ECLI:NL:RBDHA:2025:27779

ECLI:NL:RBDHA:2025:27779

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-12-2025
Datum publicatie 26-03-2026
Zaaknummer 09/223837-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Vrijspraak bedreiging. Veroordeling zware mishandeling. Gevangenisstraf 8 maanden, 3 maanden voorwaardelijk met proeftijd 2 jaren en bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/223837-25

Datum uitspraak: 12 december 2025

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 2003 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 28 november 2025.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Schiphuis, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. S. van der Eijk, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1hij op of omstreeks 30 juni 2025 te 's-Gravenhage aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten een gebroken kaak (aan beide kanten van het gezicht) en/of een gebroken hoektand heeft toegebracht, door meermalen, althans eenmaal tegen het gezicht van die [aangever] te stompen/slaan;

2 hij op of omstreeks 30 juni 2025 te 's-Gravenhage [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever] dreigend de woorden toe te voegen "Ik wil je afmaken" en/of "Ik wil je echt doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Vrijspraak

De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.

De verdachte en de aangever waren op 30 juni 2025 bij de tramhalte op het Parijsplein in Den Haag. De aangever heeft verklaard dat de verdachte op voornoemde datum, nadat de verdachte hem had mishandeld, hem tevens zou hebben bedreigd. De verdachte heeft bij de politie en op de terechtzitting ontkend de bedreiging te hebben geuit.

Hoewel de aangever en zijn broertje, [naam] , hebben verklaard de bedreiging te hebben gehoord, ontbreekt bij de rechtbank de overtuiging dat de verdachte de bedreiging heeft geuit zoals die is ten laste gelegd. Zo spreken de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] in hun verklaring niet over een dergelijke bedreiging en ontkent de verdachte stellig dat hij deze bedreiging zou hebben geuit. Hij dient daarvan te worden vrijgesproken.

Opgave van bewijsmiddelen

De rechtbank zal voor feit 1 met een opgave van bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit bekend en daarna niet anders verklaard.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL2025217242, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 78).

De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:

1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 28 november 2025;

2. Het proces-verbaal van aanvullend verhoor van aangever, opgemaakt op 3 juli 2025 (p. 9-13);

3. Het geschrift, te weten een medische verklaring d.d. 2 juli 2025 (p. 14-15).

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 1.

Zwaar lichamelijk letsel

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat aangever onder andere een dubbele kaakfractuur heeft opgelopen als gevolg van de mishandeling. Aangever is geopereerd aan zijn kaak, waarbij een plaat in zijn kaak is bevestigd. Dientengevolge heeft aangever twee weken slechts vloeibaar voedsel tot zich kunnen nemen. Het is onduidelijk of het letsel volledig zal herstellen.

Dat letsel is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr. Dit volgt uit de aard van het letsel en de noodzakelijkheid van medisch ingrijpen. Daarnaast is van belang dat het herstel van lange duur is, voor zover al van volledig herstel kan worden gesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 30 juni 2025 te 's-Gravenhage aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel te weten een gebroken kaak (aan beide kanten van het gezicht) en een gebroken hoektand heeft toegebracht, door meermalen, tegen het gezicht van die [aangever] te slaan.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht om aan de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die de verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in combinatie met een geheel voorwaardelijke taakstraf van 120 uur. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aan de verdachte een gevangenisstraf van maximaal vijf maanden op te leggen, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling van de minderjarige aangever [aangever] , door hem meermalen met kracht tegen het gezicht te slaan. De zware mishandeling heeft op klaarlichte dag plaatsgevonden en er zijn meerdere mensen getuige van geweest. Ten gevolge van dit toegepaste geweld heeft aangever een dubbele kaakfractuur opgelopen. Dit letsel was dusdanig ernstig dat aangever moest worden geopereerd en hiervan veel pijn heeft gehad. Aangever heeft zich vijf weken lang wekelijks bij het ziekenhuis moeten melden voor controle. Het door de verdachte gebruikte geweld is buitenproportioneel en onbegrijpelijk, mede gelet op de geringe aanleiding (aangever keek de verdachte, naar eigen zeggen, te lang aan). Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke gewelddadige delicten nog lange tijd onder de nadelige lichamelijke en/of psychische gevolgen daarvan kunnen lijden. Dat deze gebeurtenis ook een impact heeft gehad op de naasten van aangever, blijkt mede uit de op de zitting voorgedragen slachtofferverklaring van zijn moeder. Daarnaast veroorzaken dergelijke geweldsmisdrijven gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 oktober 2025.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 18 augustus 2025 en 14 november 2025, waaruit naar voren komt dat sprake is van een beginnend delictpatroon aangaande geweldsdelicten en de verdachte al langere tijd problemen heeft op bijna alle leefgebieden. De reclassering heeft aanwijzingen voor een negatief sociaal netwerk en voor cannabisverslaving. Zij schat het risico op recidive als hoog in en adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met daaraan bijzondere voorwaarden gekoppeld.

Gelet op wat hiervoor is overwogen kan niet worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

De rechtbank acht na te melden straf passend en geboden.

De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Gelet op het advies van de reclassering moet ernstig rekening worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hiervoor bedoelde voorwaarden en het daarop uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

7. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 10.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht om een bedrag van € 4.000,- toe te wijzen en subsidiair de schadevergoeding te maximeren op een bedrag van € 5.000,-.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor als sprake is van lichamelijk letsel. De rechtbank stelt op basis van de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing vast dat hij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en dat hij om die reden dus recht heeft op een vergoeding voor immateriële schade. De benadeelde partij kampt tot op de dag van vandaag met de fysieke gevolgen van wat er is gebeurd. Als gevolg van het bewezenverklaarde heeft hij een dubbele kaakfractuur en tandletsel opgelopen. De benadeelde partij is geopereerd en heeft twee weken vloeibaar voedsel moeten eten. Bovendien gaat de benadeelde partij starten met een EMDR-traject in verband met de door het bewezenverklaarde opgelopen psychische klachten.

Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dus worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd en wat in vergelijkbare gevallen aan immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, is de rechtbank van oordeel dat de vordering zich – naar maatstaven van billijkheid – leent voor toewijzing tot een bedrag van € 4.000,-. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van de immateriële schade voor het overige afwijzen.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 30 juni 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De verdachte zal voor het bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 4.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 juni 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever] .

8. De toepasselijke wetsartikelen

9. De beslissing

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van deze uitspraak gelden.

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

zware mishandeling:

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (ACHT) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 3 (DRIE) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij reclassering Leger des Heils op het adres [adres 2] . De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- zich laat behandelen inzake agressieregulatie door een passende instelling voor ambulante forensische GGZ, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de

behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;

- indien hij niet (langer) bij zijn vader kan verblijven en geen passende huisvesting heeft, zal verblijven, indien de reclassering dit nodig acht, bij een passende instelling voor maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

De veroordeelde houdt zich aan de huisregels van de instelling en aan het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact heeft of zoekt met het slachtoffer [aangever] geboren op [geboortedatum 2] 2010, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;

- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

- meewerkt aan controle van het gebruik van cannabis om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd;

geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het -op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht- uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 4.000,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 30 juni 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever] ;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 4.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 30 juni 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever] ;

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 50 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.R. Aaron, voorzitter,

mr. G.H.M. Smelt, rechter,

mr. P. Figge, rechter,

in tegenwoordigheid van V. Grampon, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 december 2025.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.R. Aaron
  • mr. G.H.M. Smelt
  • mr. P. Figge

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?