ECLI:NL:RBDHA:2025:27808

ECLI:NL:RBDHA:2025:27808

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-11-2025
Datum publicatie 01-04-2026
Zaaknummer NL22.8547
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen eerst of sprake is van een spoedeisend belang daarbij. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat hiervan geen sprake is. Ook is geen sprake van een evident onrechtmatig besluit. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek daarom af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit waarom zij het verzoek afwijst en welke gevolgen dat heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL22.8547

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. B. Aydin),

en

(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen eerst of sprake is van een spoedeisend belang daarbij. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat hiervan geen sprake is. Ook is geen sprake van een evident onrechtmatig besluit. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek daarom af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit waarom zij het verzoek afwijst en welke gevolgen dat heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

1. Verzoeker heeft op 31 januari 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 mei 2022 afgewezen, omdat verzoeker niet in het bezit is van een machtiging tot voorlopig verblijf en hiervan niet hoeft te worden vrijgesteld. Volgens verweerder voldoet verzoeker niet aan het documentatievereiste. 1.1. Verzoeker heeft hiertegen op dezelfde dag bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die er op ziet dat hij het besluit op bezwaar in Nederland mag afwachten. Omdat verzoeker het verzoek om een voorlopige voorziening binnen 24 uur na de bekendmaking van het besluit van 12 mei 2022 heeft ingediend mag hij van verweerder de behandeling daarvan door de voorzieningenrechter in Nederland afwachten.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht kan de voorzieningenrechter gedurende de behandeling van een bezwaar door de tegen een besluit van een bestuursorgaan op verzoek van de bezwaarmaker een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld door uitzetting, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt.

3. Verzoeker voert aan dat hij, hoewel hij niet met uitzetting wordt bedreigd, spoedeisend belang heeft bij het verzoek. Dit omdat een toewijzing van het verzoek met zich brengt dat hij, zolang verweerder niet op zijn bezwaar heeft beslist, rechtmatig verblijf verkrijgt in de zin van artikel 8, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dan kan hij een zorgverzekering afsluiten om noodzakelijke tandartskosten te betalen. Ter onderbouwing heeft verzoeker een brief overgelegd van ASR Zorgverzekeringen overgelegd waaruit blijkt dat verzoeker een zorgverzekering heeft aangevraagd. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat die aanvraag inmiddels is afgewezen. Verzoeker heeft ook verwijsbrieven van [tandartspraktijk] van 22 september en 8 november 2025 overgelegd. Uit deze brieven blijkt dat verzoeker dringend behandelingen nodig heeft aan zijn gebit vanwege vergevorderde adulte parodontitis. De kosten van deze behandeling bedragen naar schatting € 4000,- . Verzoeker stelt dat deze behandelingen niet kunnen worden uitgevoerd zonder zorgverzekering. Indien de behandelingen niet plaatsvinden, ontstaat er een risico op ernstige gezondheidsschade bij verzoeker. Verzoeker verwijst naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 15 augustus 2025 en naar een aantal uitspraken waarin verweerder zich niet heeft verzet tegen het toewijzen van de voorlopige voorziening. 4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van een spoedeisend belang. Niet is gebleken dat verweerder een concreet voornemen heeft om verzoeker op korte termijn uit te zetten of voorbereidingen daartoe te treffen. Daarnaast is niet gebleken dat het niet verzekerd zijn tegen ziektekosten leidt tot het uitblijven van medische zorg en tot een dreiging van een onomkeerbare medische situatie. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de brief van [tandartspraktijk] van 8 november 2025. Daarin is vermeld dat kosten voor de behandeling circa € 4000,- bedragen en dat als verzoeker een zorgverzekering afsluit, deze kosten aanzienlijk gereduceerd worden. Uit deze brief leidt de voorzieningenrechter niet af dat verzoeker de behandeling niet kan krijgen zonder zorgverzekering. Voor zover verzoeker deze kosten volledig zelf moet betalen, volgt de voorzieningenrechter verweerder in zijn standpunt dat niet is onderbouwd dat hij dit niet kan betalen. Verweerder verwijst hierbij naar inkomensgegevens van verzoeker die hij in de bezwaarschriftprocedure heeft overgelegd. Het standpunt van verzoeker ter zitting dat een operatie mogelijk complicaties met zich meebrengt waardoor de kosten verder kunnen oplopen, is onzeker en onvoldoende onderbouwd zodat hierin ook geen spoedeisend belang is gelegen. Bovendien kan verzoeker op grond van artikel 122a van de Zorgverzekeringswet en artikel 10, tweede lid, van de Vw aanspraak maken op medisch noodzakelijke zorg. De niet onderbouwde stelling van verzoeker ter zitting dat zijn afspraak voor het verkrijgen van een verblijfssticker is geannuleerd, is ook onvoldoende om een spoedeisend belang aan te nemen.

5. De voorzieningenrechter is gelet op het bovenstaande van oordeel dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter kan daarom de voorlopige voorziening alleen toewijzen als het besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat verschillende documenten nog ontbreken waarvan in het bestreden besluit al is aangegeven dat deze moeten worden overgelegd. Zo wijst verweerder erop dat er geen overeenkomsten van opdracht zijn overgelegd. Daarnaast roepen de overgelegde verkoopfacturen vragen op nu er dubbele factuurnummers op vermeld staan. Ook zijn de verkoopfacturen niet gespecificeerd. Gelet op het voorgaande, is de voorzieningenrechter vooralsnog niet gebleken dat zeer ernstig moet worden getwijfeld aan de juistheid van het door verweerder ingenomen standpunt dat verzoeker niet voldoet aan het documentatievereiste. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat geen sprake is van een evident onrechtmatig besluit.

6. Omdat geen sprake is van een spoedeisend belang of van een evident onrechtmatig genomen besluit, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verzoeker krijgt daarom zijn proceskosten niet vergoed.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J.W. Robijn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?