ECLI:NL:RBDHA:2025:27962

ECLI:NL:RBDHA:2025:27962

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 22-12-2025
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer NL25.35797
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Asiel. Pakistan. De minister heeft de overgelegde kopieën van een aan eiser uitgevaardigde fatwa onvoldoende betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. Ook had de minister nader onderzoek naar deze documenten moeten doen. Het beroep is gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. T. Thissen),

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: J.M. Sanchez Rhamrev).

Samenvatting

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.35797

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

en

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 14 september 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Pakistaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002. De minister heeft met het bestreden besluit van 28 juli 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

5. De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Dahiya als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Fatwa

Het asielrelaas

6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft in Pakistan in het geheim een buitenhuwelijkse relatie gehad met een vrouw genaamd [naam] . De familie van [naam] heeft ontdekt dat zij een relatie had met eiser waarna zij eiser en zijn familie met de dood hebben bedreigd. Naar aanleiding hiervan is eiser gevlucht naar Turkije

waar hij twee jaar heeft verbleven. Eiser is daarna teruggekeerd naar Pakistan en is weer in contact gekomen met [naam] . Zij hebben hun relatie in Pakistan voortgezet wat heeft geleid tot een zwangerschap. De familie van [naam] heeft het oppakken van de relatie en de zwangerschap ontdekt. Zij hebben vervolgens [naam] vermoord als eerwraak. Bovendien is tegen eiser een fatwa uitgevaardigd vanwege godslastering, omdat hij een buitenhuwelijkse relatie had met [naam] . Eiser heeft foto’s van de fatwa overgelegd. Eiser vreest bij terugkeer naar Pakistan voor de familie van [naam] en om vermoord te worden vanwege de fatwa.

Het bestreden besluit

7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

- identiteit, nationaliteit en herkomst; en

- de relatie met [naam] en de daaruit voortvloeiende problemen.

8. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar de relatie met [naam] en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig. De minister stelt dat eiser dit asielmotief niet met objectieve authentieke documenten heeft onderbouwd. Volgens de minister heeft eiser verder summier en wisselend verklaard over zijn relatie met [naam] en hoe haar familie hun relatie heeft ontdekt. Ook heeft eiser ongerijmd verklaard over zijn terugkeer naar Pakistan nadat hij was gevlucht naar Turkije, omdat het volgens de minister niet te rijmen is dat eiser de relatie met [naam] voortzette nadat haar familie hem met de dood heeft bedreigd. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser moet terugkeren naar Pakistan.

9. Eiser voert onder meer in beroep aan dat de minister ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de door hem overgelegde kopieën van de fatwa die tegen hem is uitgevaardigd. Volgens eiser kan de minister deze documenten wel degelijk onderzoeken en had hij de kopieën van de fatwa moeten betrekken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid en zwaarwegendheid van eisers asielrelaas. Ook vindt eiser dat de minister niet aan hem kan tegenwerpen dat hij het origineel van de fatwa niet kan overleggen.

10. De minister stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser foto’s heeft overgelegd van de fatwa, maar dat deze de asielmotieven van eiser niet objectief onderbouwen, omdat de foto’s als kopieën moeten worden aangemerkt. Ter zitting heeft de minister desgevraagd aangegeven dat wel gekeken is naar wat er intern bekend is over (de echtheid van) fatwa’s, maar dat dat niet veel is. Verder heeft de minister ter zitting gesteld dat de fatwa een onderdeel is van het asielmotief en het hoe dan ook onvoldoende is om de andere tegenwerpingen ten aanzien van dit asielmotief te compenseren. Ten slotte heeft de minister op de vraag of van eiser verwacht kan worden dat hij de originele fatwa overlegt, aangegeven dat de moeilijkheidsgraad hiervan wordt onderkend, maar dat nu dit niet is gebeurd, de beoordeling in het bestreden besluit wordt gehandhaafd.

11. Uit Werkinstructie (WI) 2024/6, waarin het beleid over de wijze van beoordeling van de geloofwaardigheid is neergelegd, volgt dat eerst wordt beoordeeld of het asielmotief voldoende is onderbouwd met objectieve authentieke bewijsstukken (stap 2a) en zo niet, of wordt voldaan aan de in artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 vermelde voorwaarden (stap 2b). De rechtbank overweegt dat de minister in het bestreden besluit

terecht heeft vastgesteld dat de foto’s van de fatwa geen objectieve en authentieke bewijsstukken zijn. Uit WI 2024/6 volgt echter ook dat de minister kopieën van documenten betrekt bij stap 2b.1 De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 10 juni 20252 reeds erop gewezen dat in de WI bij stap 2b daar echter niet meer op wordt teruggekomen en dat dat ertoe kan leiden dat kopieën van documenten onvoldoende worden betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van een asielmotief.

12. De rechtbank is van oordeel dat dit in deze zaak het geval is ten aanzien van de overgelegde foto’s van de fatwa. Uit het bestreden besluit volgt slechts dat is beoordeeld of het een objectief en authentiek document is (stap 2a). Wat de minister ter zitting naar voren heeft gebracht leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank vindt dat de fatwa een dermate belangrijk onderdeel vormt van eisers asielrelaas dat niet kan worden verwezen naar de andere tegenwerpingen betreffende het asielmotief, maar dat de minister eerst de foto’s van de fatwa voor zover mogelijk moet onderzoeken en de resultaten daarvan kenbaar bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers asielmotief moet betrekken. Hierbij wijst de rechtbank ook op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 oktober 20193, waarin is overwogen dat van een vreemdeling niet kan worden verwacht het origineel van een fatwa te overleggen, gegeven de aard van een fatwa. Voor zover de minister heeft gesteld dat er geen onderzoek mogelijk is, volgt de rechtbank dit niet. Zo had de minister tactisch onderzoek kunnen doen of de verklaringen van eiser kunnen afzetten tegen de inhoud van de kopieën van de fatwa. Mogelijk dat er informatie is uit openbare bronnen over fatwa’s in het algemeen of dat er eventueel aanleiding is om een individueel ambtsbericht op te vragen.4 Dat dit allemaal niet mogelijk is of dat daar geen aanleiding voor is, is niet gebleken. De beroepsgrond slaagt.

13. Het beroep is reeds hierom gegrond. Omdat de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers asielmotieven nauw samenhangt met de uitkomst van het onderzoek naar de (foto’s van de) fatwa, zal de rechtbank geen oordeel geven over de overige beroepsgronden van eiser.

Conclusie en gevolgen

14. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel5 en het motiveringsbeginsel.6 Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen. Dit omdat de minister nader onderzoek zal moeten doen naar de kopieën van de fatwa en deze zal moeten betrekken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers asielmotief. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.

15. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.

16. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

1. Werkinstructie 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel), paragraaf 4.1.

2 Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10057, r.o. 7.2.

3 Uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3336, r.o. 3.2.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 20 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:9590.

5 Artikel 3:2 van de Awb.

6 Artikel 3:46 van de Awb.

22 december 2025

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand