[eiser] , eiser,
V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. A.H. Hekman),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser met het bestreden besluit van 12 december 2024 niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorlopige voorziening is door de voorzieningenrechter op 14 januari 2025 toegewezen.
De rechtbank heeft het beroep op 10 februari 2025 op zitting behandeld. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Op 18 februari 2025 heeft verweerder een bericht geüpload waaruit blijkt dat eiser ‘met onbekende bestemming’ is betrokken. Omdat dit bericht na sluiting van het onderzoek aan het dossier is toegevoegd, laat de rechtbank dit buiten beschouwing.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 14 augustus 2024 aan Polen een verzoek om terugname gedaan. Polen heeft dit verzoek op 21 augustus 2024 aanvaard.
Had verweerder aanleiding moeten zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening?
5. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder zijn asielaanvraag aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Volgens eiser zou overdracht naar Polen getuigen van een onevenredige hardheid. Eiser voert aan dat verweerder geen specifiek beleid voert over welke omstandigheden wel of niet worden meegenomen in de beoordeling van de discretionaire bevoegdheid om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. Verweerder dient daarom alles wat eiser aanvoert in de beoordeling in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening mee te nemen. Eiser voert verschillende omstandigheden aan die verweerder mee had moeten nemen in deze beoordeling. Eiser heeft in Polen gedwongen vingerafdrukken moeten afstaan, heeft drie dagen in een cel vastgezeten, heeft tweeënzestig dagen in een detentiecentrum vastgezeten, heeft drie pushbacks meegemaakt, is meerdere malen mishandeld waaronder door honden en is slachtoffer geweest van verbale agressie en discriminatie vanuit de Poolse autoriteiten. Eiser heeft hierdoor last van angstklachten, stress en slapeloosheid. Dit is door eiser onderbouwd met een medisch dossier, waarin ook staat dat zijn psychische klachten passend zijn bij PTSS en in direct verband staan met de gebeurtenissen in Polen. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom de asielaanvraag van eiser niet inhoudelijk in behandeling wordt genomen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening gelet op de aangevoerde verklaringen en argumenten van eiser. Verweerder heeft daarom onvoldoende gemotiveerd waarom de overdracht niet zou getuigen van een onevenredige hardheid.
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder hetgeen eiser is overkomen in Polen heeft betrokken bij de beoordeling of er ten aanzien van Polen uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ten aanzien van de vraag of sprake is van een onevenredige hardheid heeft verweerder overwogen dat de gebeurtenissen in Polen niet relevant zijn omdat deze omstandigheden volgens verweerder alleen betrekking hebben op de vraag of er concrete aanwijzingen zijn dat Polen zijn internationale verplichtingen niet nakomt.
De rechtbank is bekend met de jurisprudentie van de Afdeling waarin is bepaald dat voor de toets van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan feiten en omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, geen betekenis toe kan komen. Voor zover uit die jurisprudentie de conclusie zou moeten worden getrokken dat aan deze feiten en omstandigheden nooit betekenis kan toekomen bij de toets van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, volgt de rechtbank die conclusie niet. De rechtbank overweegt hierbij dat de toets van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening een andere toets is dan de toets van artikel 3 van de Dublinverordening (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). Bij de vraag of van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan wordt de algemene situatie in de betreffende lidstaat beoordeeld. De individuele situatie van de vreemdeling is daarbij alleen zijdelings van belang. Terwijl bij de vraag of de overdracht getuigt van onevenredige hardheid de individuele situatie van de vreemdeling beoordeeld dient te worden. Dit alleen al maakt dat er sprake is van een ander beoordelingskader. Verder overweegt de rechtbank dat bij de beoordeling of er kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, de situatie in de verantwoordelijke lidstaat na de overdracht in aanmerking moet worden genomen. Hetgeen verweerder ook gedaan heeft. En niet de situatie waarin de vreemdeling zich bevond toen hij de verantwoordelijke lidstaat in eerste instantie betrad. Dit betekent dat indien de eerdere ervaringen niet betrokken kunnen worden bij de beoordeling in het kader van artikel 17 Dublinverordening, deze ervaringen helemaal niet betrokken worden. Dit komt de rechtbank onwenselijk voor. Verder overweegt de rechtbank dat uit de considerans van de Dublinverordening volgt dat een lidstaat om humanitaire redenen of uit mededogen moet kunnen afwijken van de verantwoordelijkheidscriteria. Er zal dan dus ook naar alle persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling gekeken moet worden om vast te stellen of humanitaire redenen maken dat een overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Indien bepaalde omstandigheden uitgesloten worden van de toets van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening resulteert dit in een onevenredige toets. De rechtbank is daarom van oordeel dat wat eiser in Polen heeft meegemaakt en thans nog relevant is, betrokken dient te worden in de beoordeling ten aanzien van artikel 17 Dublinverordening. Omdat verweerder dit heeft nagelaten, is sprake van een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf te voorzien in de zaak. Verweerder krijgt zes weken om een nieuw besluit te nemen.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 12 december 2024;
- geeft verweerder 6 weken vanaf de dag van het verzenden van deze uitspraak om een nieuw besluit te nemen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C.E. Krikke, rechter, in aanwezigheid van mr. J.W. Robijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.