Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/224104-22
Datum uitspraak: 10 oktober 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 26 april 2024, 22 juli 2024, 11 oktober 2024, 14 maart 2025 (alle pro forma) en 26 september 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.A. Kuipers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. S.R. Bordewijk naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3. De geldigheid van de dagvaarding
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 2 en 3 nietig is, omdat onvoldoende duidelijk is op welke zaken de tenlastelegging wel en niet ziet.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastelegging vermelding maakt van de feiten, de tijd en de pleegplaats en dat hetgeen aan de verdachte verweten wordt is gebaseerd op een beperkt aantal ambtshandelingen die zijn uitgewerkt in het dossier. Zij vindt de dagvaarding als geheel geldig.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 261, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het feit begaan zou zijn. Het tweede lid voegt daaraan toe dat de dagvaarding tevens de vermelding behelst van de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. Bij de uitleg van deze bepaling moet voortdurend in het oog worden gehouden dat de vraag centraal staat of de verdachte zich op basis van de tenlastelegging goed kan verdedigen. De opgave van het feit moet duidelijk en begrijpelijk, niet innerlijk tegenstrijdig en voldoende feitelijk zijn. Bij de verdachte mag er - tegen de achtergrond van het strafdossier en het voorbereidend onderzoek - redelijkerwijs geen twijfel over bestaan welke specifieke gedragingen hem worden verweten. Voor de rechtbank moet duidelijk en begrijpelijk zijn wat zij concreet te onderzoeken heeft.
De rechtbank acht de tekst van de tenlastelegging – in samenhang met de inhoud van het dossier – voldoende duidelijk, begrijpelijk, feitelijk en niet tegenstrijdig. Er bestaat redelijkerwijs geen twijfel over het antwoord op de vraag welke specifieke gedragingen de verdachte wordt verweten. De door de raadsman aangehaalde jurisprudentie werpt geen ander licht op het voorgaande. In de zaak van de rechtbank Amsterdam (ECLI:NL:RBAMS:2022:3697) ging het om een dossier van ruim 10.000 pagina’s, 11 verdachten en verscheidene pleegperioden. Die zaak en onderhavige zaak zijn dus niet vergelijkbaar. Ook de zaak van de rechtbank Rotterdam (parketnummer 10/000269-04) is geen vergelijkbare zaak, aangezien de verweten gedragingen daar onvoldoende feitelijk waren omschreven. Dat is in onderhavige zaak niet aan de orde. Bovendien is bij de bespreking van het tenlastegelegde ter terechtzitting gebleken dat het de verdachte was duidelijk waartegen hij zich moest verdedigen.
De rechtbank is gezien het bovenstaande van oordeel dat de tenlastelegging aan de vereisten van artikel 261 Sv voldoet en verwerpt daarom het verweer van de raadsman.
De dagvaarding is geldig.
4. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 4 ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het onder feit 1 tot en met feit 3 ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.
Op specifieke verweren wordt hierna – voor zover relevant – ingegaan.
Vrijspraak
De rechtbank is met betrekking tot het onder feit 4 ten laste gelegde, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 29 januari 2024 heeft de politie tijdens de doorzoeking in de woning aan de [adres] een geldbedrag van € 9.260,- aangetroffen en onder de verdachte in beslag genomen. De verdachte heeft in eerste instantie geen duidelijk inzicht gegeven in de herkomst van voornoemd beslag genomen geldbedrag.
De verdachte heeft uiteindelijk, op 20 november 2024, bij de politie over de herkomst van het geldbedrag verklaard dat hij € 10.000,- contant van [getuige] (hierna: [getuige] ) heeft geleend, ten behoeve van het opzetten van een tweede onderneming. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte daarmee een verklaring over de herkomst van het geldbedrag heeft gegeven, die concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Het Openbaar Ministerie heeft nader onderzoek verricht naar de door de verdachte gestelde alternatieve herkomst van het geldbedrag, bestaande uit het verhoren van de getuige [getuige] . [getuige] heeft, net als de verdachte, verklaard dat hij € 10.000,- contant aan de verdachte heeft uitgeleend, omdat de verdachte bezig was met zijn nieuwe onderneming. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat niet kan worden uitgesloten dat het geldbedrag een legale herkomst heeft. Dit betekent dat niet is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde geldbedrag heeft witgewassen, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft als bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Bewijsoverwegingen
De identificatie van de verdachte
De verdenking is in deze zaak gericht op een persoon die met anderen communiceerde middels de communicatiedienst SkyECC, gebruikmakend van de Sky-ID’s [account 1] en [account 2] . Daarom moet eerst worden vastgesteld of de verdachte de persoon is die achter deze Sky-ID’s schuilgaat.
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte niet de gebruiker is van deze Sky-ID’s en subsidiair dat niet buiten twijfel vaststaat dat alle berichten op de verdachte betrekking hebben, omdat de identificatie heeft plaatsgevonden op grond van gegevens die dateren van vóór de berichten die gaan over de ten laste gelegde feiten. De rechtbank volgt de raadsman niet, gelet op de inhoud van de met deze Sky-ID’s gevoerde chatgesprekken. De rechtbank wijst onder meer op het chatgesprek tussen [account 1] (een van de aan de verdachte toegeschreven ID’s) en [account 3] waarbij in twee van de drie ten laste gelegde pleegperiodes door [account 1] foto’s van de voor- en achterkant van het rijbewijs van de verdachte worden gedeeld. Daar komt bij dat uit een chatgesprek kan worden afgeleid dat [account 1] de vader is van de gebruiker van het Sky-ID [account 4] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte] ). Verder is niet gebleken van een wisseling van personen met betrekking tot het gebruik van voornoemde Sky-ID’s.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen dan ook vast dat de verdachte de (vaste) gebruiker was van de Sky-ID’s [account 1] en [account 2] .
Bewijsminimum
De raadsman heeft met betrekking tot de ten laste gelegde feiten 1 tot en met 3 betoogd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte verdovende middelen voorhanden heeft gehad, omdat deze niet daadwerkelijk zijn aangetroffen en daarmee ook niet is vastgesteld dat het om verdovende middelen gaat. Dat sprake is geweest van verdovende middelen kan niet enkel uit de berichten worden gehaald, er moet volgens de raadsman méér zijn.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Ondanks dat de middelen die te zien zijn op de verschillende afbeeldingen binnen de verschillende chatgesprekken genoemd in de bewijsmiddelen niet zijn aangetroffen dan wel getest, acht de rechtbank op basis van die chatgesprekken en afbeeldingen wel bewezen dat de verdachte cocaïne in zijn bezit heeft gehad. De afbeeldingen ondersteunen immers de inhoud van de chatgesprekken.
Tevens is in de onderhavige zaak, zoals blijkt uit de verdere inhoud van dit vonnis, niet slechts sprake van één chatgesprek met één ander account, maar is sprake van chatberichten binnen meerdere gesprekken met een aantal verschillende accounts op meerdere data en zijn er – zoals reeds benoemd – afbeeldingen verstuurd die de inhoud van de tekstberichten ondersteunen. Anders dan de raadsman is de rechtbank dan ook van oordeel dat is voldaan aan het bewijsminimum (zie ook: ECLI:NL:HR:2023:474).
Feit 1
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op 14 december 2020 naar de medeverdachte [medeverdachte] een afbeelding stuurt van een blok cocaïne. Vervolgens koopt [medeverdachte] in overleg met de verdachte twee vijverpompen en verpakt hij, steeds in overleg met de verdachte, de vijverpomp met daarin één blok cocaïne in één doos en een vijverpomp met daarin twee blokken cocaïne in een andere doos. Op 21 december 2020 verstuurt [medeverdachte] , weer in overleg met de verdachte, in elk geval één doos met daarin de vijverpomp en cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk. Op 23 december 2020 verstuurt [medeverdachte] weer in elk geval één doos met daarin de vijverpomp en cocaïne naar het Verenigd Koninkrijk. De politie heeft duiding gegeven aan de verschillende termen en begrippen die in de chatgesprekken zijn gebruikt. De rechtbank volgt die uitleg van de politie. Zo is deze duiding in lijn met hetgeen de rechtbank ambtshalve bekend is geworden uit andere Opiumwetzaken. Daarbij komt dat deze duiding doorgaans past bij de context van de gevoerde gesprekken en de samenhang tussen chatberichten en afbeeldingen die bij sommige chatberichten zijn verstuurd.
Medeplegen
Uit de chats blijkt dat [medeverdachte] , in overleg met de verdachte, de feitelijke handelingen heeft uitgevoerd en hierbij telkens de verdachte meeneemt in het proces door aan hem afbeeldingen te sturen en hem op de hoogte te houden van het verloop van het proces. Ook geeft de verdachte instructies aan [medeverdachte] . Gelet daarop was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] , zodat sprake is van medeplegen.
Conclusie
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 ten laste gelegde in de periode van 14 december 2020 tot en met 23 december 2020.
Feit 2
Uit de bewijsmiddelen, te weten de chatgesprekken tussen de verdachte, [medeverdachte] en de gebruiker [account 5] van 7 en 8 februari 2021, leidt de rechtbank af dat gesprekken worden gevoerd over het verhandelen van cocaïne. In deze gesprekken wordt gesproken over het ophalen, vervoeren en het opslaan van cocaïne. Tevens wordt er in de gesprekken een foto gestuurd van cocaïne. Zoals de rechtbank reeds ten aanzien van feit 1 heeft overwogen, heeft de verdachte samen met [medeverdachte] tevens tussen 14 december en 23 december 2020 een hoeveelheid cocaïne opzettelijk aanwezig gehad.
Medeplegen
Naast hetgeen overwogen ten aanzien van feit 1, blijkt uit de chats dat de verdachte met [medeverdachte] en de gebruiker [account 5] drugsgerelateerde gesprekken heeft gevoerd over de handel in cocaïne. Gelet daarop was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en deze tegencontacten, zodat sprake is van medeplegen.
Conclusie
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 ten laste gelegde in de periode van 14 december 2020 tot en met 8 februari 2021.
Feit 3
Opzet op voorbereidingshandelingen
Voor een bewezenverklaring van voorbereidingshandelingen in de zin van de Opiumwet is vereist dat de verdachte het opzet heeft gehad dat hij met zijn handelen het bewerken en het verhandelen van harddrugs bevorderde.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte als gebruiker van het Sky-ID [account 2] gesprekken heeft gevoerd met andere gebruikers over de uitvoer van, en handel in cocaïne. De verdachte heeft het met zijn tegencontacten over de beschikbaarheid en prijzen van cocaïne, de handel in cocaïne en het transport van cocaïne naar het buitenland. Tevens worden foto’s van – naar alle waarschijnlijkheid – blokken cocaïne naar elkaar gestuurd. Ook worden in de chatgesprekken regelmatig afkortingen gebruikt die duiden op verdovende middelen, de herkomst van verdovende middelen en de prijzen van verdovende middelen. De politie heeft duiding gegeven aan de verschillende termen en begrippen die in de chatgesprekken zijn gebruikt. De rechtbank volgt die uitleg van de politie, ook omdat deze duiding past bij de context van de gevoerde gesprekken en de samenhang tussen chatberichten en afbeeldingen die bij sommige chatberichten zijn verstuurd. De rechtbank is gelet op de inhoud van deze chats van oordeel dat de verdachte opzet heeft gehad op het plegen van de voorbereidingshandelingen ten aanzien van de uitvoer van en de handel in cocaïne.
Medeplegen
Uit de chats blijkt dat de verdachte met meerdere personen drugsgerelateerde gesprekken heeft gevoerd waarin concrete informatie is uitgewisseld over onder meer beschikbaarheid, hoeveelheden, prijzen en transport van verdovende middelen. Gelet daarop was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en deze tegencontacten, en daarmee van medeplegen.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij in de periode van 14 december 2020 tot en met 23 december 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,
- opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, immers heeft verdachte meerdere blokken cocaïne, middels vijverpompen en/of pakketten van Nederland naar de United Kingdom (laten) vervoeren en (aldus) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne, (een) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij in de periode van 14 december 2020 tot en met 8 februari 2021 in Nederland, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, hoeveelheden cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij in de periode van 20 september 2020 tot en met 27 februari 2021 in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van hoeveelheden cocaïne (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en te bevorderen, zich en anderen gelegenheid en inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, immers heeft verdachte:
- inlichtingen en foto’s van verdovende middelen uitgewisseld met betrekking tot de koop en verkoop van die verdovende middelen en
- geld (171.400 Euro) in ontvangst genomen en/of betaling(en) gedaan en/of laten doen ten behoeve van de aanschaf en/of verkoop van verdovende middelen en/of
- ontmoetingen gehad met en/of (telefonische) afspraken gemaakt met en/of besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten (door)gegeven aan zijn mededader(s)) en/of een of meer anderen, om verdovende middelen te kopen en/of verkopen en/of in ontvangst te nemen en/of te vervoeren en/of
voorwerpen, gelden voorhanden gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, hebbende verdachte en zijn mededaders
- één of meerdere PGP-telefoons, althans encryptie-telefoons, voorhanden gehad.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
6. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
7. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie disproportioneel is en dat deze naar beneden moet worden bijgesteld.
De raadsman heeft voorts verzocht het geschorste bevel voorlopige hechtenis op te heffen, subsidiair de schorsing te laten voortduren.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De ernst van de feiten
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van verschillende drugsgerelateerde feiten gedurende een langere periode, waaronder uitvoer naar het Verenigd Koninkrijk. Het is algemeen bekend dat drugs schadelijk zijn en daarmee een ernstige bedreiging vormen voor de volksgezondheid. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat een aanmerkelijk deel van de criminaliteit waarmee de maatschappij te maken heeft, direct of indirect haar oorsprong vindt in het gebruik van drugs. De verdachte heeft zich bij het plegen van voornoemde feiten kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen financiële gewin, zonder zich te bekommeren om de gezondheidsrisico’s voor anderen of de nadelige gevolgen van de mogelijk daarmee gepaard gaande criminaliteit. De werkwijze van de verdachte was professioneel. De verdachte communiceerde met zijn mededaders via versleutelde Skyberichten. Door middel van zijn handelen, heeft hij een bijdrage geleverd aan de instandhouding van (internationale) drugshandel.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 29 januari 2024, waaruit blijkt dat hij de afgelopen vijf jaren niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
De straf
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.
De rechtbank komt tot een lagere straf dan de officier van justitie heeft geëist, omdat blijkens zijn strafblad geen sprake is van recidive. Uit het dossier is verder niet gebleken dat de verdachte ten opzichte van [medeverdachte] (in het algemeen) een sterke aansturende rol heeft gehad.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
Voorlopige hechtenis
Het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte is per 23 juli 2024 geschorst. Aan de voorlopige hechtenis ligt de recidivegrond ten grondslag. Sinds zijn invrijheidsstelling op 23 juli 2024 zijn er geen aanwijzingen dat de verdachte zich nog schuldig heeft gemaakt aan enig strafbaar feit. Gelet hierop is de recidivegrond naar het oordeel van de rechtbank niet meer van toepassing.
Nu geen grond meer aanwezig is voor de voortduring van de voorlopige hechtenis, zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis, zoals eerder al is besloten ten aanzien van de medeverdachte [medeverdachte] , opheffen.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 47 van het Wetboek van Strafrecht;
- 2 en 10a, van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 3:
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderden, zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en voorwerpen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
en
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderden, zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit te verschaffen en voorwerpen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 42 (TWEEËNVEERTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.J. van de Griend, voorzitter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,
in tegenwoordigheid van V. Grampon, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 oktober 2025.