[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigden: mr. F. Witteman en mr. J. van Dam)
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning met het verblijfsdoel ‘studie’.
Verweerder heeft de verblijfsvergunning van eiser met het besluit van 29 juli 2024 ingetrokken. Met het bestreden besluit van 4 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de intrekking van de verblijfsvergunning gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder deelgenomen. Tegelijkertijd zijn ook andere beroepen van vergelijkbare gevallen zoals ingebracht door dezelfde gemachtigde behandeld.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Bengalese nationaliteit.
Eiser heeft bij besluit van 8 juli 2022 een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘studie’ verleend gekregen. Deze verblijfsvergunning is bij besluit van 29 juli 2024 (het primaire besluit) met terugwerkende kracht ingetrokken vanaf 2 februari 2023, omdat eiser niet langer ingeschreven stond bij de onderwijsinstelling die de vergunning voor eiser had aangevraagd. De onderwijsinstelling heeft eiser uitgeschreven omdat hij met zijn studie is gestopt. De intrekking geldt ook als terugkeerbesluit. Verweerder heeft het bezwaar van eiser hiertegen met het bestreden besluit van 4 februari 2025 kennelijk ongegrond verklaard en is bij de intrekking van de verblijfsvergunning gebleven.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft hiertegen beroep ingesteld.
De rechtbank heeft van eiser in zijn aanvullend beroepschrift van 4 september 2025 vernomen dat hij naast deze procedure een aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER heeft ingediend. In zijn verweerschrift van 1 oktober 2025 heeft verweerder bevestigd dat eiser dit heeft ingediend, dat de aanvraag is ingewilligd bij besluit van 17 september 2025 en dat de SIS-signalering is verwijderd. Hierbij heeft verweerder aangevoerd dat eiser niet langer belang heeft bij zijn beroep, dat enkel is gericht tegen de SIS-signalering. Eiser heeft dit ter zitting in zoverre niet bestreden maar wel verzocht om proceskostenvergoeding, omdat hij van mening is dat verweerder het bestreden besluit niet kon handhaven.
Nu verweerder aan het doel van eisers beroep tegemoet gekomen is, eiser geen ander belang bij deze procedure naar voren heeft gebracht en hij het gebrek aan procesbelang niet heeft bestreden, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de behandeling van zijn beroep. De rechtbank zal het beroep van eiser dan ook niet meer inhoudelijk behandelen.
Voor wat betreft eisers verzoek om proceskostenvergoeding het volgende.
De rechtbank overweegt dat verweerder ten tijde van het primaire besluit geen aanleiding had om te vermoeden dat eiser buiten Nederland verbleef, nu eiser intussen een wijziging van zijn verblijfsdoel had aangevraagd en in zijn zienswijze heeft aangegeven dat indien deze wordt afgewezen, hij zijn studie wilde vervolgen. Dat eiser zichzelf per 25 juni 2024 heeft uitgeschreven uit de BRP heeft voor verweerder daarom ook niet zonder meer tot een andere conclusie hoeven leiden. Eiser heeft in bezwaar voor het eerst aangegeven intussen te zijn verhuisd naar Portugal en voornemens te zijn daar een verblijfsvergunning aan te vragen. Hoewel eiser zijn verblijf in Portugal met meerdere documenten heeft onderbouwd – namelijk verklaringen van woonplaats van 13 december 2023 en van 16 april 2024, arbeidsovereenkomsten van 6 september 2023 en van 1 maart 2024, een uittreksel van het belastingregister van 3 augustus 2023, een uittreksel van het sociale verzekeringsinstituut van 9 december 2022, een ingevuld aanvraagformulier voor een verblijfsvergunning en loonstroken van januari 2024 tot en met juli 2024 – had verweerder hieruit ook niet hoeven afleiden dat er sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 maart 2025, en naar haar eigen uitspraken van 5 juni 2025 en van 18 december 2025. Eiser daarnaast heeft pas in 2025 (ruim na het bestreden besluit) zijn EU-verblijfsdocument gehad. Dat verweerder hiermee nu wel aanleiding heeft gezien om het terugkeerbesluit op te heffen en de bijbehorende SIS-signalering te verwijderen, maakt gelet op het voorgaande niet dat verweerder eiser ten onrechte een terugkeerbesluit had opgelegd toen was besloten dat eiser geen rechtmatig verblijf meer had in Nederland.
De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder eiser niet ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Het verzoek om proceskostenvergoeding wijst de rechtbank dan ook af.
Conclusie en gevolgen
4. Omdat er geen procesbelang meer bestaat bij deze procedure, zal het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
De rechtbank wijst daarnaast het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van P.J.J. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.