuurd.
De raadsman heeft betoogd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte verdovende middelen aanwezig heeft gehad, omdat deze niet daadwerkelijk zijn aangetroffen en daarmee ook niet is vastgesteld dat het om verdovende middelen gaat. De rechtbank volgt de raadsman niet in dit betoog en overweegt als volgt. Uit de chats kan worden afgeleid dat de verdachte meerdere malen foto’s van witte blokken heeft gestuurd. Daarbij wordt door de verdachte gesproken over hoeveelheden, gewicht, prijzen en logo’s/stempels. Verder kan uit de chats kan worden afgeleid dat door de verdachte wordt gesproken over ‘boli’ (Boliviaanse cocaïne) en over ‘cola’ en ‘colo’ (Colombiaanse cocaïne). Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat het over cocaïne gaat en dat de verdachte dat ook aanwezig heeft gehad. Dat de drugs niet getest zijn maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.
Medeplegen
Uit de chats blijkt dat de verdachte, in overleg met [medeverdachte] , de feitelijke handelingen heeft uitgevoerd en hierbij telkens [medeverdachte] meeneemt in het proces door aan hem afbeeldingen te sturen en hem op de hoogte te houden van het verloop van het proces. Ook geeft [medeverdachte] instructies aan de verdachte. Gelet daarop was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] , zodat sprake is van medeplegen.
Conclusie
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde in de periode van 14 december 2020 tot en met 23 december 2020.
Feit 2
Uit de bewijsmiddelen, te weten het chatgesprek tussen de verdachte en de gebruiker [account 5] van 12 en 13 september 2020, leidt de rechtbank af dat de verdachte opzettelijk heroïne aanwezig heeft gehad. Tevens wordt er in de gesprekken een foto gestuurd van heroïne. Op 27 november 2020 voert de verdachte een chatgesprek met gebruiker [account 6] . In dit gesprek wordt gesproken ‘cola’ en ‘coli’ (Colombiaanse cocaïne) en ‘boli’ (Boliviaanse cocaïne) en wordt er door de verdachte een foto van een wit blok cocaïne gestuurd. Uit de chatgesprekken tussen de verdachte, [medeverdachte] en de gebruiker [account 7] van 7 en 8 februari 2021, leidt de rechtbank tevens af dat die gaan over het verhandelen van cocaïne. In deze gesprekken wordt gesproken over het ophalen, vervoeren en het opslaan van cocaïne. Tevens wordt er in de gesprekken een foto gestuurd van cocaïne. Zoals de rechtbank reeds ten aanzien van feit 1 heeft overwogen, heeft de verdachte samen met [medeverdachte] tevens tussen 14 december en 23 december 2020 een hoeveelheid cocaïne opzettelijk aanwezig gehad.
Ook ten aanzien van dit feit heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte verdovende middelen aanwezig heeft gehad, omdat deze niet daadwerkelijk zijn aangetroffen en daarmee ook niet is vastgesteld dat het om verdovende middelen gaat. De rechtbank verwerpt dit verweer, gelet op hetgeen zij reeds heeft overwogen ten aanzien van feit 1.
Medeplegen
Uit de chats blijkt dat de verdachte met [medeverdachte] en de gebruikers [account 7] , [account 5] en [account 6] drugsgerelateerde gesprekken heeft gevoerd over de handel in cocaïne/heroïne. Gelet daarop was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en deze tegencontacten, zodat sprake is van medeplegen.
Conclusie
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde in de periode van 12 september 2020 tot en met 8 februari 2021.
Feit 3
Opzet op voorbereidingshandelingen
Voor een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet is vereist dat de verdachte het opzet heeft gehad dat hij met zijn handelen het bewerken en het verhandelen van harddrugs bevorderde.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte als gebruiker van de Sky-ID’s [account 2] en [account 1] gesprekken heeft gevoerd met andere gebruikers over de uitvoer van, en handel in cocaïne. De verdachte heeft het met zijn tegencontacten over de beschikbaarheid en prijzen van cocaïne, de handel in cocaïne en het transport van cocaïne naar het buitenland. Tevens worden foto’s van blokken cocaïne naar elkaar gestuurd. Ook worden in de chatgesprekken regelmatig afkortingen gebruikt die duiden op verdovende middelen, de herkomst van verdovende middelen en de prijzen van verdovende middelen. De politie heeft duiding gegeven aan de verschillende termen en begrippen die in de chatgesprekken zijn gebruikt. De rechtbank volgt die uitleg van de politie, ook omdat deze duiding past bij de context van de gevoerde gesprekken en de samenhang tussen chatberichten en afbeeldingen die bij sommige chatberichten zijn verstuurd. De rechtbank is gelet op de inhoud van deze chats van oordeel dat de verdachte opzet heeft gehad op het plegen van de voorbereidingshandelingen ten aanzien van de uitvoer van en de handel in cocaïne.
De raadsman heeft betoogd dat een bewijsmiddel voor een bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen, niet ook voor de bewezenverklaring van een voltooid delict kan worden gebruikt.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 29 april 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0697, NJ 1997/665 op grond van de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 10a Opiumwet aangenomen dat ook strafbaarheid aanwezig is indien op een voorbereidingsdelict als bedoeld in artikel 10a, eerste lid onder 2° of 3°, Opiumwet het misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid of vierde lid, Opiumwet is gevolgd. De stelling van de raadsman vindt dus geen steun in (hogere) rechtspraak.
De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.
Medeplegen
Uit de chats blijkt dat de verdachte met meerdere personen drugsgerelateerde gesprekken heeft gevoerd waarin concrete informatie is uitgewisseld over onder meer beschikbaarheid, hoeveelheden, prijzen en transport van verdovende middelen. Gelet daarop was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en deze tegencontacten, en daarmee van medeplegen.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij in de periode van 14 december 2020 tot en met 23 december 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,
- opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, immers heeft verdachte meerdere blokken cocaïne, middels vijverpompen en/of pakketten van Nederland naar de United Kingdom (laten) vervoeren en (aldus) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne, (een) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij in de periode van 12 september 2020 tot en met 8 februari 2021 in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, hoeveelheden cocaïne, althans harddrugs, zijnde cocaïne althans harddrugs een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij in de periode van 20 september 2020 tot en met 27 februari 2021 in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, zich en anderen gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, immers heeft verdachte:
- inlichtingen en foto’s van verdovende middelen uitgewisseld met betrekking tot de koop en verkoop van die verdovende middelen en
- geld (171.400 Euro) in ontvangst genomen en/of betaling(en) gedaan en/of laten doen ten behoeve van de aanschaf en/of verkoop van verdovende middelen en/of
- ontmoetingen gehad met en/of (telefonische) afspraken gemaakt met en/of besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten (door)gegeven aan zijn mededader(s)) en/of een of meer anderen, om verdovende middelen te kopen en/of verkopen en/of in ontvangst te nemen en/of te vervoeren en/of
voorwerpen, gelden voorhanden gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte en zijn mededaders
- één of meerdere PGP-telefoons, althans encryptie-telefoons, voorhanden gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
6. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
7. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank bij een eventuele strafoplegging verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van verschillende drugsgerelateerde feiten gedurende een langere periode, waaronder uitvoer naar het Verenigd Koninkrijk. Het is algemeen bekend dat drugs schadelijk zijn en daarmee een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat een aanmerkelijk deel van de criminaliteit waarmee de maatschappij te maken heeft, direct of indirect haar oorsprong vindt in het gebruik van drugs. De verdachte heeft zich bij het plegen van voornoemde feiten kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen financiële gewin, zonder zich te bekommeren om de gezondheidsrisico’s voor anderen of de nadelige gevolgen van de mogelijk daarmee gepaard gaande criminaliteit. De werkwijze van de verdachte was professioneel. De verdachte communiceerde met zijn mededaders via versleutelde Skyberichten. Door middel van zijn handelen, heeft hij een bijdrage geleverd aan de instandhouding van (internationale) drugshandel.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 6 september 2025, waaruit blijkt dat hij de afgelopen vijf jaren niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10a, van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 3:
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderden, zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en voorwerpen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
en
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderden, zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en voorwerpen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 42 (TWEEËNVEERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.J. van de Griend, voorzitter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,
in tegenwoordigheid van V. Grampon, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 oktober 2025.