ECLI:NL:RBDHA:2025:27963

ECLI:NL:RBDHA:2025:27963

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-11-2025
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer NL25.37209
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Asiel. Gambia. De minister mocht de aanvraag van eiser buiten behandeling stellen, omdat hij niet is verschenen bij zijn nader gehoor. Ook kon de minister aan eiser een terugkeerbesluit opleggen. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.M. Sanchez).

Samenvatting

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.37209

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),

en

1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling laten van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens en hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het buiten behandeling laten van de asielaanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het buiten behandeling laten van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 2 juni 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 augustus 2025 deze aanvraag buiten behandeling gesteld.

4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

5. De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I.M. Khokkhar als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Buitenbehandelingstelling

Totstandkoming van het bestreden besluit

6. Eiser heeft eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 8 juli 2021 afgewezen en aan

eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, heeft het beroep tegen dit besluit op 18 januari 2022 ongegrond verklaard.

7. Op 2 juni 2025 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. In het bestreden besluit heeft de minister die aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat eiser niet is verschenen bij het nader gehoor dat stond gepland op 21 juli 2025 en omdat hij niet binnen twee weken heeft aangetoond dat dit niet aan hem toe te rekenen is. De minister heeft de aanvraag daarom buiten behandeling gesteld en vastgesteld dat het eerder uitgevaardigde terugkeerbesluit van 8 juli 2021 nog steeds geldig is. Ook heeft de minister aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

8. Eiser voert aan dat de minister de asielaanvraag ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld. Eiser stelt dat hij een geldige reden heeft gegeven waarom het niet verschijnen bij het nader gehoor niet aan hem toe te rekenen is, namelijk dat de gemachtigde van eiser geen bericht heeft ontvangen dat de uitnodigingsbrief voor het nader gehoor is geüpload in het Portaal voor Advocaten. Dat de uitnodigingsbrief fysiek aan eiser is uitgereikt maakt geen verschil, omdat eiser de brief zelf niet kan begrijpen. Eiser is namelijk de Nederlandse taal niet machtig is en is laaggeletterd. Op de zitting heeft eiser verder aangevoerd dat de uitnodigingsbrief pas fysiek aan hem is uitgereikt op 22 juli 2025 terwijl het gehoor was gepland op 21 juli 2025.

9. De rechtbank overweegt dat de minister een asielaanvraag buiten behandeling kan stellen als een vreemdeling niet is verschenen bij een gehoor en hij niet binnen een termijn van twee weken heeft aangetoond dat dit niet aan hem toe te rekenen is.1 In het beleid van de minister is opgenomen dat bij het beoordelen van de toerekenbaarheid van het niet verschijnen wordt betrokken of de vreemdeling daarvoor een geldige reden heeft.2

10. De rechtbank stelt vast dat eiser op de zitting een nieuwe reden heeft aangevoerd waarom het niet verschijnen bij het nader gehoor niet aan hem is toe te rekenen, namelijk dat de uitnodigingsbrief pas op 22 juli 2025 aan eiser zou zijn uitgereikt. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze reden te betrekken bij haar oordeel, omdat deze reden pas op de zitting is gegeven en niet valt in te zien waarom deze reden niet binnen de in de wet genoemde termijn van twee weken na het geplande gehoor kon worden gegeven. De rechtbank ziet om die reden ook geen aanleiding om het onderzoek te heropenen om kennis te nemen van de whatsapp-berichten tussen eiser en een vriendin die op de zitting aan het licht zijn gekomen. De rechtbank houdt dus alleen rekening met de redenen die eiser binnen de wettelijke termijn van twee weken heeft aangegeven voor het niet verschijnen bij het nader gehoor.

11. De rechtbank oordeelt dat de minister de aanvraag buiten behandeling heeft mogen stellen, omdat eiser niet binnen een termijn van twee weken heeft aangetoond dat het niet aan hem toe te rekenen is dat hij niet is verschenen bij het nader gehoor. De gemachtigde van eiser heeft de geplande datum van het gehoor op 21 juli 2025 bevestigd. Ook heeft eiser niet betwist dat de minister de uitnodigingsbrief heeft geüpload in het Portaal voor Advocaten en dat de gemachtigde van eiser er op die manier kennis van had kunnen nemen. Dat de gemachtigde van eiser geen melding heeft ontvangen dat de uitnodigingsbrief digitaal beschikbaar was verandert het oordeel van de rechtbank niet, omdat de gemachtigde van eiser de geplande data van het nader gehoor eerder al had bevestigd. Bovendien heeft

eiser in de zienswijze bevestigd dat hij de uitnodigingsbrief wel fysiek heeft ontvangen. Eiser heeft daarover in de zienswijze en de beroepsgronden aangevoerd dat hij de inhoud van de brief niet heeft begrepen. Dat is naar het oordeel van de rechtbank geen reden om het niet verschijnen bij het nader gehoor niet aan eiser toe te rekenen. Eiser had namelijk hulp kunnen vragen bij het begrijpen van de uitnodigingsbrief. Eiser had zich bijvoorbeeld kunnen wenden tot zijn advocaat, de medewerkers van de opvanglocatie of de persoon die de brief aan hem heeft uitgereikt. De beroepsgrond slaagt niet.

Terugkeerbesluit en refoulement

12. Eiser voert aan dat de minister niet heeft mogen verwijzen naar het eerder uitgevaardigde terugkeerbesluit van 8 juli 2021 zonder een geactualiseerde beoordeling te maken van het risico dat eiser loopt op refoulement bij terugkeer naar Gambia. Eiser wijst op het arrest Ararat van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof).3

13. De rechtbank overweegt dat uit het arrest Ararat volgt dat de minister bij het opleggen en het uitvoeren van een eerder opgelegd terugkeerbesluit een geactualiseerde beoordeling moet maken van het risico dat een vreemdeling loopt op refoulement bij terugkeer naar zijn land van herkomst. Eiser heeft in de zienswijze en ook in beroep geen specifieke omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Gambia. De rechtbank ziet op basis van de op de zitting door eiser aangehaalde elementen van het asieldossier ook geen aanleiding voor het oordeel dat eiser bij terugkeer heeft te vrezen voor vervolging of ernstige schade.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Knijff, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

18 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

1. Artikel 30c, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2 Paragraaf C2/8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

3 Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024 (Ararat), ECLI:EU:C:2024:892.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. van der Knijff

Griffier

  • mr. B.J. van Rossum

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand