RECHTBANK DEN HAAG
[naam eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] ,
uitspraak
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.17330
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg), en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. N. Metalsi).
Procesverloop
Voor een weergave van het procesverloop tot en met 5 maart 2025 verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van die datum (de tussenuitspraak).
Bij de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld het gebrek in het bestreden besluit van 19 mei 2023 (het bestreden besluit) te herstellen met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen.
Verweerder heeft op 18 maart 2025 laten weten dat hij geen gebruik zal maken van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek op 19 maart 2025 gesloten.
Overwegingen
2. De rechtbank verwijst voor een weergave van de standpunten van partijen naar de tussenuitspraak.
3. De rechtbank blijft bij wat zij in haar tussenuitspraak heeft overwogen. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank – samengevat – geoordeeld dat verweerder de
individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van eiser onvoldoende in onderlinge samenhang heeft betrokken bij de beoordeling. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
4. De rechtbank heeft met haar tussenuitspraak invulling gegeven aan haar verplichting op grond van artikel 8:41a van de Awb. Verweerder heeft bij brief van 18 maart 2025 als reactie op de tussenuitspraak te kennen gegeven dat hij geen gebruik maakt van de gelegenheid het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Gelet hierop kan de rechtbank thans niet meer doen dan het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en
de tussenuitspraak. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat een opdracht tot verlening van de aangevraagde vergunning verstrekkend is en niet op voorhand valt uit te sluiten dat verweerder de afwijzing van de aanvraag alsnog deugdelijk kan motiveren, nog daargelaten de mogelijkheid van hoger beroep.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in beroep heeft gemaakt. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,- voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 maart 2025
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.