RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12081
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
(gemachtigde: mr. S. Juriaans).
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Zicht op uitzetting
1. Eiser voert aan dat er in het algemeen geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije is. Eiser stelt dat advocaten, ook na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892), zijn blijven aanvoeren dat er geen zicht op uitzetting naar Algerije is. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar vijf uitspraken van verschillende zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag. In al die uitspraken werd aangevoerd dat het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt. Het is volgens eiser dan ook evident dat Algerijnen net zolang in bewaring blijven totdat verweerder hen in het kader van een belangenafweging vrijlaat. Eiser vraagt de rechtbank om bij verweerder actuele cijfers van het jaar 2025 op te vragen over het aantal vreemdelingen dat daadwerkelijk gedwongen wordt uitgezet naar Algerije zodat de rechtbank deze kan controleren.
2. De rechtbank stelt voorop dat (sinds december 2023) in zijn algemeenheid zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije bestaat. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892), 15 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2842) en 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722). Uit de twee laatstgenoemde uitspraken volgt dat er ook zicht op uitzetting bestaat voor ongedocumenteerde Algerijnen. De rechtbank ziet in hetgeen eiser aanvoert geen reden om aan te nemen dat het zicht op uitzetting naar Algerije nu ontbreekt. Alle (vervolg)beroepen waarnaar eiser heeft verwezen zijn ongegrond verklaard. Uit het feit dat advocaten na de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2024 zijn blijven aanvoeren dat er geen zicht op uitzetting naar Algerije is, doet niet af aan de feitelijke situatie. Verweerder heeft daarnaast op de zitting verklaard dat uit de cijfers van het jaar 2024 blijkt dat er (in elk geval) tot en met december 2024 sprake is geweest van gedwongen uitzettingen naar Algerije. Er zijn geen aanknopingspunten dat er in de drie maanden na december 2024 iets is veranderd aan deze situatie. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat er in zijn algemeenheid geen zicht op uitzetting naar Algerije is en dat Algerijnen net zo lang in bewaring zitten totdat verweerder hen in het kader van een belangenafweging vrijlaat. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om actuelere cijfers bij verweerder op te vragen. De beroepsgrond slaagt niet.
3. Eiser voert verder aan dat er in zijn concrete geval geen zicht op uitzetting naar Algerije is. Eiser heeft namelijk zijn medewerking verleend, maar de Algerijnse autoriteiten laten al ruim een week niks van zich horen.
4. Verweerder heeft op 17 maart 2025 een lp-aanvraag ingediend. Deze is dus pas ruim een week geleden ingediend en is nog in behandeling bij de Algerijnse autoriteiten. Dat er tot op heden geen reactie van de Algerijnse autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, betekent niet dat in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Met een lp-traject bij de Algerijnse autoriteiten gaat in het algemeen de nodige tijd (soms meerdere maanden) gemoeid. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring – waaronder de zware en lichte gronden van de maatregel – te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.