ECLI:NL:RBDHA:2025:28141

ECLI:NL:RBDHA:2025:28141

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 15-05-2025
Datum publicatie 07-09-2026
Zaaknummer SGR 24/8081
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Afwijzing uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven - geen toepassing hardheidsclausule onvoldoende gemotiveerd - beroep gegrond.

Uitspraak

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C.M. van de Weerd).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven (Schadefonds).

Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 25 juni 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 september 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. De oom van eiser is om het leven is gekomen bij een geweldsmisdrijf. Hij stelt op grond daarvan schade te hebben geleden omdat zijn oom een ouderrol voor hem vervulde. Eiser heeft daarom een aanvraag gedaan voor een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser geen nabestaande is in de zin van de Wet schadefonds geweldmisdrijven (Wsg).

Wat vindt eiser in beroep?

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Met de afwijzing van de aanvraag doet verweerder tekort aan de realiteit. De oom van eiser vervulde namelijk een ouderrol in het leven van eiser nadat zijn moeder overleed. Eiser was ook het enige overgebleven familielid van zijn oom. Volgens verweerder heeft eisers oom daarom geen nabestaanden. Dit klopt niet en doet pijn. Gelet op het voorgaande had verweerder toepassing moeten geven aan de hardheidsclausule. Andere instanties zoals slachtofferhulp en de raad voor de rechtsbijstand erkennen wel dat eiser een nabestaande is van zijn oom.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. Het beroep is gegrond. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiser niet voldoet aan de vereisten om als nabestaande in de zin van de Wsg te worden aangemerkt. In geschil is of verweerder toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule en de uitkering alsnog had moeten toewijzen.

De rechtbank stelt voorop dat de hardheidsclausule alleen van toepassing is in zeer schrijnende gevallen. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat de bestuursrechter terughoudend moet toetsen of verweerder op toereikende gronden heeft besloten om al dan niet toepassing te geven aan de hardheidsclausule, gelet op de beleids- en beoordelingsruimte die verweerder heeft. Verweerder dient bij de beoordeling alle bijzondere omstandigheden van het geval te betrekken en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, kunnen worden aangemerkt als zodanige bijzondere omstandigheden dat de weigering van een tegemoetkoming in geval van schade als gevolg van het opzettelijk gepleegde geweld leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Eiser heeft aangevoerd dat zijn overleden oom voor hem een ouderrol vervulde, ondanks dat zijn biologische vader wel in beeld was. Eiser woonde weliswaar niet met zijn oom samen maar hij had met hem wel een bijzonder sterke band, mede omdat eiser en zijn oom de enige overgebleven familieleden waren van zijn overleden moeder. Eisers oom had ook geen andere nabestaanden. Eisers oom droeg weliswaar niet financieel bij aan zijn opvoeding, maar hier was ook geen noodzaak toe omdat eiser een erfenis had gekregen uit de nalatenschap van zijn overleden moeder. Wel beheerde eisers oom zijn financiën voor hem.

Verweerder heeft in beroep het standpunt ingenomen dat geen toepassing wordt gegeven aan de hardheidsclausule omdat eisers situatie niet vergelijkbaar is met de situatie waarbij het Schadefonds vaker de hardheidsclausule heeft toegepast. Verweerder heeft aangegeven dat een stiefouder die met het slachtoffer heeft samengewoond en die vanaf (zeer) jonge leeftijd de rol van ouder van het slachtoffer overneemt, terwijl de biologische ouder al jaren niet meer in beeld is, op grond van de hardheidsclausule wel als nabestaande wordt aangemerkt. De reden hiervoor is dat de stiefouder dan gelijk wordt gesteld met de rest van het gezin. Nu hiervan in eisers geval geen sprake is, komt eiser niet voor toepassing van de hardheidsclausule in aanmerking, aldus verweerder.

Nu verweerder de situatie van eiser enkel heeft vergeleken met deze situatie, is geen sprake van een deugdelijke motivering waarom de hardheidsclausule niet wordt toegepast. Verweerder had eisers situatie juist op zijn eigen merites moeten beoordelen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de bijzondere omstandigheden van het geval onvoldoende kenbaar heeft betrokken bij deze beoordeling.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een motiveringsgebrek. Omdat het beroep gegrond is, behoeven de overige gronden van beroep geen verdere bespreking.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

6. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten, omdat hij geen beroepsmatig verleende rechtsbijstand heeft gehad.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.M. de Wit

Griffier

  • mr. J.J. Yilmaz

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand