RECHTBANK DEN HAAG
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.4966
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. H.A. Rispens),
en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2006. Hij heeft de Surinaamse nationaliteit en woont in Suriname. Zijn vader (referent) heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland. Referent heeft namens eiser een aanvraag ingediend voor een mvv.
4. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 6 maart 2024 afgewezen. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat niet is aangetoond dat eiser feitelijk bij het gezin van referent hoort. Immers, niet is aangetoond dat eiser is geboren uit een huwelijk of niet-huwelijkse relatie tussen zijn moeder en referent. Evenmin is aangetoond dat sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiser en referent. Hierdoor heeft de minister geen familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aangenomen tussen eiser en referent.
5. Met het bestreden besluit van 10 januari 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
7. De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Is eiser geboren uit een huwelijk of een relatie die gelijk te stellen is met een huwelijk?
8. Eiser voert aan dat er, anders dan de minister stelt, wel sprake was van een relatie tussen zijn ouders op het moment dat hij werd verwekt en/of geboren. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser bij de aanvraag een brief van referent van 1 februari 2024 overgelegd waarin referent verklaart dat hij ten tijde van de geboorte van eiser een relatie had met de moeder van eiser, maar dat zij niet samenwoonden. Ook heeft referent tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure verklaard dat hij, toen hij nog in Suriname woonde, eiser elke dag zag en dat zij maar drie straten bij elkaar vandaan woonden. Ter onderbouwing hiervan zijn Surinaamse BRP-uittreksels overgelegd waar de adressen van referent en van de moeder in vermeld staan. Verder heeft eiser in de bezwaarprocedure een recente chatgeschiedenis overgelegd waarin een oude foto te zien is waarop zijn ouders samen staan afgebeeld. Eiser stelt dat dit een foto is van het moment dat zijn ouders elkaar net leerden kennen en de relatie tussen hen beide ontstond.
9. De rechtbank stelt voorop dat één van de voorwaarden voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent’ is dat eiser feitelijk tot het gezin van referent behoort. Dat staat in artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). In paragraaf B7/3.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is vermeld dat een kind feitelijk bij het gezin van een ouder hoort als tussen hen sprake is van familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. In paragraaf B7/3.8.1 Vc is opgenomen dat tussen ouders en hun uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie geboren minderjarige kinderen altijd sprake is van familie- of gezinsleven zoals bedoel in artikel 8 van het EVRM. Als een minderjarig kind niet uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie geboren is, dan is alleen sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen het minderjarige kind en de biologische vader als tussen hen sprake is van hechte persoonlijke banden.
10. De rechtbank oordeelt dat de minister op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van een relatie tussen zijn moeder en referent op het moment dat hij verwekt en/of geboren werd. De minister heeft de enkele stelling daartoe alsmede de hiervoor in 8. genoemde brief van 1 februari 2024, zonder nadere onderbouwing, onvoldoende mogen vinden. Ook heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de overgelegde BRP-uittreksels weliswaar aantonen dat referent en de moeder van eiser in hetzelfde stadsressort woonden in Suriname, maar dat daarmee nog niet is aangetoond dat zij een relatie hadden. De overgelegde foto waarop referent en de moeder van eiser samen poseren toont dit evenmin aan. Nu niet is aangetoond dat eiser is geboren uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie, moet tussen eiser en referent sprake zijn van hechte persoonlijke banden om familie-of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen hen beide te kunnen aannemen.
Is tussen eiser en referent sprake van hechte persoonlijke banden?
11. Subsidiair voert eiser aan dat sprake is van zeer hechte persoonlijke banden tussen hem en referent. In dit kader voert eiser aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat onvoldoende is aangetoond dat er contact is tussen hem en referent. Eiser heeft WhatsApp chats, foto’s, video’s en een retourticket van Nederland naar Suriname overgelegd. Volgens eiser tonen deze stukken in samenhang bekeken aan dat er contact is tussen hem en referent en dat er sprake is van hechte persoonlijke banden tussen hen beide. Bovendien stelt eiser dat de minister een te hoge bewijsmaatstaf hanteert. In dit kader verwijst eiser naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) van 1 augustus 2020 (ECLI:EU:C:2022:617) waaruit volgt dat het voor gezinshereniging tussen eiser en referent niet vereist is dat zij deel uitmaken van hetzelfde huishouden of samenwonen. Ook verwijst eiser naar het arrest van het HvJ van 27 juni 2006 (ECLI:EU:C:2006:429) waaruit volgt dat artikel 4 lid 1 van Richtlijn 2003/86/EG (de Gezinsherenigingsrichtlijn) aan de lidstaten een positieve verplichting oplegt om gezinshereniging toe te staan, waardoor aan de lidstaten geen beoordelingsmarge meer toekomt.
12. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet is aangetoond dat tussen eiser en referent sprake is van hechte persoonlijke banden. Hierbij heeft de minister van belang mogen vinden dat eiser en referent niet in gezinsverband hebben samengeleefd, dat niet duidelijk is in welke mate referent betrokken is bij de opvoeding van eiser en dat niet duidelijk is op welke manier en hoe vaak er contact is tussen referent en eiser. De minister heeft de uitleg van referent in hiervoor onder 8. genoemde brief van 1 februari 2024 onvoldoende mogen vinden omdat niet is toegelicht en onduidelijk is gebleven op welke manier en hoe vaak referent contact had met eiser. De minister heeft de bij de gronden van bezwaar overgelegde WhatsApp geschiedenis buiten beschouwing mogen laten, omdat eiser niet heeft aangetoond dat het een chatgeschiedenis tussen eiser en referent betreft. De minister heeft daarbij niet ten onrechte overwogen dat, ook als aangenomen zou worden dat de chatgeschiedenis gesprekken tussen eiser en referent betreft, de gesprekken voor een groot deel uit audioberichten en foto’s bestaat waarvan de inhoud onbekend is. Daarnaast betreft het een chatgeschiedenis van 5 december 2019 tot en met 2 april 2024, waardoor niet is aangetoond dat er vóór die datum ook al contact was. Ten aanzien van de bij de gronden van bezwaar overgelegde foto’s heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat dit geen foto’s zijn waarop eiser en referent samen te zien zijn, waardoor met deze foto’s evenmin wordt aangetoond dat sprake is van hechte persoonlijke banden tussen hen beide. De minister heeft in het overgelegde retourticket van [plaats 1] naar [plaats 2] van 10 december 2022 tot en met 15 januari 2023 ook geen aanleiding hoeven zien om aan te nemen dat zij elkaar (in die periode) bezocht hebben. Temeer nu ook geen andere bewijsstukken zijn overgelegd waaruit blijkt dat referent eiser heeft bezocht sinds 2011, de tijd dat referent in Nederland woont. Ten aanzien van de overgelegde video’s, heeft de minister overwogen dat deze vanwege veiligheidsredenen niet bekeken kunnen worden. Wel heeft de minister de toelichting bij de video’s meegenomen in de besluitvorming. De minister heeft uit deze toelichting mogen concluderen dat de stellingen van de moeder van eiser, betreffende de simkaart van eiser en de opvoedtaken van referent, in videoboodschappen niet nader onderbouwd zijn.
13. De rechtbank volgt het betoog van eiser, dat de minister een te hoge bewijsmaatstaf hanteert, niet. Uit het arrest van het HvJ van 1 augustus 2020 volgt inderdaad dat samenwoning niet noodzakelijk is om aan te tonen dat er sprake is van
werkelijk gezinsleven. Incidentele bezoeken, voor zover mogelijk, en regelmatige contacten van welke aard dan ook, kunnen volstaan. Echter, zoals hierboven onder 12. overwogen, hebben eiser en referent niet aannemelijk gemaakt in welke mate zij in het verleden contact hebben onderhouden, elkaar bezocht hebben en op welke wijze referent betrokken is geweest bij de opvoeding van referent. Bovendien heeft de minister ter zitting terecht opgemerkt dat de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing is omdat niet is voldaan aan artikel 3, lid 3 van deze richtlijn aangezien referent sinds 2021 de Nederlandse nationaliteit heeft en dus Unieburger is. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 30 oktober 2025.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.