ECLI:NL:RBDHA:2025:27778

ECLI:NL:RBDHA:2025:27778

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 10-10-2025
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer 09/009099-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Vrijspraak voorhanden hebben vuurwapen. Veroordeling afpersing van vijf personen. Op grote schaal werden telefoonnummers van potentiële slachtoffers die sekswebsites hebben bezocht verzameld. Gevangenisstraf 14 maanden, 6 maanden voorwaardelijk met proeftijd 2 jaren en bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/009099-25

Datum uitspraak: 10 oktober 2025

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

BRP-adres: [adres 1] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 26 september 2025.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sleeswijk-Visser en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. M.G. Eckhardt naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 26 september – ten laste gelegd dat:

1

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 april 2024 tot met

een 7 maart 2025 te ’s-Gravenhage en/of Delft en/of Dalen en/of Westerhoven,

althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het

oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door bedreiging met geweld

meerdere mannen waaronder in elk geval [aangever 1] (zaak 2.1) en/of [aangever 2]

(zaak 2.3) en/of [aangever 3] (zaak 2.4) en/of [aangever 4] (zaak 2.6)

en/of [aangever 5] (zaak 2.7) en/of [aangever 6] (zaak 2.8) en/of [aangever 7] (zaak 2.9)

heeft gedwongen tot de afgifte van een of meerdere geldbedrag(en) ( [aangever 1] :

7.550 euro, [aangever 2] : 4.400 euro, [aangever 3] : 950 euro, [aangever 4] : 2500 euro ,

[aangever 5] : 950 euro, [aangever 6] : 1900 euro, [aangever 7] : 1.500 euro) in elk geval enig goed,

dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of

[aangever 4] en/of [aangever 5] en/of [aangever 6] en/of [aangever 7] en/of een derde

toebehoorde(n) door die mannen een of meer (SMS)-berichten toe te zenden inhoudende dat zij geld moesten geven en/of (via een tikkie) moesten overmaken met bedreigende teksten waaronder:

“Luister jij hebt een groot probleem […] in de gaten”

en/of die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4] en/of [aangever 5] en/f [aangever 6] en/of [aangever 7] (vervolgens) op te bellen en te zeggen:

“Als je niet betaalt, stuur ik ‘mijn’ mannetje op je af en gebeuren er ‘andere’ dingen” en/of Ik wil binnen een half uur mijn geld hebben” en/of “Ik weet alles van je” en/of “Ik

trek je uit je huis” en/of “Ik doe je vrouw en kinderen (naasten) wat aan” en/of “Je

brengt je familie in gevaar” en/of “Als er niet wordt betaald, dan staan er binnen 20

minuten mensen op de stoep” althans (telkens) woorden met een soortgelijke

dreigende aard en/of strekking;

2

hij op of omstreeks 21 maart 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,

een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een

semi- automatisch pistool, van het merk Crvena Zastavae, zijnde een vuurwapen in

de vorm van een revolver/geweer/pistool en bijbehorende munitie van categorie III

te weten vijf stuks pistoolmunitie (CBC, .32 AUTO) voorhanden heeft gehad.

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van zaak 2.9 ( [aangever 7] ), nu een handtekening bij de klacht ontbreekt, zodat niet is voldaan aan de vereisten die aan een klachtdelict worden gesteld.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat afpersing geen klachtdelict betreft, zodat hij ontvankelijk is in de vervolging.

Het oordeel van de rechtbank

Het ten laste gelegde feit betreft afpersing, zoals neergelegd in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Dit strafbare feit betreft, in tegenstelling tot afdreiging zoals neergelegd in artikel 318 Sr, geen klachtdelict.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

4. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde, met uitzondering van zaak 2.6 ( [aangever 4] ), en tot bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het onder feit 2 ten laste gelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder feit 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat dit kan worden bewezen verklaard, met uitzondering van de zaken 2.1 ( [aangever 1] ), 2.3 ( [aangever 2] ) en 2.6 ( [aangever 4] ). Met betrekking tot de zaken 2.4 ( [aangever 3] ), 2.7 ( [aangever 5] ), 2.8 ( [aangever 6] ) en 2.9 ( [aangever 7] ) heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Vrijspraak

De rechtbank is met betrekking tot het onder feit 2 ten laste gelegde van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Blijkens het proces-verbaal van verhoor van verdachte (pagina 51) is in het politieverhoor medegedeeld dat het betreffende vuurwapen verpakt in een sok is aangetroffen in een ladekastje. De rechtbank constateert dat in het proces-verbaal van bevindingen waarin het aantreffen van het wapen is beschreven (pagina’s 233-234 van het dossier), echter niets is vermeld over een sok waarin het wapen zou zijn verpakt. In dat proces-verbaal is immers slechts geverbaliseerd dat een donkerkleurig, op een vuurwapen gelijkend voorwerp in een lade is aangetroffen. Mede gelet op het standpunt van de verdediging, ziet de rechtbank zich dan ook geplaatst voor de vraag welke bewijswaarde moet worden toegekend aan de op het vuurwapen aangetroffen DNA-sporen. De rechtbank komt tot de conclusie dat uit het dossier niet eenduidig blijkt onder welke omstandigheden het wapen is aangetroffen. Daarmee kan niet in voldoende mate worden uitgesloten dat sprake is geweest van ontlastende omstandigheden die de vondst van de DNA-sporen op het wapen kunnen verklaren. De rechtbank zal deze sporen daarom niet in belastende zin meenemen bij de waardering van het bewijs.

Het voorgaande betekent dat onvoldoende bewijs aanwezig is voor het aan de verdachte ten laste gelegde voorhanden hebben van het vuurwapen, zodat de rechtbank de verdachte daarvan zal vrijspreken.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor de zaken 2.4 ( [aangever 3] ), 2.7 ( [aangever 5] ), 2.8 ( [aangever 6] ) en 2.9 ( [aangever 7] ) met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen te verklaren zaken namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman ten aanzien van deze zaken geen vrijspraak bepleit.

De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het onderzoeksnummer 30PROACE / DH3F024003, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 361).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

Zaak 2.4 – [aangever 3]

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 26 september 2025;

2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , opgemaakt op 5 maart 2025 (p. 199-202);

Zaak 2.7 - [aangever 5]

3. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 26 september 2025;

4. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] , opgemaakt op 24 februari 2025 (p.314-316);

Zaak 2.8 – [aangever 6]

5. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 26 september 2025;

6. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] , opgemaakt op 7 maart 2025 (p. 323-325);

Zaak 2.9 – [aangever 7]

7. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 26 september 2025;

8. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 7] , opgemaakt op 17 april 2025 (p. 326-328).

De rechtbank heeft met betrekking tot de zaak 2.3 ( [aangever 2] ) hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

1. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 15 januari 2025, voor zover inhoudende (p. 171-174):

Tussen woensdag 1 januari 2025 en dinsdag 7 januari 2025 ben ik gechanteerd door een voor mij onbekend persoon. Het chanteren heeft plaatsgevonden via sms,

whats-app en telefonisch.

Op 1 januari ontving ik een sms van telefoonnummer [telefoonnummer 1] . De inhoud van de sms was nogal bedreigend. Ik werd hierin beticht dat ik met dames had lopen kloten op de site [website 1] en [website 2] . Ik had nu met deze persoon te maken en ik kreeg één kans om het netjes op te lossen om mijn naasten niet in gevaar te brengen. Negeren en blokkeren van de sms zou geen zin hebben. Het ging echt om de laatste kans.

Op 2 januari ontving ik een sms afkomstig van telefoonnummer [telefoonnummer 2] . In deze sms stond in principe hetzelfde vermeld als in de ontvangen sms van l januari.

Vervolgens werd ik gebeld via de whats-app. Ik hoorde dat ik een man aan de telefoon had. Hij sprak goed Nederlands. De man heeft mij behoorlijk bedreigd. Hij heeft mij heel erg duidelijk gemaakt dat ik mijn familie in gevaar zou brengen als ik niet aan de betalingen zou voldoen. Kort hierna ontving ik twee tikkie betaalverzoeken ieders van 950,= euro. Ik heb voldaan aan deze betaalverzoeken. Ik heb deze bedragen overgemaakt naar rekeningnummer [rekeningnummer 1] . Nadat deze bedragen waren afgeschreven zag ik er bij de omschrijving bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] stond vermeld.

Op 3 januari ontving ik wederom een SMS maar nu afkomstig van telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Kort na de ontvangen sms werd ik gebeld door hetzelfde nummer waarvan ik de sms had ontvangen. Ik hoorde dat ik een man aan de telefoon had. Ik herkende de stem. het betrof dezelfde man die mij op 2 januari via de whats-app gebeld had. De man maakte mij wederom duidelijk dat ik nog aan een aantal betalingen moest voldoen. Ik werd wederom behoorlijk bedreigd. Bij geen betaling zou mijn familie wat overkomen. Hierop heeft de man mij via de sms twee ING betaalverzoeken gestuurd. Ieders van 1250,= euro. Ik heb aan deze betaalverzoeken voldaan. Ik heb tweemaal 1250,= euro overgemaakt om 15.54 en 15.56 uur naar rekeningnummer [rekeningnummer 3] ten name van [naam] [rekeningnummer 4] .

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 295-296):

In het kader van onderzoek 30Proace was ik, verbalisant, belast met de verkorte analyse van verscheidene onder verdachte [verdachte] inbeslaggenomen telefoons, waaronder:

• Samsung Galaxy J6, goednummer: 3297968.

Ik zag dat tussen 24 december 2024 en 21 maart 2025 honderden berichten werden verstuurd naar verschillende nummers, waarbij de berichten de volgende, reeds bekende inhoud bevatten:

“Luister jij hebt een probleem. Jij heb lopen kloten met mijn dames via [website 1] en [website 2] . Ik heb alles van jou. Jij hebt nu met ons te maken en krijgt van ons 1 kans om dit netjes op te lossen. Dus wees een man en breng jou naasten niet in gevaar. Die dames staan hiermee hun brood te verdienen. Negeren en blokkeren heeft geen zin dit is jou laatste kans ben ik duidelijk!?"

In de oproepenlijst van de telefoon zag ik onder andere een uitgaande oproep op 3 januari 2025, die - na onderzoek in de politiesystemen – respectievelijk toebehoorden aan aangever [aangever 2] .

In zaak 2.3, is bovendien uit onderzoek gebleken dat één van de telefoonnummers waarmee de aangever contact heeft gehad, had gezeten in een telefoon met IMEI-nummer [IMEI-nummer] . Dit IMEI-nummer komt overeen met het IMEI-nummer van de onder verdachte [verdachte] inbeslaggenomen Samsung Galaxy J6 met goednummer 3297968.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van zaak 2.3 ( [aangever 2] )

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank, anders dan de raadsman, af dat de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan afpersing van [aangever 2] . De Samsung Galaxy J6 die onder de verdachte in beslag is genomen heeft een directe link met het gepleegde feit. Niet is gebleken dat iemand anders dan de verdachte (of zijn mededaders) deze telefoon ten tijde van het gepleegde feit in gebruik had(den).

Dit is anders ten aanzien van de zaken 2.1 ( [aangever 1] ) en 2.6 ( [aangever 4] ). Hoewel in zaak 2.1 weliswaar een verband kan worden gelegd met een telefoontoestel dat op enig moment in gebruik was bij de medeverdachte [medeverdachte] , heeft zij verklaard dat zij in dit verband ook opdrachten kreeg van anderen dan de verdachte. Gelet op de stellige ontkenning van de verdachte dat hij bij deze zaak betrokken is geweest en het gebrek aan ander bewijs dat wijst op zijn betrokkenheid bij de afpersing van [aangever 1] , zal de rechtbank de verdachte ten aanzien van deze zaak vrijspreken. De rechtbank zal de verdachte ook van de afpersing van [aangever 4] vrijspreken omdat voor de betrokkenheid van de verdachte bij deze zaak, geen bewijs voorhanden is anders dan de aangifte.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1

hij in de periode van 24 februari 2025 tot met een 7 maart 2025 in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld

meerdere mannen waaronder in elk geval [aangever 2] (zaak 2.3) en [aangever 3] (zaak 2.4) en [aangever 5] (zaak 2.7) en [aangever 6] (zaak 2.8) en [aangever 7] (zaak 2.9)

heeft gedwongen tot de afgifte van een of meerdere geldbedrag(en)

( [aangever 2] : 4.400 euro, [aangever 3] : 950 euro, [aangever 5] : 950 euro, [aangever 6] : 1900 euro, [aangever 7] : 1.500 euro),

dat/die geheel of ten dele aan [aangever 2] en [aangever 3] en [aangever 5] en [aangever 6] en [aangever 7]

toebehoorde(n) door die mannen

(SMS)-berichten toe te zenden inhoudende dat zij geld moesten geven

en (via een tikkie) moesten overmaken met bedreigende teksten waaronder:

“Luister jij hebt een groot probleem […] in de gaten”

en die [aangever 2] en [aangever 3] en [aangever 5] en [aangever 6] en [aangever 7] (vervolgens) op te bellen en te zeggen:

“Als je niet betaalt, stuur ik ‘mijn’ mannetje op je af en gebeuren er ‘andere’ dingen” en “Ik wil binnen een half uur mijn geld hebben” en “Ik weet alles van je” en “Ik

trek je uit je huis” en “Ik doe je vrouw en kinderen (naasten) wat aan” en “Je

brengt je familie in gevaar” en “Als er niet wordt betaald, dan staan er binnen 20

minuten mensen op de stoep” althans (telkens) woorden met een soortgelijke

dreigende aard en/of strekking;

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht en ambulante behandeling.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk dient te zijn aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, aangevuld met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een mogelijke taakstraf.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan afpersing van vijf personen. De verdachte en zijn mededaders hebben gewerkt volgens een vaste werkwijze. Op grote schaal werden telefoonnummers van potentiële slachtoffers die sekswebsites hebben bezocht verzameld.. Deze personen kregen vervolgens telefonisch teksten toegestuurd, waarin werd gedreigd dat zij hun naasten in gevaar brachten als zij geen geld zouden overmaken. De slachtoffers werden ook gebeld, waarbij soortgelijke uitspraken werden gedaan. De personen die op deze berichten zijn ingegaan, voelden zich – zo volgt uit de verschillende aangiftes – ernstig bedreigd, angstig en waren bang voor openbaarmaking van privacygevoelige informatie. De verdachte heeft, samen met zijn mededaders, de slachtoffers in deze zaken onder voornoemde dreiging bewogen tot het betalen van uiteenlopende geldbedragen, ter hoogte van, bij elkaar opgeteld, bijna € 10.000,-.

De verdachte heeft er bewust voor gekozen deze werkwijze in te zetten als verdienmodel en daarmee als bron van inkomsten. De verdachte heeft ter terechtzitting ook toegegeven de feiten te hebben gepleegd puur uit eigen winstbejag. De rechtbank rekent de verdachte dit aan.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 12 juni 2025, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 30 juni 2025, waarin de reclassering ten behoeve van de voorlopige hechtenis een aantal bijzondere voorwaarden heeft geformuleerd, zoals een meldplicht en ambulante behandeling.

De straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

De rechtbank acht alles afwegende en gelet op wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd, een gevangenisstraf van 14 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

De rechtbank zal zes maanden van die straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren en daaraan een aantal van de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, te weten een meldplicht en ambulante behandeling, dit om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 1] , [aangever 3] , [aangever 7] , [aangever 5] en [aangever 6] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces en vorderen een schadevergoeding.

Benadeelde [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 7.550,- te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade

Benadeelde [aangever 3] vordert een schadevergoeding van € 1.350,-, bestaande uit € 950,- materiële schade en € 400,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Benadeelde [aangever 7] vordert een schadevergoeding van € 1.559,99, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Benadeelde [aangever 5] vordert een schadevergoeding van € 950,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Benadeelde [aangever 6] vordert een schadevergoeding van € 1.900,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 1] , [aangever 3] , [aangever 5] en [aangever 6] , vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijk toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever 7] , vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor zover de vordering betrekking heeft op de post ‘aanschaf beveiligingscamera’, omdat de gevorderde schade in een te ver verwijderd verband staat tot wat bewezen verklaard zou kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich met betrekking tot de vordering van [aangever 1] op het standpunt gesteld dat deze dient te worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk te worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak.

Ten aanzien van de vordering van [aangever 3] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot vergoeding van immateriële schade dient te worden afgewezen.

Met betrekking tot de vorderingen van [aangever 5] en [aangever 6] heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de noodzakelijke bankgegevens ontbreken, zodat zij niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vordering.

De raadsman heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat de vordering van [aangever 7] voor zover deze betrekking heeft op de post ‘aanschaf beveiligingscamera’, dient te worden afgewezen, nu deze niet in direct verband staat met het ten laste gelegde feit.

Het oordeel van de rechtbank

[aangever 1]

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien

de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

[aangever 3]

Materiële schade

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

Immateriële schade

Voor toewijzing van immateriële schadevergoeding moet op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – voor zover hier relevant – sprake zijn van een aantasting in de persoon van benadeelden op andere wijze, veroorzaakt door het bewezen verklaarde gedrag van de verdachte.

Van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vlg. ECLI:NL:HR:2019:793).

De benadeelde partij heeft zich op het standpunt gesteld dat van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is, omdat hij geen vertrouwen meer heeft in mensen, onbekende telefoonnummers niet durft op te nemen en last heeft van stressklachten.

Gelet op voornoemd juridisch kader is hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld – hoe invoelbaar ook – ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Zo heeft hij geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid en doet zich hier niet een situatie voor waarin uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan al volgt dat van een aantasting ‘op andere wijze’ sprake is. Dat betekent dat er in deze zaak voor toewijzing van hetgeen is gevorderd geen wettelijke grondslag is. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

Conclusie

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 950,-, bestaande uit materiële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 maart 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 950,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 3] .

[aangever 5]

De vordering is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 950,-, bestaande uit materiële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 24 februari 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 950,-,vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 februari 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 5] .

[aangever 6]

De vordering is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van

€1.900,-, bestaande uit materiële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 3 maart 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.900,-,vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 maart 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 6] .

[aangever 7]

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘betaald onder strafbaar feit’, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.

De rechtbank overweegt, voor zover de vordering betrekking heeft op de post ‘aanschaf beveiligingscamera’, als volgt. Bepaalde kosten die een benadeelde heeft gemaakt in verband met het feit dat hem schade is of dreigt te worden toegebracht, komen als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking (artikel 6:96 van het BW).

In dit geval heeft de benadeelde partij een dag na het bewezen verklaarde feit een beveiligingscamera aangeschaft, omdat hij – ook nog na het bewezen verklaarde feit – bedreigende berichten jegens zijn familie ontving, zich daardoor zorgen maakte en zijn woning in de gaten wilde kunnen houden. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende sprake is van causaal verband tussen de bewezen verklaarde afpersing en de gevorderde materiële schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van

€1.559,99,-, bestaande uit materiële schade.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 maart 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.559,99,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 maart 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 7] .

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

8. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst) onder 1 en 2 genoemde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen, verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en met behulp van deze voorwerpen het bewezenverklaarde feit is begaan.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en bijkomende straf zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 47 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven onder 4.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

afpersing :

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 14 (VEERTIEN) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Reclassering Leger des Heils op het adres [adres 2] op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

en

- zich laat behandelen door Forensische Polikliniek de Waag of een soortgelijke

zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra er plaats is. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;

geeft opdracht aan Reclassering Leger des Heils tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 950,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 3] ;

wijst de vordering af voor zover het betreft een bedrag van € 400,- aan immateriële schade;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 5]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van

€ 950,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 februari 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 5] ;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 6]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van

€ 1.900,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 3 maart 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 6] ;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 7]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 1.559,99 ,- en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 maart 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 7] ;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partijen (met uitzondering van de benadeelde partij [aangever 1] ), begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

bepaalt dat als een van de mededader(s) de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partijen heeft betaald de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

de schadevergoedingsmaatregelen

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 950,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever 3] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 19 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 950,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 24 februari 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever 5] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 19 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 1.900,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 3 maart 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever 6] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 29 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van

€ 1.559,99 ,- vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 maart 2025 tot de dag waarop dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever 7] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partijen heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partijen te betalen;

beslag

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen, te weten:

1. STK Telefoontoestel (Samsung Flip);

1. STK Telefoontoestel (Samsung).

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.R. Aaron, voorzitter,

mr. B.J. van de Griend, rechter,

mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,

in tegenwoordigheid van V. Grampon, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 oktober 2025.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.R. Aaron
  • mr. B.J. van de Griend
  • mr. C.A.W. Zijlstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?