[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. M.A.L. van de Glind),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M.M. van Duren).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 juni 2025 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland volgens de minister verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiseres heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL25.26641).
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Eiseres was niet aanwezig.
Bij uitspraak van 21 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen toegewezen, om eiseres in de gelegenheid te stellen aangifte te doen van mensenhandel en de uitkomst hiervan in Nederland af te wachten.
Bij bericht van 23 juli 2025 heeft eiseres laten weten dat zij naar aanleiding van de afspraak van 13 juli 2025 een nieuwe afspraak heeft ingepland voor het doen van aangifte met de afdeling zeden op 28 juli 2025.
Bij bericht van 31 juli 2025 heeft eiseres laten weten dat de politie heeft medegedeeld dat het opsporingsonderzoek naar aanleiding van de aangifte van verkrachting is gestaakt wegens gebrek aan voldoende objectief bewijs. De zaak is door de officier van justitie opgelegd. Een brief van de politie van 29 juli 2025 is als bijlage gevoegd.
Bij bericht van 31 juli 2025 heeft de rechtbank aan partijen laten weten dat zij een voortzetting van het onderzoek ter zitting niet nodig acht en gevraagd een wens voor een nadere behandeling van het beroep ter zitting uiterlijk 15 augustus 2025 gemotiveerd kenbaar te maken. De minister heeft op 31 juli 2025 laten weten dat zij een nadere zitting in de zaak van eiseres niet nodig acht. Eiseres heeft niet laten weten dat zij een voortzetting van het onderzoek ter zitting wenst.
De rechtbank heeft bepaald dat een voortzetting van het onderzoek ter zitting achterwege wordt gelaten en het onderzoek gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De rechtbank zal zo nodig ambtshalve een verdere beoordeling maken van het risico om na overdracht in een met artikel 4 Handvest-strijdige situatie te geraken.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1986 en heeft de Ugandese nationaliteit. Eiseres heeft op 17 april 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit EU-Vis is gebleken dat aan verzoekster een Schengenvisum is verleend door de autoriteiten van Zwitserland dat geldig was van 5 april 2025 tot 11 april 2025. Om die reden heeft Nederland op 12 mei 2025 bij Zwitserland een verzoek om overname gedaan op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. Zwitserland heeft dit verzoek bij bericht van 20 mei 2025 aanvaard.
Het standpunt van eiseres
6. Eiseres voert (samengevat) aan dat zij gelet op haar psychische gesteldheid en vanwege haar concrete vrees gerelateerd aan de mensenhandelaar bij een overdracht aan Zwitserland een reëel risico loopt op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 EVRM, waartegen zij door de autoriteiten van Zwitserland mogelijk niet afdoende kan worden beschermd. De minister heeft zich volgens eiseres dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat Zwitserland voor haar een veilig land is. Daar komt bij dat eiseres bijzondere behoeften heeft aan zorg, bescherming en psychosociale ondersteuning die in een standaard opvang situatie niet gegarandeerd zijn en betwijfelt of Zwitserland adequate bescherming en opvang kan bieden. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar een aanbevelingsrapport van GRETA (de Raad van Europa Group of Experts on Action against Trafficking in Human Beings). Gelet op de bijzondere en schrijnende omstandigheden van eiseres is zij dan ook van mening dat de minister in redelijkheid gebruik had moeten maken van de discretionaire clausule van artikel 17 van de Dublinverordening.
Het oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank overweegt dat, nu niet is gebleken van een aangifte mensenhandel en een daaruit volgend opsporingsonderzoek, eiseres geen aanspraak maakt op tijdelijk rechtmatig verblijf in de zin van paragraaf B8/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (B). Hieruit kan dan ook niet volgen dat Nederland verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag van eiseres en zij om die reden in de nationale asielprocedure dient te worden opgenomen. Ook is niet in geschil dat Zwitserland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiseres. Dat eiseres niet eerder dan in de beroepsfase in de gelegenheid is gesteld om aangifte te doen van mensenhandel, verandert dit niet. De rechtbank gaat om die reden over tot een bespreking en inhoudelijke beoordeling van de (overige) beroepsgronden.
8. De minister mag in beginsel ten opzichte van Zwitserland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Eiseres moet aannemelijk maken dat dit in haar geval niet kan omdat de asielprocedure en/of opvangvoorzieningen in Zwitserland een fundamentele systeemfout bevat(ten) die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereikt als bedoeld in het arrest Jawo.
9. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd het voorgaande aannemelijk te maken en is ook na een ambtshalve beoordeling niet gebleken dat eiseres na overdracht aan Zwitserland in een situatie terecht zal komen die strijdig is met artikel 3 EVRM of artikel 4 EU-Handvest. Met betrekking tot de vermoedens van eiseres dat de mensenhandelaar in Nederland ook connecties heeft in Zwitserland, overweegt de rechtbank dat, hoe begrijpelijk ook dat dit eiseres angstig maakt, sprake is van een subjectieve vrees die op zichzelf nog niet maakt dat eiseres zich hiervoor niet zou kunnen wenden tot de politie in Zwitserland. Bovendien kan de rechtbank uit de verklaringen van eiseres geen (andere) belemmeringen of problemen opmaken, bijvoorbeeld doordat zij eerder mislukte pogingen heeft ondervonden om hulp te krijgen van de autoriteiten aldaar, die het inroepen van bescherming in Zwitserland onmogelijk zouden maken. De minister heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat eiseres zich bij voorkomende problemen dient te wenden tot de Zwitserse autoriteiten en dat niet is gebleken dat zij eiseres niet zouden kunnen of willen helpen.
10. Ten aanzien van de bescherming en opvang voor slachtoffers mensenhandel in Zwitserland heeft eiseres eveneens niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een behandeling die de drempel van zwaarwegendheid haalt. De rechtbank overweegt dat nu primair mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, op grond van artikel 21 en 22 van de Opvangrichtlijn mag worden verwacht dat Zwitserland rekening houdt met de specifieke situatie van kwetsbare personen zoals slachtoffers van mensenhandel en beoordeelt of de betreffende persoon bijzondere opvangbehoeften heeft. De minister heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat het door eiseres aangehaalde aanbevelingsrapport van GRETA er niet toe leidt dat de vergewisplicht van de minister wordt geactiveerd om te onderzoeken of eiseres daadwerkelijk (passende) opvang gaat krijgen. Volgens het meest recente AIDA rapport ten aanzien van Zwitserland volgt uit het aanbevelingsrapport van GRETA namelijk niet dat is gebleken dat de Zwitserse autoriteiten onverschillig staan ten opzichte van slachtoffers mensenhandel. Maar dat het op voorhand al duidelijk is dat Zwitserland niet kan voldoen aan de bescherming- en opvangbehoeften, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank hiermee niet aannemelijk gemaakt.
11. In aanvulling op het voorgaande overweegt de rechtbank, hetgeen uitvoerig is besproken ter zitting, dat gebruik kan worden gemaakt van de uitwisseling van gegevens voordat de daadwerkelijke overdracht aan Zwitserland plaatsvindt. Artikel 32 van de Dublinverordening biedt namelijk de mogelijkheid om bijzondere behoeften te delen met de Zwitserse autoriteiten, welke niet enkel hoeven te zien op medische informatie. Bovendien ligt hierdoor het initiatief niet meer bij eiseres om haar problemen op eigen houtje kenbaar te maken na overdracht, maar kan hier op voorhand vanuit Nederland op worden geanticipeerd en de aandacht aan worden besteed die nodig is. Naar het oordeel van de rechtbank biedt deze mogelijkheid van gegevensuitwisseling dan ook voldoende waarborgen met betrekking tot de (medische) situatie van eiseres bij het tenuitvoerleggen van de overdracht aan Zwitserland en is het vragen van aanvullende garanties of nader onderzoek doen naar de opvangmogelijkheden niet noodzakelijk. Te meer nu eiseres voor het uitwisselen van dergelijke gegevens toestemming moet geven en het daarmee dus controleerbaar is of haar situatie daadwerkelijk is gedeeld. Eiseres kan voorts te alle tijden bezwaar maken tegen de feitelijke overdracht als van deze mogelijkheid volgens haar ten onrechte geen of onvoldoende gebruik is gemaakt.
12. In de laatste plaats overweegt de rechtbank dat de minister in de kwetsbare positie en ervaringen van eiseres niet ten onrechte onvoldoende aanleiding heeft gezien om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening. De minister heeft de door eiseres aangedragen feiten en omstandigheden voldoende in onderlinge samenhang betrokken bij zijn (deel)beslissing om de asielaanvraag van eiseres niet onverplicht te behandelen. De rechtbank vindt de uitkomst hiervan niet onredelijk en de minister heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat een overdracht aan Zwitserland in geval van eiseres niet onevenredig hard is.
Conclusie en gevolgen
13. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling hoeven nemen omdat Zwitserland hiervoor verantwoordelijk is en de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om de asielaanvraag onverplicht te behandelen. Eiseres krijgt dus geen gelijk.
14. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. D. Janssens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 22 augustus 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.