ECLI:NL:RBDHA:2025:27789

ECLI:NL:RBDHA:2025:27789

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-12-2025
Datum publicatie 30-03-2026
Zaaknummer NL24.47422
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Nareis ouders bij referent, minder- of meerderjarigheid, onzorgvuldige leeftijdsschouw, de minister heeft de presumptie van minderjarigheid onvoldoende ontzenuwd, beroep gegrond.

Uitspraak

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag 1] 1955, eiser,

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag 2] 1966, eiseres,

beide van Syrische nationaliteit, hierna samen te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. M. Issa),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvragen om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis om bij hun zoon (referent) in Nederland te verblijven.

De minister heeft deze aanvragen met het besluit van 5 februari 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 november 2024 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referent, M. Alhamvi als tolk in de Arabische taal en de gemachtigde van de minister. Ook de broer van referent was aanwezig.

Het griffierecht

2. Eisers zijn wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eisers heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.

Voorgeschiedenis

4. Referent is op 15 juni 2020 in het bezit gesteld van een asielvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 28 van de Vw. Uit zijn asielbeschikking volgt dat de minister zijn geboortedatum heeft vastgesteld op [geboortedag 3] 1999 naar aanleiding van een leeftijdsschouw die heeft plaatsgevonden. Referent was daarom volgens de minister al meerderjarig tijdens zijn aanmelding in Nederland.

Op 2 juli 2020 hebben eisers aanvragen voor een mvv ingediend om bij referent in Nederland te verblijven. Met het besluit van 5 februari 2021 heeft de minister de aanvragen afgewezen omdat hij referent meerderjarig acht en zijn ouders daarom geen afgeleide verblijfsvergunning kunnen krijgen. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing en zijn in bezwaar gegaan. Met het bestreden besluit van 13 oktober 2021 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing gebleven. Eisers zijn vervolgens in beroep gegaan. Op 17 mei 2023 heeft de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch het beroep van eisers gegrond verklaard. De rechtbank volgt de minister niet in zijn betoog dat de meerderjarigheid van referent in de asielprocedure vast is komen te staan. Door de bevindingen van de leeftijdsschouw als vaststaand aan te nemen, heeft de minister een onjuist uitgangspunt gehanteerd bij de beoordeling van onder meer de overgelegde documenten en de door referent afgelegde verklaringen. Naar het oordeel van de rechtbank is het standpunt van de minister dat referent ten tijde van belang al meerderjarig was – en daarmee het bestreden besluit – daarom onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar. De minister is tegen deze uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gegaan. De Afdeling heeft met haar uitspraak van 9 augustus 2024 het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister heeft vervolgens een nieuw besluit genomen. Met dit bestreden besluit van 14 november 2024 is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.

Uitspraak van de rechtbank van 17 mei 2023

5. De gemachtigde van eisers heeft op de zitting opgemerkt dat de rechtbank in de eerder genoemde uitspraak van 17 mei 2023 de leeftijdsschouw volledig heeft getoetst en heeft geoordeeld dat de leeftijdsschouw onzorgvuldig tot stand is gekomen. Nu de Afdeling op 9 augustus 2024 de uitspraak van de rechtbank heeft bevestigd, is dit in rechte vast komen te staan. Als de leeftijdsschouw in onderhavige zaak nogmaals getoetst wordt, wordt hiermee de uitspraak van de rechtbank in twijfel getrokken en dat is in strijd met de goede procesorde. 5.1. Uit de zogenoemde de “Brummenlijn” volgt dat slechts nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden een hernieuwde beoordeling van eerder door de rechter verworpen beroepsgronden kunnen rechtvaardigen.

De rechtbank overweegt dat – in tegenstelling tot wat de gemachtigde op de zitting heeft gesteld – in de uitspraak van de rechtbank van 17 mei 2023 geen oordeel is gegeven over dat de leeftijdsschouw geen bruikbaar middel is voor de beoordeling van de leeftijd van referent. De rechtbank heeft in die uitspraak enkel geoordeeld dat de minister ten onrechte de bevindingen van de leeftijdsschouw als vaststaand heeft aangenomen en daarom onvoldoende heeft gemotiveerd dat referent ten tijde van belang al meerderjarig was. Deze rechtbank kan in onderhavige zaak daarom de leeftijdsschouw volledig toetsen.

Juridisch kader

6. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025 volgt dat in het algemeen de leeftijdsschouw zorgvuldig is en dat het beleid van de minister, zoals dat in de Vc en in de Werkinstructie 2023/6 is uitgewerkt, op een zorgvuldige wijze is vormgegeven en redelijk is. De leeftijdsschouw is een bruikbaar middel voor de vaststelling of er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd van een vreemdeling. Daarbij moet worden benadrukt dat, om tot een zorgvuldige schouw te komen in een individuele zaak, het van belang is dat de verslaglegging zorgvuldig gebeurt en dat alle observaties, vanaf de ontmoeting tot aan de afsluiting, in het verslag staan beschreven. Ook moeten de conclusies van de schouw in de verslaglegging worden verbonden aan de observaties tijdens het gehoor, bestaande uit de uiterlijke kenmerken, verklaringen en gedragingen van een vreemdeling. Alleen dan is een leeftijdsschouw voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent. Dat brengt met zich dat als de leeftijdsschouw niet zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is, de leeftijdsschouw geen bruikbaar middel is voor de beoordeling van de leeftijd van de vreemdeling. De minister moet in dat geval blijven uitgaan van de presumptie van minderjarigheid en dan is het aan hem om de stelling van een vreemdeling over zijn leeftijd te ontzenuwen.

Minder- of meerderjarigheid

Leeftijdsschouw

7. De minister stelt zich op het standpunt dat er een leeftijdsschouw heeft plaatsgevonden bij zowel de AVIM als de IND. Uit deze schouw is door zowel de AVIM als de IND geconcludeerd dat referent evident meerderjarig is. Verder heeft de minister op de zitting toegelicht dat de medewerkers getraind worden en dat de AVIM en de IND precies dezelfde kenmerken hebben geconcludeerd namelijk dat referent een duidelijk zichtbare adamsappel heeft, stoppels en duidelijke rimpels op het voorhoofd. Verder heeft de minister toegelicht dat de leeftijdsschouw maar een onderdeel is van de motivering waarom de minister uitgaat van meerderjarigheid bij referent en dat er ruimte is voor de minister om de presumptie van minderjarigheid te ontzenuwen.

De rechtbank is van oordeel dat de leeftijdsschouwen van de AVIM en de IND in deze zaak niet voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn. Daartoe betrekt zij het volgende. De lichamelijke kenmerken die zijn benoemd kunnen betrekking hebben op zowel meerder- als minderjarigheid. Zo acht de rechtbank het niet vreemd dat een jongen in de puberteit al stoppels heeft. Ook minderjarige jongens kunnen al stoppels hebben, vooral in de puberteit. Dit is geen eenduidige indicatie voor meerderjarigheid. Te meer nu bepaalde etnische groepen meer baardgroei vertonen, wat niet noodzakelijkerwijs wijst op meerderjarigheid, aangezien dit ook al op minderjarige leeftijd kan voorkomen. Het is bovendien onduidelijk met welke referentiegroep de baardgroei van referent is vergeleken om dit als indicatie voor meerderjarigheid te beschouwen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat rimpels op het voorhoofd ook sneller kunnen ontstaan door wat iemand in het verleden allemaal heeft meegemaakt. Dat referent een duidelijk zichtbare adamsappel heeft zou in theorie meerderjarigheid kunnen aantonen, maar ook daar valt over te twisten. In ieder geval is niet onderbouwd waarom dit een indicatie voor meerderjarigheid zou zijn. In beide leeftijdsschouwen wordt niet duidelijk gemaakt welke kenmerken op welke manier specifiek tot de conclusie leiden dat referent evident meerderjarig is.

Verder heeft de AVIM in de schouw opgenomen dat er “andere opvallende lichamelijke kenmerken” zijn maar niet wordt uitgelegd wat deze andere opvallende lichamelijk kenmerken zijn en of deze duiden op minder- of meerderjarigheid. Ook heeft de AVIM het gedrag van referent opgenomen in de schouw wat zou duiden op evidente meerderjarigheid. Zo staat er in de schouw dat betrokkene over elke vraag moet nadenken en dat hij heeft gezegd dat hij zich verschillende dingen niet kan herinneren. Verder is in de schouw opgenomen dat referent op elke vraag reageert met weinig emotie en dat hij heeft verteld dat hij een paar jaar op school heeft gezeten en niet goed kan lezen of schrijven. Ook heeft referent verklaard dat hij in groep drie, twaalf of dertien jaar oud was, is blijven zitten, op school heeft gezeten tot groep 7 waarna de bombardementen kwamen en dat hij het land heeft verlaten toen hij vijftien jaar oud was in 2014. De rechtbank begrijpt niet waarom dit gedrag en deze verklaringen duiden op evidente meerderjarigheid. Daar komt bij dat de AVIM verder ook niet onderbouwd heeft waarom deze gedragingen en verklaringen kenmerkend zijn voor meerderjarigheid.

Uit de schouw van de IND volgt dat referent nerveus overkomt en dat hij tijdens het gehoor veel in zijn handen wrijft. Ook praat referent met een zware stem en is hij verder rustig. De rechtbank oordeelt hierover dat niet duidelijk is wat bedoel wordt met “een zware stem”. Referent is niet gevraagd of hij zelf vindt dat hij een zware stem heeft en of hiervoor wellicht een medische of andere verklaring is en met wie de schouwers de stem van referent dan kennelijk hebben vergeleken om dit een relevante waarneming te achten. De schouwbevindingen zijn niet inzichtelijk omdat niet duidelijk is waarom de vermelde observaties relevant zijn voor de leeftijdsbepaling en omdat niet is gemotiveerd waarom de observaties tot de conclusies leiden zoals de schouwers die hebben geformuleerd.

In het geheel is in beide leeftijdsschouwen daarom onvoldoende verbinding gemaakt tussen de kenmerken, gedragingen en verklaringen van referent en de conclusie dat hij evident meerderjarig is. Zowel de AVIM als de IND hebben immers volstaan met een opsomming van de lichamelijke kenmerken en gedragingen en verklaringen van referent en daarop tot evidente meerderjarigheid geconcludeerd. De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat de leeftijdsschouwen van referent onvoldoende zorgvuldig, concludent en inzichtelijk zijn.

Daar komt nog bij dat het schouwen niet geschiedt door wetenschappers of andere deskundigen met specifieke expertise op het gebied van minderjarigen. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 25 juni 2024 waarin de rechtbank heeft overwogen dat ook een “hoormedewerker AMV”, doorgaans, niet beschikt over een wetenschappelijke opleiding in gedragswetenschappen, psychologie, antropologie, biologie, orthopedagogiek en doorgaans ook geen ervaring zal hebben als sociaal-maatschappelijk werker met minderjarigen als doelgroep. Het multidisciplinaire karakter van de schouw bestaat enkel uit het volgen van opleidingsmodules van professionals met een dergelijke wetenschappelijke opleiding en/of ervaring. Gelet op de beperkte duur van de schouwopleiding en de nog meer beperkte duur van elke afzonderlijke module en gelet op de omstandigheid dat geen “kind-gerelateerde” voorkennis is vereist om als schouwer te kunnen worden opgeleid, heeft de rechtbank in voornoemde uitspraak overwogen dat de schouw als zodanig een te weinig wetenschappelijke basis heeft en dat de schouw geen multidisciplinair karakter heeft gelet op diegenen die belast zijn met het schouwen. De rechtbank volgt de minister dus ook niet voor zover hij op de zitting heeft toegelicht dat de medewerkers een speciale training krijgen in het schouwen. Dit zou namelijk tenminste een jarenlange wetenschappelijke opleiding vergen en dan nog rijst de vraag of het observeren gedurende een zeer korte tijd in een gehoorsetting van iemand die zich in een vluchtsituatie bevindt en onzeker is of bescherming zal worden geboden, een basis kan vormen op grond waarvan valide uitspraken gedaan kunnen worden over de biologische leeftijd.

Gelet op voorgaande zijn de leeftijdsschouwen in deze zaak dus geen bruikbaar middel voor de beoordeling van de leeftijd van referent en geldt de presumptie van minderjarigheid. Het is daarom aan de minister om de presumptie van minderjarigheid te ontzenuwen. De vraag is of de minister dit voldoende heeft gedaan.

Overgelegde documenten

8. De minister stelt zich verder op het standpunt dat referent geen authentieke identificerende documenten heeft overgelegd om zijn geboortedatum aan te tonen. De documenten die referent wel heeft overgelegd namelijk het familieboekje, het familie uittreksel en een individueel uittreksel, zijn onderzocht door Bureau Documenten en positief beoordeeld. De overgelegde documenten zijn echter geen identificerende documenten en bovendien recent afgegeven waardoor ze minder betrouwbaar zijn. Daarnaast zegt het positieve advies van Bureau Documenten niets over de inhoud van de documenten. Ook valt op dat de informatie over referent op de documenten niet overeenkomt met zijn eigen verklaringen. Zo heeft referent meerdere keren verklaard dat hij is geboren op [geboortedag 4] 2002 terwijl op de overgelegde documenten referent is geregistreerd met een geboortedatum van [geboortedag 4] 2003. Daarnaast vindt de minister het vreemd dat referent (als enige) op 10 maart 2020 is geregistreerd in Syrië terwijl alle andere gezinsleven, volgens het nieuwe familieboekje, zijn geregistreerd kort na hun geboorte. Verder is het geboorte uittreksel van referent, in tegenstelling tot zijn andere documenten, in [plaats] verkregen. Referent heeft na zijn asielbeschikking op grond van de overgelegde documenten, zijn geboortedatum aangepast in het BRP. Omdat de minister niet uitgaat van de inhoud van het familieboekje, wordt de aangepaste datum in het BRP ook niet gevolgd. Verder heeft referent verschillend verklaard over zijn leeftijd/geboortedatum in de gehoren.

Over het in beroep overgelegde paspoort stelt de minister dat het paspoort door Bureau Documenten als echt is bevonden maar dat over de inhoud geen conclusies konden worden getrokken. Verder volgt uit het paspoort dat deze is aangevraagd door een familielid. Het paspoort kan worden aangevraagd op basis van een individueel uittreksel en familieboekje. Dit zijn nu net de documenten die de minister al heeft ontvangen en waar de minister vraagtekens bij heeft. Verder kan het paspoort niet afdoen aan de door referent afgelegde tegenstrijdige en vreemde verklaringen, nu niet kan worden vastgesteld dat het paspoort afkomstig is van het bevoegd gezag. Uit het ambtsbericht Syrië van 2015 en 2017 (hetgeen niet is gewijzigd in latere ambtsberichten) blijkt dat in de praktijk het vervalsen of namaken van paspoorten wijdverspreid is, zodat niet vast kan komen te staan dat het paspoort door de bevoegde autoriteiten is afgegeven.

De rechtbank is van oordeel dat de minister de presumptie van minderjarigheid onvoldoende heeft ontzenuwd. De rechtbank volgt de minister dat referent tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd in zijn gehoren. Zo heeft referent ten tijde van zijn asielprocedure verklaard dat hij is geboren op [geboortedag 4] 2002. In het proces-verbaal van 11 januari 2020 heeft referent ook verklaard dat hij op deze datum is geboren. In zijn aanmeldgehoor heeft referent verklaard dat hij zeventien jaar en zeven of acht maanden is. Verder heeft referent verklaard dat hij ongeveer dertien jaar oud was toen hij in 2013 was gestopt met school en begon met werken. Daarnaast heeft referent verklaard dat hij vijftien jaar oud was toen hij in 2014 vanuit Raqqa naar Turkije is vertrokken. Dit zou betekenen dat referent in 1999 of 2000 is geboren. Tijdens de hoorzitting op 15 november 2022 heeft referent verder verklaard dat hij achttien jaar is en volgend jaar negentien jaar gaat worden. Dit zou betekenen dat referent in 2004 is geboren. Verder heeft referent verklaard dat hij eerder de geboortedatum van [geboortedag 4] 2002 heeft genoemd omdat hij dit van zijn ouders had gehoord. Toen hij in het bezit kwam van het familieboekje wist hij zeker dat zijn geboortedatum [geboortedag 4] 2003 is. Omdat in deze verklaringen van referent enige inconsistentie zit, heeft de minister mogen twijfelen aan de geboortedatum van referent. Maar dat betekent naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat op basis van die twijfel de meerderjarigheid van referent is vastgesteld. De minister heeft namelijk gedurende de eerdere en deze procedure aangegeven dat referent een identificerend document zoals een paspoort dient te overleggen om de twijfel weg te nemen. Zo heeft de minister in het bestreden besluit opgenomen dat “Uw geboortedatum kan in dit geval immers enkel gewijzigd worden als u met authentieke identificerende documenten kunt bewijzen wat uw daadwerkelijke geboortedatum is”. Dit is referent uiteindelijk ook gelukt. Hij heeft namelijk een door Bureau Documenten echt bevonden paspoort overgelegd. Daarnaast heeft referent meerdere brondocumenten overgelegd zoals een familieboekje, het familie uittreksel en een individueel uittreksel waarop de geboortedatum van [geboortedag 4] 2003 staat geregistreerd. Deze documenten zijn door Bureau Documenten allen positief beoordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft referent hiermee zijn minderjarigheid met voldoende objectiveerbare stukken aannemelijk gemaakt.

De kritiek van de minister op de overgelegde brondocumenten en de stelling van de minister dat het bevreemdend is dat referent pas in 2020 is ingeschreven in de burgerlijke stand maken het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank overweegt dat alleen al het feit dat referent meerdere authentieke door Bureau Documenten echt bevonden documenten heeft overgelegd waaronder ook een paspoort en dat de geboortedatum van referent in het BRP is vastgesteld op [geboortedag 4] 2003, voldoende is om de twijfel weg te nemen die de inconsistente verklaringen in het leven hebben gebracht.

Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen over de verklaringen van referent en de overgelegde brondocumenten komt de rechtbank tot het oordeel dat de minister het vermoeden van minderjarigheid niet op overtuigende wijze heeft weggenomen. De geboortedatum van referent in 2002 en 2003 hadden bovendien beide geleid tot minderjarigheid van referent ten tijde van zijn asielaanvraag.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

10. Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van

mr. K. Mertens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?