RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp),
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. A. Sloots).
Samenvatting
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.39719
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
3. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 augustus 2025 deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
6. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen twee weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht twee weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
Wat vindt eiser in beroep?
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Totstandkoming van het bestreden besluit
7. Eiser heeft eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 12 september 2023 afgewezen. Dat besluit staat in rechte vast.
8. Op 4 januari 2024 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. In het nu bestreden besluit heeft de minister die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard omdat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd. De minister heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. De minister heeft verder verwezen naar de beschikking van 12 september 2023 waarin staat dat eiser moet terugkeren naar Tunesië. Dat terugkeerbesluit is volgens de minister nog steeds geldig. De minister stelt zich dan ook op het standpunt dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten.
9. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. De minister heeft ten onrechte nagelaten om zelfstandig onderzoek te doen naar mogelijk wél relevante nieuwe feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de vorige (onherroepelijke) afwijzing. Het volstaat niet om enkel te verwijzen naar de vorige beschikking en het daarin opgelegde terugkeerbesluit. De actuele situatie in het land van herkomst en het risico op refoulement dat eiser loopt bij terugkeer naar Tunesië, dienen telkens opnieuw beoordeeld te worden. Dat eiser geen zienswijze heeft ingediend, kan de minister niet ontslaan van die plicht. Immers, eiser had voorafgaand aan de beroepsprocedure geen professionele hulp en van hem kon daarom niet verwacht worden dat hij zelfstandig complexe nova formuleerde. Ten slotte heeft de minister ten onrechte nagelaten een belangenafweging te maken. De minister had, gelet op de verstrekkende gevolgen van het besluit, expliciet moeten motiveren dat geen sprake is van belangen of omstandigheden die dwingen tot afwijking van het beleid. Gelet op het voorgaande, vindt eiser dat het bestreden besluit in strijd is met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel en met artikelen 3:4 en 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
10. Ten aanzien van het terugkeerbesluit en het risico op refoulement, stelt de rechtbank voorop dat uit het arrest Ararat van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024 (ECLI:EU:C:2024:892) volgt dat de minister bij het opleggen en het uitvoeren van een eerder opgelegd terugkeerbesluit een geactualiseerde beoordeling moet maken van het risico dat een vreemdeling loopt op refoulement bij terugkeer naar zijn land van herkomst. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraak van 2 september 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4178) naar aanleiding van het arrest Ararat geoordeeld de minister deze geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken op basis van hetgeen de vreemdeling aanvoert en op basis van gegevens uit het dossier en informatie over het land van herkomst.
11. De rechtbank stelt vast dat eiser in onderhavige zaak geen enkele omstandigheid heeft aangevoerd waaruit blijkt dat hij bij terugkeer naar Tunesië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met het verbod op refoulement zoals bedoel in artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM. Dat eiser geen zienswijze heeft ingediend omdat hij op dat moment geen juridische hulp had, doet daar niet aan af. Immers, ook tijdens de beroepsprocedure (waarin eiser wel een gemachtigde heeft) is geen enkele concrete omstandigheid aangevoerd die daar op kan duiden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister zijn onderzoeksplicht niet heeft geschonden. De rechtbank ziet op basis van het dossier geen aanleiding voor het oordeel dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade.
11. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat van een onzorgvuldige besluitvorming of strijd met art. 3:4 van de Awb ook niet is gebleken. Ook dit is door of namens eiser aangevoerd zonder enige onderbouwing met feiten of omstandigheden. Het beroep is dan ook ongegrond.
Conclusie en gevolgen
13. De minister heeft de aanvraag van eiser niet-ontvankelijk mogen verklaren. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 10 december 2025.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.