RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua),
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.43016
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
3. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2006. De minister heeft met het bestreden besluit van 29 augustus 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 5 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Het oordeel van de rechtbank
Het asielrelaas
6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is minderjarig. Eisers moeder is overleden waarna zijn vader een nieuwe vrouw kreeg. Eiser vreest voor zijn stiefmoeder die zijn broer heeft vermoord door vergiftiging. Eiser is naar aanleiding hiervan gevlucht uit Gambia.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst; en
- problemen met eisers stiefmoeder.
8. De minister vindt eisers asielmotieven ongeloofwaardig. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser zonder goede reden onvoldoende documenten heeft overgelegd om zijn identiteit te onderbouwen. Eiser heeft zich volgens de minister onvoldoende ingespannen om identificerende documenten te verkrijgen. Ook heeft eiser wisselend en tegenstrijdig verklaard over zijn leeftijd en zijn er twijfels over eisers minderjarigheid vanwege de leeftijdsschouwen (schouwen) die zijn verricht. De minister heeft daarom eisers geboortedatum aangepast van [geboortedatum 1] 2006 naar [geboortedatum 2] 2006. Verder heeft eiser tegenstrijdig verklaard over de problemen met zijn stiefmoeder. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser moet Nederland binnen een termijn van vier weken verlaten.
Geloofwaardigheid identiteit
9. Eiser voert aan dat de minister zijn identiteit ten onrechte niet geloofwaardig vindt. Eiser voert aan dat de leeftijdsschouw een niet op wetenschappelijk inzicht berustende methode is om de leeftijd vast te stellen. Eiser vindt dat de minister een medisch leeftijdsonderzoek had moeten afwachten om zijn leeftijd vast te stellen. Ook heeft de minister volgens eiser ten onrechte aan hem tegengeworpen dat hij onvoldoende inspanning heeft geleverd om zijn identiteit met documenten te onderbouwen. Zonder hulp kan hij geen documenten verkrijgen en niet van hem verwacht mag worden dat hij zich tot de Gambiaanse autoriteiten wendt. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn leeftijd. De minister mocht niet uitgaan van eisers verklaringen tijdens het aanmeldgehoor, omdat hij bij dat gehoor met een telefonische tolk is gehoord en nog geen rechtsbijstand had. Uit zijn referentiekader en het MediFirst advies blijkt bovendien dat hij moeite heeft met het plaatsen van exacte data. Eiser heeft zijn verklaringen gecorrigeerd met correcties en aanvullingen op de gehoren en daaruit blijkt de juiste tijdlijn. De minister had van die tijdslijn moeten uitgaan.
10. De rechtbank stelt vast dat zowel de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) als de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een schouw heeft verricht. Zowel de AVIM1 als de IND2 komen tot de conclusie dat twijfel bestaat over eisers minderjarigheid en dat nader onderzoek naar zijn leeftijd nodig is. Dit onderzoek heeft niet plaatsgevonden, maar de minister heeft op basis van de gerezen twijfel en eisers verklaringen vastgesteld dat eisers identiteit ongeloofwaardig is. De rechtbank oordeelt dat de minister ook zonder leeftijdsonderzoek eisers identiteit ongeloofwaardig heeft mogen vinden. Anders dan eiser stelt, is een leeftijdsonderzoek niet verplicht. Ook de schouw is een bruikbaar middel bij de beoordeling van iemands leeftijd. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 20 augustus 20253. Eiser voert niet aan dat de schouwen niet zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zouden zijn. De minister mocht daarom van die schouwen uitgaan.
11. Daarnaast heeft de minister van eiser mogen verlangen dat hij meer moeite doet voor identificerende documenten, in ieder geval zijn geboorteakte. Eiser heeft namelijk geen identificerende documenten overgelegd en ook geen pogingen daartoe gedaan. De minister heeft gewezen op openbare informatie waaruit blijkt dat eiser zich kan wenden tot de Gambiaanse ambassade in Nederland om identificerende documenten te verkrijgen zoals een geboorteakte. De stelling van eiser dat hij zich niet tot deze ambassade kan wenden, omdat hij een asielaanvraag heeft gedaan volgt de rechtbank in dit geval niet. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij vreest voor zijn stiefmoeder en niet de Gambiaanse autoriteiten bij terugkeer. Verder heeft de minister hierbij mogen betrekken dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het bezitten van identificerende documenten. Zo heeft hij enerzijds verklaard dat hij in Gambia een geboorteakte heeft, hij die niet bij zich heeft omdat hij niet wist dat hij die moest meenemen en hij de geboorteakte niet kan laten opsturen, omdat hij geen contact heeft met zijn vader.4 Anderzijds heeft eiser verklaard dat hij zijn geboorteakte is kwijtgeraakt toen hij op straat leefde.5 Eiser heeft geen verklaring gegeven voor deze tegenstrijdigheid.
12. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de minister aan eiser mag tegenwerpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn leeftijd en dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn gestelde identiteit. Dat eiser op diverse punten tegenstrijdig heeft verklaard over zijn leeftijd tijdens de gehoren is in beroep en ook op de zitting niet bestreden. Zo heeft eiser enerzijds verklaard dat hij drie jaar6 en anderzijds tien jaar7 heeft verbleven in [plaats] nadat hij was gevlucht voor zijn stiefmoeder. Ook heeft eiser tegenstrijdig verklaard over het moment waarop zijn moeder is overleden. Zo verklaart eiser dat zijn moeder zou zijn overleden toen hij vijf jaar oud was8; zegt hij later dat hij niet weet hoe oud hij was maar wel heel jong9; en weer later dat dit zou zijn gebeurd toen hij elf of twaalf jaar oud was10. Voor zover eiser aanvoert dat de minister deze tegenstrijdige verklaringen niet aan eiser mag tegenwerpen, omdat uit het medisch advies blijkt dat hij moeite heeft met het plaatsen van exacte data bij gebeurtenissen, is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met eisers referentiekader. Dit blijkt uit de gehoren. Zo heeft de minister samen met eiser een tijdlijn gemaakt over de gebeurtenissen, hem data laten schatten en aan de hand van seizoenen en feestdagen zoals de ramadan zoveel mogelijk geprobeerd aan te sluiten bij eisers belevingswereld. Dat de minister tijdens het aanmeldgehoor van 11 februari 2024 gebruik heeft gemaakt van een telefonische tolk en dat eiser ten tijde van dat gehoor geen rechtsbijstand had, verandert het oordeel van de rechtbank ook niet. Dit omdat eiser niet heeft onderbouwd waarom de minister geen gebruik mag maken van een telefonische tolk en ook omdat eiser tijdens het aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij de tolk goed kon verstaan.11 Verder heeft eiser niet onderbouwd op welke manier hij is benadeeld doordat hij ten tijde van dit gehoor geen rechtsbijstand had. Vóór de twee daaropvolgende gehoren had hij die rechtsbijstand wel en hij heeft ook met behulp van zijn advocaat correcties en aanvullingen ingediend. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aan te sluiten bij de in de zienswijze gegeven tijdlijn van gebeurtenissen.
13. Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers gestelde identiteit ongeloofwaardig is gelet op de uitkomst van de schouw, het gebrek aan documenten en eisers tegenstrijdige verklaringen over zijn leeftijd.
Geloofwaardigheid problemen met stiefmoeder
14. Eiser verwijst in dit verband naar de zienswijze. Daarnaast vraagt hij zich af of hem in dit kader wordt tegengeworpen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk zou hebben ingediend.
15. De rechtbank overweegt dat de enkele verwijzing van eiser naar wat hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht over de problemen met zijn stiefmoeder onvoldoende is om in beroep aangemerkt te worden als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd heeft gereageerd op wat eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hem niet juist is of niet toereikend is.12
16. Verder stelt de rechtbank vast dat de minister niet aan eiser tegenwerpt dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend. Dit is door de minister op de zitting bevestigd.
Conclusie en gevolgen
17. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielvergunning in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
1. Proces-verbaal van de AVIM van 8 februari 2024.
2 Aanmeldgehoor van 11 februari 2024.
3 Uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801.
4 Proces-verbaal van verhoor van 8 februari 2024, pagina 2.
5 Nader gehoor van 25 augustus 2024, pagina 5.
6 Nader gehoor van 25 augustus 2024, pagina 4.
7 Aanmeldgehoor van 11 februari 2024, pagina 5.
8 Aanmeldgehoor van 11 februari 2024, pagina 5.
9 Nader gehoor van 25 augustus 2025, pagina 8.
10 Nader gehoor van 25 augustus 2025, pagina 9.
11 Aanmeldgehoor van 11 februari 2024, pagina 2 en 12.
12 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 4 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2169) en 7 april 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1028).
15 december 2025