Gezag en zorg- c.q. omgangsregeling
Beschikking op het op 16 februari 2024 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S.C. Meijler te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.S. Rabarison te Amsterdam.
Procedure
Bij beschikking van 15 augustus 2024 van deze rechtbank is voor recht verklaard dat de ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Verder is een beslissing ten aanzien van het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aangehouden in afwachting van het verslag van de behandelend psycholoog van de kinderen, waaruit volgt of bij [minderjarige 1] en/of [minderjarige 2] ruimte bestaat voor het vaststellen van een zorgregeling tussen de vader en hen. Beide ouders zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de gewenste gevolgen en het gewenste verdere verloop van de procedure.
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder ook:
- de brief van 13 februari 2025 van de moeder, met als bijlage o.a. het verslag van de psycholoog van 1 februari 2025;
- de brief van 9 april 2025 van de vader;
- de brief van 26 september 2025 van de vader, met bijlagen;
- het bericht van 1 oktober 2015 van de vader, met bijlage.
Op 1 oktober 2025 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen op dit moment in Nederland is, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Verordening Brussel II-ter bevoegd om te beslissen op de verzoeken ten aanzien van het gezag. Uit artikel 15 van het HKBV 1996 volgt dat wanneer de Nederlandse rechter bevoegd is, Nederlands recht van toepassing is. Op de verzoeken van de vader en de moeder over het gezag en de zorgregeling is daarom het Nederlands recht van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder heeft verzocht om het gezamenlijk gezag over beide kinderen te beëindigen en haar met het eenhoofdig gezag te belasten. De vader heeft verweer gevoerd en heeft zelfstandig verzocht om een zorgregeling vast te stellen.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn nu respectievelijk 10 jaar en 8 jaar. Zij hebben hun vader inmiddels al zes jaar niet gezien, dus sinds zij respectievelijk 4 jaar en 2 jaar waren, op een aantal verrassingsbezoekjes in het verleden na.
Uit het verslag van de behandeld psycholoog van 1 februari 2025, door de vrouw overgelegd bij haar brief van 13 februari 2025, is gebleken dat [minderjarige 1] zeer negatieve gevoelens heeft ten opzichte van zijn vader. Dit is deels gebaseerd op herinneringen, deels omdat hij denkt te weten dat de vader in het begin van zijn leven geen moeite voor hem heeft gedaan en deels omdat hij bezorgd is om zijn moeder. Hij weet, of neemt aan, dat zij lijdt onder de situatie. [minderjarige 2] heeft volgens de psycholoog ook veel angst voor zijn vader in zich, ook al heeft hij geen herinneringen meer aan wat in het verleden tussen hem en de vader al dan niet is gebeurd. Bij [minderjarige 2] lijkt volgens de psycholoog nog enige ruimte te zijn om zijn vader te zien, wel in het bijzijn van een derde persoon. In het gesprek met de kinderrechter leek er bij [minderjarige 2] echter geen enkele ruimte (meer) te zijn voor contact met de vader.
De Raad heeft op de zitting opgemerkt dat het op zijn minst opvallend is dat beide kinderen zo standvastig zijn ten aanzien van het contact met hun vader, terwijl zij nog zeer jong waren toen zij hun vader voor het laatst hebben gezien. Voor de Raad is onduidelijk waar hun weerstand nu precies op gebaseerd is en de Raad heeft dit gedurende de procedure niet helder gekregen. Ook de rechtbank kan niet goed peilen waar de stevige houding van de kinderen vandaan komt. Het verslag van de psycholoog biedt onvoldoende houvast, te meer omdat de psycholoog aanneemt dat een deel van de problematiek bij de vader ligt en zij de vader tips geeft hoe daarmee om te gaan, zonder dat zij de vader heeft gesproken. Het is de rechtbank voorts niet duidelijk waarom [minderjarige 2] bij de psycholoog heeft aangegeven nog enige ruimte voor zijn vader te voelen, maar zich bij de kinderrechter volledig gesloten heeft opgesteld ten opzichte van de vader.
De rechtbank concludeert dat er te weinig informatie is om te kunnen beslissen. Zij maakt zich ernstig zorgen om de kinderen. Zij zijn zeer stellig in wat zij willen en de rechtbank is ervan overtuigd dat hun gevoelens op zich oprecht zijn. Echter kan de rechtbank, met de Raad, niet goed begrijpen waar de altijd nog aanwezige boosheid en het verdriet van de kinderen vandaan komen. De heftigheid van hun stellingen en emoties geeft naar opvatting van de rechtbank wel aan dat de kinderen hun vader nog niet hebben losgelaten. De rechtbank vindt het nu dan ook niet aan de orde om de vader uit het leven van de kinderen te zetten. Anderzijds kan de rechtbank met het oog op de kinderen en hun uitlatingen bij zowel de psycholoog als bij de rechtbank momenteel ook geen contactregeling vaststellen.
Voordat een beslissing wordt genomen over de voorliggende verzoeken zal de rechtbank de Raad verzoeken een onderzoek te doen en daarover rapport en advies uit te brengen. In dit onderzoek dienen de volgende vragen te worden beantwoord:
- Is het in het belang van de kinderen om de vader weer een rol in hun leven te geven?
o Zo ja, hoe moet die rol eruit gaan zien? Is er een opbouw nodig en zo ja, hoe zou deze opbouw eruit moeten zien?
o Zo nee, wat is ervoor nodig om die ruimte wel te creëren?
- Is het gezamenlijk gezag van de ouders in het belang van de kinderen of is het eenhoofdig gezag bij de moeder meer in hun belang?
De rechtbank zal in afwachting van het raadsonderzoek de procedure pro forma aanhouden voor zes maanden, tot 1 mei 2026.
Brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Gelijktijdig met deze beschikking naar partijen is een brief naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gestuurd, waarin de beslissing van de kinderrechter is uitgelegd. In de brief is het volgende opgenomen:
Beste [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,
Op 1 oktober 2025 sprak ik met jullie. We hebben het gehad over school en de mooie boeken die jullie lezen, en ook over jullie vader. Jullie zien jullie vader nu al een hele tijd niet meer. Toen we het over hem hadden, werden jullie heel serieus en ook een beetje verdrietig. Jullie wisten mij heel goed te vertellen dat jullie je vader niet willen zien. Jullie hebben ook verteld dat het bij jullie moeder goed gaat met jullie en dat jullie je daar fijn voelen. Dat vinden jullie genoeg.
Ik heb ook met jullie vader en moeder gesproken. Van jullie moeder hoorde ik dat het een stuk beter gaat met jullie dan een jaar geleden. Dat vind ik echt heel fijn. Jullie vader heeft verteld dat hij jullie mist. Het vindt het heel jammer dat hij jullie al zolang niet heeft gezien.
Ik heb jullie beloofd dat ik jullie zou schrijven als ik iets anders zou beslissen dan jullie willen. Dat doe ik bij deze.
Ik maak mij zorgen om jullie. Het is natuurlijk heel fijn dat jullie het goed hebben bij jullie moeder en bij haar vriend. Maar jullie vader maakt ook een deel van jullie uit. Misschien hebben jullie zijn haar, of lachen jullie net als hij, of zijn jullie net zo dol op boeken lezen als hij. Het is voor jullie belangrijk om te weten wat je moeder voor iemand is, en ook wat je vader voor iemand is, omdat zij allebei een deel van jullie zijn. Daar zijn jullie het nu vast niet mee eens. Maar grote mensen die er veel van weten, zeggen dat dat jullie gaat helpen om op te groeien tot leuke grote mannen.
Ik weet nu nog te weinig om te beslissen hoe het verder moet met jullie en jullie vader. Daar heb ik meer informatie voor nodig. Daarom ga ik de Raad voor de Kinderbescherming vragen mij te helpen. Bij de Raad voor de Kinderbescherming werken mensen die zich de hele dag bezighouden met kinderen en hoe zij opgroeien. Zij gaan praten met mensen om jullie heen (school, ouders, noem maar op) en misschien ook met jullie. Daarna gaan zij mij dan vertellen hoe het nu verder zou kunnen gaan met jullie en jullie vader. Daarna ga ik weer met jullie vader en moeder praten.
De mensen bij de Raad voor de Kinderbescherming hebben het heel erg druk. Daarom zal het nog wel een tijd duren voor zij mij meer kunnen vertellen. Daar moet ik, en jullie dus ook, geduld voor hebben.
Ik weet nu dus nog niet hoe het verder moet gaan met jullie en jullie vader. Als ik dat over een tijdje wel weet, stuur ik jullie weer een brief. Tot die tijd wens ik jullie het allerbeste!
Hartelijke groet,
De kinderrechter.
Beslissing
De rechtbank:
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met de hiervoor omschreven doelen en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
*
houdt de behandeling aan tot 1 mei 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
*
bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het eenhoofdig gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2025.