[eiser 1] , V-nummer: [v-nummer 1] eiser/verzoeker (hierna: eiser 1)
[eiser 2] , V-nummer: [v-nummer 2] eiser/verzoeker (hierna: eiser 2)
Hierna tezamen: eisers
(gemachtigde: mr. M.Z. Sayin)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. E. de Jong).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van
30 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland ervoor verantwoordelijk is.
De rechtbank heeft het beroep van eisers op 9 december 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eisers is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Eisers hebben een verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.53506 en NL25.54510) ingediend. De rechtbank houdt in deze zaken geen zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser 1 is geboren op [geboortedatum 1] 2000 en eiser 2 op [geboortedatum 2] 2004. Eisers hebben de Afghaanse nationaliteit. Op 5 juli 2025 hebben eisers in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers niet in behandeling genomen, omdat zij eerder in Duitsland asiel hebben aangevraagd. Duitsland is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers beroepen zich op artikel 17 van de Dublinverordening en stellen dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de asielaanvragen van eisers niet in behandeling zijn genomen. Eisers menen dat een overdracht aan Duitsland zou getuigen van een onevenredige hardheid en verwijzen hierbij naar de psychische en medische problematiek van eiser 1. Eiser 1 stelt in dit kader afhankelijk te zijn van zijn broer, eiser 2, en wijst op het risico dat zij bij overdracht aan Duitsland opnieuw van elkaar gescheiden kunnen raken, wat ernstige en onomkeerbare negatieve gevolgen voor zijn gezondheid zal hebben. Verweerder heeft de door eisers naar voren gebrachte omstandigheden onvoldoende onderzocht en betrokken in de motivering van het bestreden besluit in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening. Verder beroepen eisers zich op het arrest C.K. Hierbij verwijst eiser naar het overgelegde GZA dossier. Volgens eisers had verweerder aanleiding moeten zien om een BMA-onderzoek op te starten.
Wat vindt verweerder?
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers er niet in zijn geslaagd om aannemelijk te maken dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die ervoor zorgen dat een overdracht tot onevenredige hardheid zal leiden zodat verweerder de behandeling van de asielaanvragen aan zich had moeten trekken op basis van artikel 17 van de Dublinverordening. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat niet is onderbouwd dat de rol van eiser 2 zodanig belangrijk is dat als eisers niet bij elkaar kunnen blijven, dit zal leiden tot ernstige en onomkeerbare gevolgen voor de gezondheidstoestand van eiser 1. Op zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat als zou blijken dat de rol van eiser 2 wel cruciaal is, dit - met toepassing van artikel 32 van de Dublinverordening en met toestemming van eisers - kan worden medegedeeld aan de Duitse autoriteiten bij de overdracht.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvragen van eisers niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
6. De rechtbank geeft eisers geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land te behandelen, ook al is die lidstaat daartoe op grond van de in de verordening neergelegde criteria niet verplicht. Volgens paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt verweerder van zijn bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in ieder geval gebruik als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 25 februari 2025 is het aan verweerder om te beoordelen of in het geval van een vreemdeling sprake is van zodanige bijzondere, individuele omstandigheden dat de overdracht van een onevenredige hardheid getuigt.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op alle omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser 1 heeft aangegeven dat hij kampt met medische en psychische problemen en verwijst hierbij naar het overgelegde GZA dossier waaruit blijkt dat hij last heeft van nachtmerries, stress, trauma’s, psychische klachten en slaapproblemen en dat zijn broer met hem meeging naar de arts en veelal het woord voor hem voert. Daarnaast hebben eisers een uitspraak van de rechtbank in Arnsberg overgelegd waarin een melding wordt gemaakt van eisers psychische problematiek en waaruit blijkt dat eiser 1 in het verleden is gediagnostiseerd met paranoïde schizofrenie. Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank dat er weliswaar sprake lijkt van ernstige psychische problematiek en er tevens aanwijzingen in het dossier zijn dat de aanwezigheid van eiser 2 belangrijk is voor het welzijn van eiser 1, maar dat deze omstandigheden op zichzelf niet voldoende zijn voor het oordeel dat verweerder gebruik had moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 17 van de Dublinverordening. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen overwegen dat de omstandigheden die door eisers naar voren zijn gebracht onvoldoende zijn om de hoge drempel van bijzondere, individuele omstandigheden van artikel 17 van de Dublinverordening te behalen. Verder heeft verweerder in dit kader terecht opgemerkt dat op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan kan worden uitgegaan dat de medische voorzieningen in Duitsland van dezelfde kwaliteit zijn als die in Nederland, temeer nu blijkt dat eiser 1 in Duitsland is opgenomen, een behandeling heeft ondergaan bij een psychiater en medicatie heeft gekregen. Dit is door eisers zelf gesteld en blijkt bovendien uit de uitspraak van de Duitse rechtbank in Arnsberg.
Met betrekking tot het beroep op het arrest C.K. overweegt de rechtbank als volgt.
Uit dit arrest volgt dat de overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven indien de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Eerst indien eisers deze gegevens hebben overgelegd, dient de minister het risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het BMA, zo volgt uit de Werkinstructie 2021/3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers hierin niet geslaagd. Uit de (medische) stukken die door eisers zijn overgelegd blijkt niet dat een overdracht leidt tot onomkeerbare en ernstige gevolgen voor de gezondheidstoestand van eiser 1. Het beroep op de uitspraak van zittingsplaats Roermond slaagt daarom niet. Daarbij is van belang dat niet is aangetoond dat een mogelijke scheiding van de broers leidt tot onomkeerbare en ernstige gevolgen voor de gezondheidstoestand van eiser 1, noch dat het samenblijven van de broers niet mogelijk zou zijn in Duitsland. Verweerder heeft in dit kader aangegeven dat gelet op artikel 32 van de Dublinverordening het mogelijk is om Duitsland bij overdracht te informeren over eventuele bijzondere medische behoeften, verzorging en behandeling, mits eisers daar toestemming voor geven. Mocht dit nodig zijn dan kan dan ook met de rol van eiser 2 bij de verzorging van eiser 1 in het kader van zijn gezondheid rekening worden gehouden. Verder is niet gebleken dat het in Duitsland niet mogelijk is om te realiseren dat de broers in elkaars nabijheid verblijven of dat zij daarbij niet geholpen kunnen worden. Eisers hebben aangegeven dat tijdens hun verblijf in Duitsland een eerder verzoek tot overplaatsing is afgewezen, waardoor de broers niet in dezelfde opvang konden verblijven en dat ze hierover niet effectief konden klagen bij de Duitse autoriteiten. De rechtbank overweegt hiertoe dat eisers deze stelling niet met stukken hebben onderbouwd. Er is dan ook niet gebleken dat eisers alles hebben geprobeerd om wel bij elkaar te kunnen blijven. In dit kader is ook van belang dat blijkens de uitspraak en hetgeen ter zitting door eisers naar voren is gebracht eisers destijds beschikten over een advocaat en een bewindvoerder die bij deze omstandigheden hadden kunnen helpen. Tenslotte is evenmin gebleken dat om andere redenen de overdracht naar Duitsland tot een ernstige en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheid zal leiden in de zin van het arrest C.K. De rechtbank overweegt daartoe dat de stukken verder ook geen blijk geven van suïcidaliteit van eiser 1, anders dan in het beroep is aangevoerd. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit voldoende is gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
10. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvragen van eisers niet in behandeling te nemen omdat Duitsland ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.
11. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, worden de verzoeken om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.