Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2025 in de zaken tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 24/3735 en SGR 25/2626
(gemachtigde: mr. R.G.N. le Roy),
en
Procesverloop
SGR 24/3735
Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) (de aanslag) opgelegd. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht (rentebeschikking I).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 februari 2024 de aanslag en rentebeschikking I verminderd.
SGR 25/2626
Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2017 met dagtekening 15 maart 2024 een navorderingsaanslag IB/PVV (de navorderingsaanslag) opgelegd. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht (rentebeschikking II).
Eiseres heeft tegen de voornoemde uitspraak op bezwaar en de navorderingsaanslag (rechtstreeks) beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2025.
Namens eiseres is de gemachtigde verschenen, bijgestaan door de heer [naam 1] en [naam 2] , taxateur. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] , drs. [naam 4] , [naam 5] , taxateur, en drs. [naam 6] , taxateur.
De zaken zijn op zitting gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken met zaaknummers SGR 24/3746, SGR 24/3750, SGR 24/3742 en SGR 25/2625.
Overwegingen
Feiten
1. [bedrijfsnaam 1] B.V. (H) is sinds 2 november 2012 eigenaar van de onroerende zaak [adres] (de onroerende zaak). De onroerende zaak betreft een kophalsboerderij met voor- en achterhuis, een losstaande mantelzorgwoning, een schuur, diverse bijgebouwen, erf, tuin en grasland. De aanduiding 7B ziet op het achterhuis van de kophalsboerderij, maar er is geen sprake van kadastrale splitsing.
2. De onroerende zaak is op 6 april 2017 verkocht en op 1 mei 2017 geleverd aan eiseres en haar echtgenoot [naam 1] (F) voor een bedrag van € 650.000. Eiseres houdt in 2017 via [stichting] ( [stichting] ) 7% van de certificaten van aandelen in H.
3. Met dagtekening 5 januari 2017 heeft [naam 7] , taxateur bij [bedrijfsnaam 2] B.V., een opinie bij verkoop opgesteld (opinie). Uit de opinie volgt een waarde van € 657.500 voor de onroerende zaak.
4. In opdracht van F is met dagtekening 7 maart 2017 een taxatierapport opgesteld door [naam 8] , taxateur bij [bedrijfsnaam 3] (rapport K). Uit rapport K volgt een waarde van € 650.000 voor de onroerende zaak op de waardepeildatum 6 maart 2017. In rapport K is als doel vermeld de aanvraag van een hypothecaire geldlening.
5. [naam 5] , taxateur van de Belastingdienst, heeft op 12 oktober 2018 een bezoek gebracht aan de onroerende zaak om onderzoek te doen naar de situatie op 1 mei 2017. Na dit bezoek heeft verweerder een verzoek om informatie gestuurd naar H.
6. Verweerder heeft met dagtekening 21 december 2021 de aanslag vastgesteld, waarbij rekening is gehouden met een waarde van de onroerende zaak van € 1.064.000. Dit bedrag is gelijk aan de WOZ-waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum 1 januari 2017. Deze waardering leidt tot een correctie van het inkomen uit aanmerkelijk belang, te weten een winstuitdeling ten bedrage van (€ 1.064.000 -/- € 650.000 =) € 414.000. Dit inkomen is voor 50% in aanmerking genomen bij eiseres en voor 50% bij F. Bij de aanslag van eiseres is € 6.907 aan belastingrente berekend (rentebeschikking I).
7. In de bezwaarfase aan hebben [naam 5] en [naam 9] (taxateurs van de Belastingdienst) de waarde van de onroerende zaak, na herbeoordeling, vastgesteld op een waarde van € 950.000 op waardepeildatum 1 mei 2017 (rapport V).
8. Bij uitspraak op bezwaar van 20 februari 2024 is het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en zijn de aanslag en rentebeschikking I verminderd.
9. In de motivering van de uitspraak op bezwaar van 2 februari 2024 is vermeld dat de aanslag zou worden verminderd tot een berekend naar een waarde van de onroerende zaak van € 950.000. De winstuitdeling bedraagt dan voor eiseres 50% van (€ 950.000 -/- € 650.000 =) € 300.000. In de formele uitspraak op bezwaar van 20 februari 2024 is de aanslag echter verminderd tot een berekend naar een waarde van de onroerende zaak van € 800.000.
10. Bij brief van 12 februari 2024 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat de formele uitspraak op bezwaar abusievelijk tot een te laag bedrag is vastgesteld en dat hij het verschil middels een navorderingsaanslag zal navorderen. De navorderingsaanslag heeft als dagtekening 15 maart 2024. Daarbij is aanvullend belastingrente berekend voor een bedrag van € 2.740 (rentebeschikking II).
11. In opdracht van H is gedurende de beroepsfase een nieuw taxatierapport, met dagtekening 4 juni 2024, opgesteld door [naam 2] , taxateur bij [bedrijfsnaam 4] B.V. (rapport P). Uit dit taxatierapport volgt een waarde van € 680.000 voor de onroerende zaak op de waardepeildatum 6 maart 2017.
12. Medio 2024 heeft [naam 10] , taxateur van de Belastingdienst, het rapport P beoordeeld en de onroerende zaak bezocht. Haar bevindingen zijn per e-mail gedeeld met eiseres en behoren tot de gedingstukken (bevindingen).
Geschil 13. In geschil is of verweerder terecht het inkomen uit aanmerkelijk belang heeft gecorrigeerd. Meer specifiek is in geschil of verweerder terecht een winstuitdeling in aanmerking heeft genomen vanwege de waardering van de onroerende zaak. Ook is in geschil of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd.
14. Eiseres stelt dat verweerder ten onrechte van de aangifte IB/PVV 2017 is afgeweken en dat de overeengekomen prijs van € 650.000 op de transactiedatum zakelijk is. Zij stelt dat de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat zij niet te kwader trouw is.
15. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de winstuitdeling terecht in aanmerking is genomen en dat de overeengekomen verkoopprijs aanzienlijk lager is dan de waarde in het economische verkeer ten tijde van de overdracht.
Beoordeling van het geschil
Navorderingsaanslag
16. Eiseres heeft tegen de navorderingsaanslag geen bezwaarschrift ingediend, maar heeft rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank. Partijen hebben ter zitting ingestemd met een inhoudelijke behandeling van het beroep door de rechtbank met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (prorogatie). Het beroep voor zover gericht tegen de navorderingsaanslag is daarom ontvankelijk.
Waarde van de onroerende zaak
17. Volgens vaste jurisprudentie is van een uitdeling sprake wanneer een vermogensverschuiving van een vennootschap naar de (middellijk) aandeelhouder plaatsvindt (bevoordeling) als gevolg waarvan aan het vermogen van de vennootschap enig geldbedrag of ander goed, gedekt door de daarin aanwezige winst, ten gunste van de aandeelhouder wordt onttrokken, mits zowel de aandeelhouder als de vennootschap zich van die vermogensverschuiving bewust is geweest (dubbele bewustheid). Dit laatste vereiste strekt zich niet uit tot de exacte omvang van het bedrag van die vermogensverschuiving. De omstandigheid dat de aandeelhouder die vermogensverschuiving (ook) aan een derde, die aan de aandeelhouder is gelieerd, ten goede laat komen, is daarbij niet van belang. De bewijslast van een uitdeling rust op verweerder.
18. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd. De rechtbank heeft in de uitspraak inzake de aanslagen vennootschapsbelasting 2017 en 2018 die zijn opgelegd aan H reeds geoordeeld dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak ten tijde van de overdracht € 950.000 is. Daarbij heeft de rechtbank de door verweerder gehanteerde winstcorrecties vernietigd. Voor de onderhavige zaak betekent dit dat geen sprake is geweest van een vermogensverschuiving van H naar eiseres. Gelet hierop is niet voldaan aan de voorwaarden voor het vaststellen van een winstuitdeling. Dit betekent dat verweerder ten onrechte het inkomen uit aanmerkelijk belang heeft gecorrigeerd.
19. Dit heeft onder meer tot gevolg dat de aanslag IB/PVV 2017 en de daarbij behorende rentebeschikking I moeten worden verminderd en de navorderingsaanslag IB/PVV 2017 en de daarbij behorende rentbeschikking II moeten worden vernietigd. De overige stellingen van eiseres behoeven daarom geen behandeling meer.
20. Gelet op wat hiervoor is overwogen dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
21. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). De rechtbank stelt vast dat de onderhavige zaken van eiseres, met de zaken van H en F met zaaknummers SGR 24/3746, SGR 24/3750, SGR 24/3742 en SGR 25/2625, op hetzelfde onderwerp betrekking hebben. De zaken zijn in bezwaar en in beroep in samenhang en in beroep bovendien gezamenlijk behandeld. De rechtbank merkt de zaken daarom aan als samenhangend.
22. Het oudste bezwaarschrift heeft verweerder ontvangen op 20 november 2019 en verweerder heeft de laatste uitspraak op bezwaar gedaan op 9 maart 2024. De uitspraak van de rechtbank is op 22 mei 2025 gedaan. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden, zijn niet gesteld of gebleken. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt afgerond drie jaar en zeven maanden, zodat eiseres, H en F gezamenlijk recht hebben op isv van € 4.000. De overschrijding van de redelijke termijn dient volledig aan de bezwaarfase te worden toegerekend. De rechtbank kent 1/3 van deze vergoeding toe aan eiseres, 1/3 aan de zaken van H en 1/3 aan de zaken van F.
Proceskosten
23. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, waarbij de zaken als samenhangend met de zaken van H en F met zaaknummers SGR 24/3735, SGR 24/3742, SGR 25/2625 en SGR 25/2626 worden aangemerkt. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Uit de gedingstukken en hetgeen eiseres heeft gesteld, valt naar het oordeel van de rechtbank niet op te maken dat verweerder zodanig ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld dat daarin grond is gelegen om van de forfaitaire regeling voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dan ook niet gebleken. De rechtbank wijst het verzoek om een integrale kostenvergoeding daarom af.
24. De te vergoeden kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 4.593 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1 en een wegingsfactor 1,5 wegens samenhang). De rechtbank kent 1/3 van deze vergoeding toe aan eiseres, 1/3 aan de zaken van H en 1/3 aan de zaken van F. Op deze vergoeding dient telkens de in deze zaken reeds toegekende kostenvergoeding in mindering te worden gebracht.
25. Eiseres heeft tevens verzocht om vergoeding van de kosten van de deskundige. De rechtbank vat dit op als een verzoek om vergoeding van het in de beroepsfase opgestelde taxatierapport en de aanwezigheid ter zitting van taxateur [naam 2] . Deze taxateur is ingeschakeld in opdracht van H. De rechtbank heeft de vergoeding van de kosten ten behoeve van de werkzaamheden van de taxateur om die reden in zijn geheel toegewezen aan H.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Drok, rechter, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).