RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.44542
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind),
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag).
Overwegingen
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. De aanvraag is in ontvangst genomen op 25 januari 2025. Indien onderzoek plaatsvindt in het kader van de Dublinverordening vangt die termijn aan op het tijdstip waarop overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.3 De minister mag onder bepaalde omstandigheden artikel 42, zesde lid, van de Vw ook toepassen in de situatie dat hij onderzoek verricht naar de toepassing van de Dublinverordening, maar uiteindelijk afziet van het leggen van een claim op een andere lidstaat. Dat onderzoek moet meer omvatten dan
1. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
enkel een onderzoek in Eurodac.4
4. In het geval van eiser heeft in de claimfase onderzoek plaatsgevonden naar de toepassing van de Dublinverordening. De minister heeft een zogenoemde Eurodac bevraging en een EU-Vis bevraging verricht. Verder heeft de minister een Dublingehoor van eiser afgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit samenstel van handelingen te verstaan als een onderzoek naar de toepassing van de Dublinverordening. Om die reden heeft de minister artikel 42, zesde lid, van de Vw mogen toepassen.
5. Het is vervolgens de vraag op welk moment na dit onderzoek is vastgesteld dat de verantwoordelijkheid is overgegaan op Nederland. Vanaf dat moment begint de beslistermijn namelijk te lopen.5 In het geval is dat een termijn van drie maanden, gerekend na de dag van ontvangst van de aanvraag (25 januari 2025). Dat was dus op 26 april 2025. Gelet op artikel 42, zesde lid, van de Vw is de beslistermijn van zes maanden dus gaan lopen vanaf
26 april 2025. Dat is dus op 26 oktober 2025.
6. Eiser heeft de minister op 31 augustus 2025 in gebreke gesteld. De termijn om te beslissen op zijn aanvraag was nog niet verstreken toen hij de ingebrekestelling indiende bij de minister. De ingebrekestelling is dus te vroeg ingediend. Dat maakt dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van een beroep tegen het niet-tijdig beslissen door de minister. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
4 ECLI:NL:RBDHA:2025:6860.
5 Artikel 42, zesde lid, van de Vw.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
23 december 2025
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.