Informele rechtsingang en benoeming bijzondere curator ex artikel 1:250 BW
Beschikking naar aanleiding van de op 1 augustus 2025 ingekomen aanvraag via de informele rechtsingang als bedoeld in artikel 1:253a lid 4 jo 1:377g van het Burgerlijk Wetboek (BW) van:
[de minderjarige 1] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende te op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.J. Hoff te Haarlem.
en
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.W. Castelijns te Amsterdam.
Procedure
De rechtbank heeft op 1 augustus 2025 de brief ontvangen die [de minderjarige 1] heeft gestuurd.
Op 27 augustus 2025 heeft [de minderjarige 1] in een gesprek met de kinderrechter van deze rechtbank gesproken over deze brief. Tijdens dit gesprek heeft [de minderjarige 1] ook een brief van [de minderjarige 2] overhandigd aan de kinderrechter. [de minderjarige 2] heeft vervolgens hierna ook in een gesprek met de kinderrechter gesproken over zijn brief.
Bij brief van 28 augustus 2025 heeft de rechtbank de ouders ingelicht over het gesprek met [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en hen uitgenodigd voor een zitting om hun mening over de wensen van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] aan de rechtbank kenbaar te maken. Ook de Raad voor de Kinderbescherming is voor de zitting uitgenodigd.
De rechtbank heeft verder de volgende stukken ontvangen:
- de brief van 26 september 2025 van de moeder, met bijlagen.
De zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2025. Hierbij zijn verschenen: de vader en de moeder, bijgestaan door hun advocaten en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Feiten
- De ouders hebben een affectieve relatie gehad met elkaar.
- Zij zijn de ouders van de nog minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] .
- De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
- De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de kinderen
belast, een aantekening in het gezagsregister van 27 september 2011
respectievelijk 1 maart 2015.
- Bij ouderschapsplan, door beide ouders ondertekend op 27 oktober 2017, zijn de
ouders - voor zover hier aan de orde — het volgende overeengekomen:
“De kinderen verblijven in de even weken op maandag t/m vrijdagochtend naar
school bij moeder; op vrijdag haalt vader de kinderen van school (12.00 uur) en
brengt de kinderen op zondag om 17.00 uur weer terug. De vader heeft vanaf deze
vrijdagochtend 9.00 uur (bijv. in geval van ziekte) de zorg voor de kinderen. In de
oneven wekenverblijven de kinderen op zondagmiddag 17.00 uur t/m woensdag
naar school bij moeder. Op de woensdagochtend in de oneven weken zal moeder
[de minderjarige 2] naar vader brengen na het naar school brengen van [de minderjarige 1] en haalt vader
[de minderjarige 1] van school (12.15 uur). De kinderen verblijven dan tot en met
vrijdagochtend naar school bij vader. Op deze vrijdag heeft de moeder vanaf 9.00
uur de zorg voor de kinderen. (.…)
Vader heeft aangegeven dat hij ernaar streeft om de zorgregeling met de kinderen te
kunnen uitbreiden. De ouders zijn het erover eens dat eerst dient te worden bezien
of de afgesproken zorgreling goed werkt voor de kinderen. Moeder heeft onder de
voorwaarde dat bovenstaande zorgregeling zonder problemen verloopt aangegeven
geen bezwaren te hebben tegen de uitbreiding van de zorgregeling. ”
- Bij dit ouderschapsplan zijn partijen ook een regeling voor de vakanties en
feestdagen overeengekomen, die neerkomt op een verdeling bij helfte.
- Bij beschikking van 14 juni 2023 van deze rechtbank is het voornoemde ouderschapsplan gewijzigd in die zin dat de kinderen bij de vader zullen zijn in de even weken vanaf vrijdagochtend 9.00 uur tot vrijdagochtend 9.00 uur in de oneven weken.
Aanvraag
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben de kinderrechter gevraagd om hun hoofdverblijf bij de vader te bepalen en de zorgregeling te wijzigen in die zin dat zij om het weekend naar de moeder gaan.
Beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a lid 4 in samenhang met artikel 1:377g BW kan de kinderrechter naar aanleiding van een aanvraag van een minderjarige ambtshalve een beslissing nemen over onder andere de hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling).
Brieven [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en kindgesprek
[de minderjarige 1] heeft in zijn brief en tijdens het kindgesprek verteld dat hij liever bij zijn vader wil wonen in plaats van bij zijn moeder. Hij geeft aan dat hij zich belemmerd voelt bij de moeder thuis en geen ruimte krijgt om zijn eigen leven in te richten. Bij de moeder voelt [de minderjarige 1] zich gecontroleerd en hij heeft een gevoel van onveiligheid bij haar, voortkomend uit een incident in augustus toen de jongens samen van de moeder waren weggevlucht en de moeder hen zou hebben klemgereden. [de minderjarige 1] heeft last van deze onveilige gevoelens en wil daarom meer bij de vader zijn. Daarnaast spelen de financiën ook een rol, omdat [de minderjarige 1] aangeeft dat hij geen geld krijgt van zijn moeder om kleding te kopen terwijl de vader de moeder wel kinderalimentatie betaalt.
[de minderjarige 2] heeft aangegeven ook moeite te hebben met hoe het bij de moeder thuis gaat en dat het contact met de moeder moeizaam verloopt. Hij loopt regelmatig weg bij haar. De kinderrechter heeft de indruk dat de broers veel samen optrekken en dat [de minderjarige 2] hierin (gedeeltelijk) het standpunt van [de minderjarige 1] overneemt.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting heeft de rechtbank met de ouders gesproken over de wensen van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . De vader heeft aangegeven de wensen van de jongens te herkennen en sluit zich hierbij aan. Hij heeft benadrukt dat dit echt de wens is van henzelf en niet vanuit de vader. Hij corrigeert de jongens als zij slecht over de moeder praten.
De moeder heeft aangegeven zich niet te herkennen in de verhalen van de jongens die zij bij de kinderrechter hebben verteld. Hoewel de kinderen en de vader aangeven dat de verzoeken en wensen van de jongens vanuit henzelf komen, heeft de moeder sterk de indruk dat dit vanuit de vader komt.
Ingevolge artikel 1:250 BW kan de kinderrechter een bijzondere curator benoemen om een minderjarige, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. De kinderrechter kan dit doen als – in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding of het vermogen van een minderjarige – de belangen van (één van) de met het gezag belaste ouders of voogd(en) in strijd zijn met die van de minderjarige. De kinderrechter moet beoordelen of zij die benoeming noodzakelijk acht en daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking nemen. Benoeming van een bijzondere curator kan plaatsvinden op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve.
De kinderrechter overweegt dat haar uit het dossier en ter terechtzitting gebleken is dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:250 BW. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter een bijzondere curator over de kinderen benoemen. Deze onafhankelijke persoon dient de kinderen te vertegenwoordigen. Van de bijzondere curator wordt in dit verband verwacht dat zij – voor zover mogelijk – (verder) zal onderzoeken:
Het staat de bijzondere curator vrij om tussen de ouders en de kinderen te bemiddelen en te proberen tot een door alle betrokkenen gedragen oplossing te komen. Ook staat het de bijzondere curator vrij om contact op te nemen met naar haar oordeel relevante derden, zoals de school van de kinderen.
Van haar bevindingen dient de bijzondere curator binnen acht weken schriftelijk verslag te doen aan de kinderrechter, de kinderen en de beide ouders. De kinderrechter zal in afwachting van dit verslag een beslissing op het verzoek aanhouden voor een periode van tien weken na datum van deze beschikking, of zoveel eerder als het verslag van de bijzondere curator gereed is en binnengekomen bij de rechtbank.
Zo nodig zal de kinderrechter na ontvangst van het schriftelijk verslag van de bijzondere curator een behandeling ter terechtzitting plannen waarvoor de beide ouders en de bijzondere curator zullen worden opgeroepen.
Indien de kinderrechter van oordeel is dat de bijzondere curator haar taak heeft volbracht, zal de rechtbank haar werkzaamheden voor deze procedure bij nadere beschikking als beëindigd beschouwen.
Brief aan [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2]
Tot slot vindt de kinderrechter het belangrijk de ouders te laten weten dat aan [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gelijk met de beschikking een brief is gestuurd, waarin de beslissing is uitgelegd. In die brief is het volgende opgenomen:
Beste [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ,
Van jullie beiden heb ik een brief gekregen en ik heb jullie beiden ook gesproken.
[de minderjarige 1] , jij hebt mij gevraagd de afspraken over de omgang te wijzigen. Jij wil niet meer week om week bij je vader en je moeder zijn, maar jij wil bij je vader wonen en dan om het weekend bij je moeder zijn. Je hebt mij verteld dat je je niet vrij voelt als je bij je moeder bent en dat je vindt dat zij jou te veel controleert. Je voelt je ook niet veilig, daarvoor gaf je als voorbeeld dat je moeder je klem had gereden met de auto. Verder speelt er ook nog wat gedoe over de financiën.
[de minderjarige 2] , jij hebt ook verteld dat je minder vaak naar je moeder wil. Je wil sowieso bij je broer blijven, en je vertelde ook dat je je helemaal niet fijn voelt bij je moeder.
Onlangs heb ik jullie vader en moeder gesproken. Jullie vader zei dat hij op de hoogte was van alles. Hij wist al hoe jullie je bij jullie moeder voelden en dat jullie een andere omgang wilden. Jullie moeder zei dat zij het niet wist. Zij vertelde dat zij wel met jullie wil praten over hoe het nu gaat, maar dat dat niet goed lukt.
Ik vind het moeilijk om een beslissing te nemen over de omgang. Ik heb jullie goed gehoord, maar kan het niet goed rijmen met wat jullie moeder vertelde. Daar komt nog bij dat ik jullie ouders helaas niet zo heel lang kon spreken, zodat ik het gevoel heb nog wel wat informatie te missen.
Ik heb daarom besloten om hulp in te schakelen. Die hulp wordt geboden door mevrouw Daniëlle van den Hoogen. Zij is een bijzondere curator. Een bijzondere curator is een soort kinderadvocaat. Mevrouw van den Hoogen gaat uitzoeken wat er precies speelt bij jullie en hoe we dat het beste op kunnen lossen. Daar gaat mevrouw van den Hoogen advies over geven aan mij. Daarna spreek ik jullie ouders weer en kunnen we hopelijk komen tot een omgangsregeling die voor iedereen goed werkt. Ik probeer alles zo snel mogelijk te laten gebeuren, maar het vraagt dus nog wel even geduld van jullie. Nadat ik jullie ouders weer heb gesproken, laat ik jullie weten hoe het verder gaat.
Hartelijke groet,
De kinderrechter
Beslissing
De rechtbank:
benoemt tot bijzondere curator over de kinderen [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2014 te [geboorteplaats] :
mevr. mr. D.G.M. (Danielle) van den HoogenKanaalpark 157, 2321 JW Leiden[e-mailadres][telefoonnummer 1] / [telefoonnummer 2]
verzoekt de griffier de gegevens van de ouders en [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] aan de bijzondere curator te verstrekken;
bepaalt dat de bijzondere curator binnen acht weken schriftelijk verslag dient te doen aan de rechtbank, aan de kinderen en de ouders, indien nog nodig ook inhoudende een standpunt over het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats;
bepaalt dat de ouders binnen twee weken na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator, desgewenst, hierop schriftelijk kunnen reageren; deze reactie dient aan de rechtbank, aan de bijzondere curator en aan de andere ouder te worden toegezonden;
houdt de behandeling van de aanvraag in afwachting van het voorgaande pro forma aan tot 15 december 2025.