RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.11182
(gemachtigde: mr. R. Koelman),
en
(gemachtigde: mr. I. Vugs).
Procesverloop
Bij besluit van 27 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.S. Choukti. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] .
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag.
Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de bewaring te zwaar is, hij detentieongeschikt is en het onmenselijk is om hem tijdens de Ramadan op te sluiten. Verder voert eiser aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser doet een beroep op artikel 8 van het EVRM omdat hij een kind heeft bij zijn partner in Duitsland en het bezwarend is voor eiser dat hij niet bij zijn kind kan zijn doordat hij in bewaring zit. Hij wil regelen om bij hen te kunnen zijn, maar dat is lastig vanuit bewaring te doen.
4. Verweerder heeft de zware grond onder 3f ter zitting laten vallen en stelt zich op het standpunt dat, omdat de feitelijke juistheid van de overige gronden niet betwist is, deze gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en er geen aanleiding is voor een lichter middel.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser enkel gronden heeft aangevoerd tegen het lichter middel. Voor het overige refereert eiser zich aan het oordeel van de rechtbank.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet had hoeven volstaan met toepassing van een lichter middel. Voorop staat het risico op onttrekking aan het toezicht, zoals dat uit de (niet betwiste) gronden volgt. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting bevestigd dat er geen medische stukken zijn die eisers detentieongeschiktheid kunnen onderbouwen. Ook verder blijkt nergens uit dat de detentie voor eiser onevenredig bezwarend is (geworden). Waarom dit vanwege Ramadan wel zo zou zijn, heeft eiser niet toegelicht. Verweerder heeft er daarnaast terecht op gewezen dat, mocht eiser medische klachten in detentie ondervinden, de gezondheidszorg in detentie gelijk is aan de zorg in de vrije maatschappij. Verder heeft eiser niet aangetoond dat hij (zoals hij verklaarde) een kind heeft dat bij zijn partner in Duitsland verblijft. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de bewaringstelling ook niet heeft verklaard over een kind. Pas tijdens het nader gehoor in de asielprocedure heeft eiser verklaard dat hij een kind in Duitsland heeft. Ten tijde van het opleggen van de bewaringsmaatregel kon verweerder van deze verklaringen niet op de hoogte zijn, nu het nader gehoor na de inbewaringstelling heeft plaatsgevonden. Eisers standpunt ter zitting dat hij tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft verklaard over een kind omdat hij de vraag mogelijk niet goed heeft begrepen, is niet nader onderbouwd. Uit het verslag daarvan blijkt dat eiser de tolk goed kon verstaan en begrijpen (pagina 2). Niet valt dan ook in te zien waarom eiser de vraag over zijn persoonlijke omstandigheden niet goed begrepen zou hebben en waarom hij dan niet al toen kon verklaren over een kind dat hij in Duitsland heeft. Evenmin heeft eiser onderbouwd dat hij in Duitsland een verblijfsrecht heeft of dat hij doende is dit verblijfsrecht (bij zijn vriendin en kind) te verkrijgen. Verweerder heeft daarnaast in de maatregel toegelicht dat is geprobeerd eisers vriendin te bellen, maar dat niet werd opgenomen. Daarbij is opgemerkt dat zij in de telefoon van eiser staat opgenomen onder een heel andere naam en dat het gaat om – zo verklaarde eiser zelf – een relatie van zes maanden. Ook kan eiser geen concreet adres van zijn vriendin in Duitsland noemen. Eisers verklaringen over zijn vriendin en kind, en daarmee zijn beroep op artikel 8 van het EVRM, hoefde voor verweerder dan ook geen aanleiding te zijn om af te zien van de maatregel van bewaring. Tot slot heeft eiser geen adres in Nederland genoemd waar hij dan zou kunnen verblijven, zodat in het licht van het onttrekkingsrisico ook daarom een meldplicht niet aan de orde is. Eisers beroepsgrond over een lichter middel slaagt dan ook niet.
7. De rechtbank heeft alle overige aspecten die de rechtmatigheid van de maatregel betreffen ambtshalve beoordeeld en overweegt dat ook deze rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel niet tot de conclusie leidt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Broier, rechter, in aanwezigheid van mr.M.B.J. Schreijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 20 maart 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.