Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2025 in de zaken tussen
[eiseres] BV, gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 24/3746 en SGR 24/3750
(gemachtigde: mr. R.G.N. le Roy),
en
Procesverloop
SGR 24/3746
Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2017 een aanslag vennootschapsbelasting (aanslag Vpb 2017) opgelegd. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht (rentebeschikking I).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 februari 2024 de aanslag Vpb 2017 en rentebeschikking I verminderd.
SGR 24/3750
Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2018 een aanslag vennootschapsbelasting (aanslag Vpb 2018) opgelegd. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht (rentebeschikking II).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 februari 2024 de aanslag Vpb 2018 en rentebeschikking II gehandhaafd.
Eiseres heeft tegen voornoemde uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2025.
Namens eiseres is de gemachtigde verschenen, bijgestaan door de heer [naam 1] en [naam 2] , taxateur. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] , drs. [naam 4] , [naam 5] , taxateur, en drs. [naam 6] , taxateur.
De zaken zijn op zitting gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken met zaaknummers SGR 24/3735, SGR 24/3742, SGR 25/2625 en SGR 25/2626.
Overwegingen
Feiten
SGR 24/3746 (aanslag Vpb 2017)
1. Eiseres is sinds 2 november 2012 eigenaar van de onroerende zaak [adres] (de onroerende zaak). De onroerende zaak betreft een kophalsboerderij met voor- en achterhuis, een losstaande mantelzorgwoning, een schuur, diverse bijgebouwen, erf, tuin en grasland. De aanduiding 7B ziet op het achterhuis van de kophalsboerderij, maar er is geen sprake van kadastrale splitsing.
2. De onroerende zaak is op 6 april 2017 verkocht en op 1 mei 2017 geleverd aan [naam 7] (S) en haar echtgenoot [naam 1] (F) voor een bedrag van € 650.000. S houdt in 2017 via [stichting] ( [stichting] ) 7% van de certificaten van aandelen in eiseres.
3. Met dagtekening 5 januari 2017 heeft [naam 8] , taxateur bij [bedrijfsnaam 1] B.V., een opinie bij verkoop opgesteld (opinie). Hieruit volgt een waarde van € 657.500 voor de onroerende zaak.
4. In opdracht van F is met dagtekening 7 maart 2017 een taxatierapport opgesteld door [naam 9] , taxateur bij [bedrijfsnaam 2] (rapport K). Uit rapport K volgt een waarde van € 650.000 voor de onroerende zaak op de waardepeildatum 6 maart 2017. In rapport K is als doel vermeld de aanvraag van een hypothecaire geldlening.
5. In de aangifte Vpb 2017 heeft eiseres rekening gehouden met een verkoop van de onroerende zaak voor een bedrag van € 650.000.
6. [naam 5] , taxateur van de Belastingdienst, heeft op 12 oktober 2018 een bezoek gebracht aan de onroerende zaak om onderzoek te doen naar de situatie op 1 mei 2017. Na dit bezoek heeft verweerder een verzoek om informatie gestuurd naar eiseres.
7. Verweerder heeft met dagtekening 12 oktober 2019 de aanslag Vpb 2017 vastgesteld, waarbij rekening is gehouden met een waarde van de onroerende zaak van € 1.064.000. Dit bedrag is gelijk aan de WOZ-waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum 1 januari 2017. Deze waardering leidt tot een correctie van de winst met (€ 1.064.000 -/- € 650.000 =) € 414.000. Daarbij is € 5.860 aan belastingrente berekend (rentebeschikking I).
8. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag Vpb 2017. In de bezwaarfase hebben [naam 5] en [naam 10] (taxateurs van de Belastingdienst) de waarde van de onroerende zaak, na herbeoordeling, vastgesteld op een waarde van € 950.000 op waardepeildatum 1 mei 2017 (rapport V).
9. Bij uitspraak op bezwaar van 9 maart 2024 is het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en is de aanslag Vpb 2017 verminderd tot een berekend naar een waarde van de onroerende zaak van € 950.000. Rentebeschikking I is dienovereenkomstig verminderd.
10. In opdracht van eiseres is gedurende de beroepsfase een nieuw taxatierapport, met dagtekening 4 juni 2024, opgesteld door [naam 2] , taxateur bij [bedrijfsnaam 3] B.V. (rapport P). Uit rapport P volgt een waarde van € 680.000 voor de onroerende zaak op de waardepeildatum 6 maart 2017.
11. Medio 2024 heeft [naam 11] , taxateur van de Belastingdienst, rapport P beoordeeld en de onroerende zaak bezocht. Haar bevindingen zijn per e-mail gedeeld met eiseres en behoren tot de gedingstukken (de bevindingen).
SGR 24/3750 (aanslag Vpb 2018)
12. Met dagtekening 29 oktober 2022 heeft verweerder de definitieve aanslag Vpb 2018 opgelegd waarbij is afgeweken van de ingediende aangifte. Verweerder heeft het belastbaar bedrag in 2018 gecorrigeerd, omdat er door de correctie over het jaar 2017 een lager bedrag aan verliezen resteert dat met de belastbare winst van 2018 kon worden verrekend. Bij de aanslag Vpb 2018 is belastingrente berekend ten bedrage van € 6.756 (rentebeschikking II).
13. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de aanslag Vpb 2018 en rentebeschikking II gehandhaafd.
Geschil 14. Voor het jaar 2017 is in geschil of verweerder terecht de winst heeft gecorrigeerd. Meer specifiek is in geschil of verweerder terecht de hoogte van de verkoopprijs van de onroerende zaak heeft gecorrigeerd. Afhankelijk van het antwoord op die vraag, is in geschil of voor het jaar 2018 een hoger verlies kan worden verrekend.
15. Eiseres stelt dat verweerder de aangiftes Vpb 2017 en 2018 ten onrechte heeft gecorrigeerd en dat de overeengekomen prijs van € 650.000 op de transactiedatum zakelijk is.
16. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de correcties terecht zijn en dat de overeengekomen verkoopprijs aanzienlijk lager is dan de waarde in het economische verkeer ten tijde van de overdracht.
Beoordeling van het geschil
Verzoek om uitstel van de zitting
17. Bij bericht van 22 januari 2025 zijn partijen uitgenodigd om op 10 april 2025 ter zitting te verschijnen. Verweerder heeft op 26 maart 2025 verzocht om uitstel van de zitting, omdat [naam 11] verhinderd was. De rechtbank heeft bij bericht van 27 maart 2025 het uitstelverzoek afgewezen. Het verzoek om uitstel is later ingediend dan binnen een week na aankondiging van de zittingsdatum. In dat geval wordt alleen nog in uitzonderlijke omstandigheden uitstel verleend. De reden die verweerder in het uitstelverzoek noemt, valt daar niet onder. Niet valt in te zien dat de zaak alleen ter zitting behandeld zou kunnen worden in aanwezigheid van [naam 11] .
Aanslag Vpb 2017
18. Verweerder stelt dat sprake is van een verkapte winstuitdeling, die neerkomt op het verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak en de tussen eiseres en S en F overeengekomen koopprijs. Volgens vaste jurisprudentie is van een uitdeling sprake als deze kan plaatsvinden uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst van een vennootschap indien (a) er een vermogensverschuiving plaatsvindt van de vennootschap naar de aandeelhouder met de bedoeling de aandeelhouder als zodanig te bevoordelen; en (b) zowel de vennootschap als de aandeelhouder zich bewust zijn (of hadden moeten zijn) niet alleen van die vermogensverschuiving maar ook van de bevoordelingsbedoeling.
De bewijslast dat sprake is van een (verkapte) winstuitdeling rust op verweerder. Gelet hierop zal eerst worden beoordeeld of sprake is van een verschil tussen de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak en de door eiseres en S en F overeengekomen koopprijs en daarna – zo dat verschil er is – of van een winstuitdeling sprake is.
19. De Hoge Raad heeft het begrip waarde in het economische verkeer als volgt gedefinieerd:
“Ingeval het gaat om de waardering van zaken waarin geregeld handel wordt gedreven, dient als de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend, in het algemeen te worden aangenomen de verkoopprijs, waaronder moet worden verstaan de prijs die bij aanbieding van de zaak ten verkoop op de meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde daarvoor zou zijn besteed.”
De bewijslast bij afwijking van de gehanteerde koopsom als maatstaf van heffing ligt in beginsel bij verweerder.
20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak ten tijde van de overdracht € 950.000 bedroeg en dat de verkoopprijs van de onroerende zaak van € 650.000 daarom onzakelijk was.
De rechtbank stelt voorop dat eiseres twee taxatierapporten (rapport K en rapport P) en een opinie heeft ingebracht, opgesteld door drie verschillende, onafhankelijke taxateurs, waaruit volgt dat een waarde van € 650.000 tot € 680.000 aan de onroerende zaak moet worden toegekend op of vlak voor de verkoopdatum van de onroerende zaak. Aan het feit dat de opinie geen taxatierapport is en dat rapport K is opgesteld met als doel het verkrijgen van een hypotheek, gaat de rechtbank voorbij, nu uit rapport P ongeveer eenzelfde waarde volgt.
Verweerder heeft gewezen op rapport V, de bevindingen en de WOZ-waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2017, waaruit de onjuistheid van de verkoopprijs zou volgen. In rapport V is over de (hogere) WOZ-waarde van € 1.064.000: “Het verschil [toevoeging rechtbank: van € 950.000] ten opzichte van de WOZ waarde kan hoogstwaarschijnlijk worden verklaard door de wijze van taxeren in het kader van de Wet WOZ. De WOZ taxatie is niet gebaseerd op een inpandige opname, waardoor de aard en kwaliteit van het object mogelijk niet helemaal goed zijn ingeschat. Navraag bij de gemeente heeft overigens duidelijk gemaakt dat tegen de WOZ waarden nimmer bezwaar is gemaakt.” Gelet hierop kan aan de WOZ-waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum 1 januari 2017 voorbij worden gegaan. Rapport V en de bevindingen bevatten met name een kritische noot inzake de door eiseres ingebrachte rapporten K en P en de opinie en in mindere mate een onderbouwing van de eigen aangedragen waarde van de onroerende zaak. In rapport V heeft de taxateur van verweerder ook een eigen berekening van de waarde opgenomen van € 950.000, welke (mede) is gebaseerd op tien referentieobjecten die volgens de taxateurs zijn verkocht rond 1 mei 2017. De verkoopprijs van de referentieobjecten loopt uiteen van € 442.500 tot € 1.300.000. Vijf van deze verkopen hebben plaatsgevonden voor 6 april 2017. De verkoopprijzen van die objecten lagen tussen € 442.500 en € 1.112.000. De verkoopprijs van de onroerende zaak van € 650.000 ligt in die prijsrange. In rapport V is met betrekking tot de referentieobjecten verder opgenomen:
“Er zijn grote verschillen tussen de referenties in de aard, kwaliteit, bouwjaar, omvang, kaveloppervlakte, etc. Op basis van de beschikbare verkoopbrochures (IWOZ) en leveringsakten zijn de transacties geanalyseerd om te komen tot bruikbaar vergelijkingsmateriaal. Geen van de referentieobjecten is van dezelfde omvang als het te
taxeren object. Wel zijn de referentieobjecten aantrekkelijker gelegen dan het onderhavige object. Vanwege de aanzienlijke verschillen tussen de referentiepanden en het te taxeren object is, zoals te zien is in de berekeningen, uiterst voorzichtig omgegaan met de prijzen per m2 die uit de analyse zijn voortgekomen.” Hieruit leidt de rechtbank af dat het lastig is om goede vergelijkbare referentieobjecten te vinden en om aan de hand daarvan de waarde van de onroerende zaak vast te stellen. Het verschil in waarde van € 650.000 (eiseres) en € 950.000 (verweerder) is met name gelegen in de vaststelling van de (aanwezigheid van de) verschillende onderdelen van de onroerende zaak en het verschil in grootte van de woonruimte. Alhoewel het objectief gezien mogelijk zou moeten zijn om deze aanwezigheid dan wel grootte feitelijk vast te stellen, is dat in de onderhavige situatie door partijen gezamenlijk niet gelukt. Partijen en de door partijen ingeschakelde taxateurs blijven hierover van mening verschillen. Nu de bewijslast van de onderhavige correctie op verweerder rust, valt deze discrepantie ten gunste van eiseres uit. Verweerder heeft de onzakelijkheid van de verkoopprijs van € 650.000 daarom niet aannemelijk gemaakt.
De rechtbank merkt nog op dat op verweerder ook de bewijslast rust om - naast de zakelijkheid van de verkoopprijs van € 650.000 - aannemelijk te maken dat sprake is van bewustheid van een bevoordeling. In deze zaak houdt het bewustheidsvereiste in dat eiseres en S en F bij het vaststellen van de verkoopprijs van de onroerende zaak zich ervan bewust waren of moeten zijn geweest dat S en F daarmee bevoordeeld werden. Gelet op de verkoopprijzen van de (blijkbaar best vergelijkbare) referentieobjecten in de periode vóór 6 april 2017, de opinie en rapport K mocht eiseres menen dat op het moment van de verkoop van de onroerende zaak S en F niet werden bevoordeeld bij een verkoopprijs van € 650.000. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat van een verkapte winstuitdeling sprake was.
De winst is daarom ten onrechte gecorrigeerd.
21. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. In zoverre bestaat geen reden rentebeschikking I te matigen. Wel dient de belastingrente overeenkomstig de vermindering van de aanslag Vpb 2017 te worden verminderd.
Aanslag Vpb 2018
22. Het ten onrechte corrigeren van de winst over het jaar 2017 heeft als gevolg dat in 2017 ten onrechte verliezen uit eerdere jaren zijn verrekend. Daarmee zijn deze verliezen beschikbaar om te worden verrekend met de belastbare winst in 2018. De beschikbare verliezen dienen dan ook alsnog te worden verrekend met het jaar 2018 conform de door eiseres ingediende aangifte. Rentebeschikking II dient overeenkomstig de vermindering van de aanslag Vpb 2018 te worden verminderd.
23. Gelet op wat hiervoor is overwogen dienen de beroepen gegrond te worden verklaard. De overige stellingen van eiseres behoeven geen behandeling meer.
Vergoeding van immateriële schade
24. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). De rechtbank stelt vast dat de onderhavige zaken van eiseres, samen met de zaken van S en F (zaaknummers SGR 24/3735, SGR 24/3742, SGR 25/2625 en SGR 25/2626), op hetzelfde onderwerp betrekking hebben. De zaken zijn in bezwaar en in beroep in samenhang en in beroep bovendien gezamenlijk behandeld. De rechtbank merkt de zaken daarom aan als samenhangend.
25. Het oudste bezwaarschrift heeft verweerder ontvangen op 20 november 2019 en verweerder heeft de laatste uitspraak op bezwaar gedaan op 9 maart 2024. De uitspraak van de rechtbank is op 22 mei 2025 gedaan. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden, zijn niet gesteld of gebleken. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt afgerond drie jaar en zeven maanden, zodat eiseres, S en F gezamenlijk recht hebben op isv van € 4.000. De overschrijding van de redelijke termijn dient volledig aan de bezwaarfase te worden toegerekend. De rechtbank kent 1/3 van deze vergoeding toe aan eiseres, 1/3 aan de zaken van S en 1/3 aan de zaken van F.
Proceskosten
26. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, waarbij de zaken als samenhangend met de zaken van S en F (zaaknummers SGR 24/3735, SGR 24/3742, SGR 25/2625 en SGR 25/2626) worden aangemerkt. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Uit de gedingstukken en hetgeen eiseres heeft gesteld, valt naar het oordeel van de rechtbank niet op te maken dat verweerder zodanig ernstig onzorgvuldig heeft gehandeld dat daarin grond is gelegen om van de forfaitaire regeling voor de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand af te wijken. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dan ook niet gebleken. De rechtbank wijst het verzoek om een integrale kostenvergoeding daarom af.
27. De te vergoeden kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 4.593 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 624, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1 en een wegingsfactor 1,5 wegens samenhang). De rechtbank kent 1/3 van deze vergoeding toe aan eiseres, 1/3 aan de zaken van S en 1/3 aan de zaken van F. Op deze vergoeding dient telkens de in deze zaken reeds toegekende kostenvergoeding in mindering te worden gebracht.
28. Eiseres heeft tevens verzocht om vergoeding van de kosten van de deskundige. De rechtbank vat dit op als een verzoek om vergoeding van het in de beroepsfase opgestelde taxatierapport en de aanwezigheid ter zitting van taxateur [naam 2] . De rechtbank volgt voor de vaststelling van de hoogte van de te vergoeden taxatiekosten de Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties (de richtlijn). De rechtbank sluit aan bij het tarief voor woningen van € 53 per uur. Dit uurtarief is exclusief omzetbelasting. De rechtbank gaat ervan uit dat de omzetbelasting niet op eiseres, een onderneming, drukt. Volgens de richtlijn dient voor een inpandige opname 4 uur in aanmerking te worden genomen. Daarnaast vindt de rechtbank 3 uur voor de reistijd en het bijwonen van de zitting door de taxateur redelijk. Dit betekent dat de vergoeding voor de taxatiekosten (6 uur maal € 53 =) € 371 bedraagt. Aangezien de taxateur is ingeschakeld op verzoek van eiseres, zal de rechtbank deze kosten in zijn geheel toewijzen aan eiseres.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Drok, rechter, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025.
De griffier is verhinderd te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).