RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.46962
(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en
(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).
1. Deze uitspraak gaat over de buitenbehandelingstelling van de aanvraag van eiser om een reguliere verblijfsvergunning. Eiser is het hiermee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de buitenbehandelingstelling van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiser ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf op grond van Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (hierna: Besluit 1/80). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 juli 2024 buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 20 november 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de buitenbehandelingstelling van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft ook een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
3. Eiser is met ingang van 17 december 1996 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon A]’. Deze verblijfsvergunning is verleend met een geldigheidsduur tot 17 december 1997. Hierna is voorgenoemde verblijfsvergunning meerdere keren aansluitend verlengd tot 28 augustus 2014. Op 6 maart 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een reguliere verblijfsvergunning.
Standpunt van de minister
4. De minister heeft de aanvraag van eiser buitenbehandeling gesteld omdat hij het verkeerde aanvraagformulier heeft gebruikt. Eiser verblijft in het buitenland. Indien eiser wil laten toetsen of hij rechten kan ontlenen aan artikel 6, 7 of 13 van het Besluit 1/80 moet hij een mvv-aanvraag indienen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst. Dat heeft eiser niet gedaan. Daarmee is volgens de minister niet voldaan aan de vereisten voor het indienen van de aanvraag. Dat eiser naar eigen zeggen een verblijfsrecht heeft in Tsjechië en vrij kan reizen binnen de lidstaten van de Unie, betekent volgens de minister niet dat eiser geen mvv nodig heeft. Eiser beoogt immers een verblijf in Nederland van langer dan de vrije termijn van drie maanden.
Beroepsgrond eiser
5. Eiser betoogt dat de minister zijn aanvraag ten onrechte heeft aangemerkt als aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op ‘niet tijdelijke humanitaire gronden’. Het betreft hier een aanvraag om voorgezet verblijf op grond van Besluit 1/80. Dat is ook duidelijk aangegeven in het begeleidend schrijven bij de aanvraag. De minister heeft zich volgens eiser dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser eerst een mvv had moeten vragen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst. Eiser heeft rechten op grond van Besluit 1/80. Hij heeft in Nederland over een verblijfsvergunning beschikt en heeft meer dan één jaar arbeid verricht bij dezelfde werkgever. Daarom heeft hij naar eigen zeggen recht op voortgezet verblijf. De minister had dit inhoudelijk moeten beoordelen en heeft de aanvraag volgens eiser daarom ten onrechte buiten behandeling gesteld. Tot slot betoogt eiser dat hij in Tsjechië verblijft en daar een verblijfsrecht heeft. Hij kan vrij reizen en heeft daarom geen mvv nodig.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Het betoog van eiser slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag van eiser ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. De minister heeft aan de afwijzing – in de kern – ten grondslag gelegd dat eiser geen mvv heeft aangevraagd, terwijl dat volgens de minister wel had gemoeten. De rechtbank volgt niet de conclusie die de minister daaraan verbindt, namelijk dat daarom niet is voldaan aan een van de wettelijke vereisten voor een aanvraag en dat de aanvraag buiten behandeling moet worden gesteld. Redengevend daarvoor is dat het niet hebben van een mvv in artikel 16 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is opgenomen als afwijzingsgrond. Het standpunt van de minister dat eiser een mvv moet hebben en daarom ook een mvv had moeten aanvragen berust op een overweging over de inhoud van eisers aanvraag en is daarmee materieelrechtelijk van aard. De minister had de aanvraag daarom niet op formeelrechtelijke gronden buiten behandeling mogen stellen. De rechtbank vindt voor haar oordeel steun in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 oktober 2003. Het beroep is daarom gegrond.
Eiser heeft zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ter zitting ingetrokken.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank zit geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de minister de aanvraag in behandeling moet nemen. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister een nieuw besluit moet nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt daarvoor een termijn van drie maanden zoals bedoeld in artikel 2u, eerste lid van de Vw 2000.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Die vergoeding bedraagt € 1814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zitting heeft bijgewoond (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 907,– en een wegingsfactor 1). Eiser is vrijgesteld van het betalen van griffierecht.
Beslissing
De rechtbank:
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de minister binnen drie maanden een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, in aanwezigheid van mr. R.C. Lubbers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.