RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.44864
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en
Procesverloop
1. Eiser heeft op 4 oktober 2024 een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 september 2025 de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De minister heeft het bestreden besluit op 9 december 2025 ingetrokken. Eiser heeft de rechtbank vervolgens laten weten dat hij zijn beroep handhaaft en de rechtbank verzocht zijn beroep aan te merken als beroep tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Omdat partijen niet hebben verklaard een nadere zitting te wensen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en doet uitspraak zonder nadere zitting.
Overwegingen
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
Het beroep tegen het bestreden besluit
2. Eiser heeft in eerste instantie beroep ingesteld tegen het besluit van 11 september 2025. Omdat de minister het bestreden besluit heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van het beroep voor zover dat gericht is tegen het bestreden besluit. Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom niet-ontvankelijk.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag
3. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het standpunt van eiser kan het ingestelde beroep worden aangemerkt als beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog
beslist moet worden op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
4. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de minister het besluit van 11 september 2025 heeft ingetrokken en het niet redelijk is om dan van eiser te verwachten dat hij een ingebrekestelling aan de minister stuurt.1
Is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit van eiser gegrond?
5. De minister heeft de aanvraag op 4 oktober 2024 ontvangen. Toen de minister zijn besluit van 11 september 2025 introk, was de voor dat besluit geldende beslistermijn al voorbij. De minister moet namelijk uiterlijk binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen.2 Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
6. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.3 Hiervan is in dit geval sprake.
7. Eiser heeft om een beslistermijn van vier weken gevraagd en de minister heeft niet gesteld dat dit geen realistische en passende termijn is. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eiser al is gehoord omtrent zijn asielmotieven. Ook heeft de minister het voornemen op het te nemen besluit bekend gemaakt en heeft eiser zijn zienswijze hierop ingediend. De rechtbank ziet in deze omstandigheden aanleiding om de minister de door eiser gevraagde beslistermijn van vier weken op te leggen. Deze termijn vangt aan na de dag van verzending van deze uitspraak.
8. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.4 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
1. Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1120.
2 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2023/26 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 weer een beslistermijn van zes maanden.
3 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
4 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen vier weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
10. De rechtbank ziet aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze vergoeding bedraagt in totaal € 1.360,50. Dit bedrag bestaat uit 1 punt (ter waarde van € 907,-) met wegingsfactor 1 voor het inhoudelijke beroepschrift en 1 punt voor het instellen van het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit met wegingsfactor 0,5. De rechtbank heeft hierbij kennis genomen van de reacties van partijen over de proceskostenvergoeding, maar het is aan de rechtbank om deze zelfstandig vast te stellen.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van
J.M. Pattynama, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 december 2025
Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.