[verzoeker] , V-nummer: [v-nummer] , verzoeker
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Inleiding
1. Deze uitspraak gaat over het verzoek om schadevergoeding dat verzoeker heeft gedaan in de procedure tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Verzoeker heeft op 18 november 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 11 november 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, B.J. Kane als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Bij uitspraak van 25 februari 2025 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, zelf in de zaak voorzien door de asielaanvraag af te wijzen als ongegrond en een vertrektermijn van vier weken opgelegd. In deze uitspraak heeft de rechtbank ook beslist om het verzoek om schadevergoeding apart te behandelen in een zelfstandige verzoekschriftprocedure. Reden hiervoor was dat de rechtbank zich nog niet voldoende geïnformeerd achtte om op dit punt een oordeel te vormen.
Op 25 februari 2025 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op het verzoek om schadevergoeding. Bij brief van 7 maart 2025 heeft verweerder schriftelijk gereageerd. Bij brief van 17 maart 2025 heeft verzoeker schriftelijk gereageerd op het standpunt van verweerder.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en heeft gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker heeft de Senegalese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1995. Verzoeker heeft op 18 november 2024 asiel aangevraagd. Verweerder heeft verzoekers aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat hij afkomstig is uit een veilig land van herkomst.
Wat vindt verzoeker?
3. Verzoeker heeft verzocht om een schadevergoeding voor de periode dat hij in bewaring heeft verbleven vanaf het gehoor. Verzoeker wijst op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 8 januari 2025. In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het uitzonderen van groepen zich niet verdraagt met de aanwijzing van een land als veilig in de zin van de Procedurerichtlijn en dat verweerders aanwijzing van Senegal als veilig land van herkomst niet berust op een draagkrachtige motivering. De rechtbank heeft daarom artikel 3.37f, vierde lid, aanhef en onder a, van het Vv 2000 onverbindend verklaard. Omdat in verzoekers geval zijn aanvraag enkel is afgewezen als kennelijk ongegrond vanwege zijn herkomst uit een veilig land, is daarmee ook de grondslag voor de toepassing van de grensprocedure en de bewaringsmaatregel onrechtmatig. Vanaf het gehoor had voor verweerder duidelijk moeten zijn dat de aanvraag niet als kennelijk ongegrond kon worden afgedaan. Verzoeker kan het verzoek om schadevergoeding alleen naar voren brengen in de procedure tegen de afwijzing van de asielaanvraag en niet in een procedure tegen de bewaringsmaatregel omdat uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat de bewaringsrechter niet kan oordelen over de rechtmatigheid van een besluit en daarom ook niet over de toepassing van de grensprocedure.
Wat vindt verweerder?
4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek om schadevergoeding alleen naar voren gebracht kan worden in een procedure tegen de bewaringsmaatregel omdat wordt verzocht om een vergoeding voor schade die is geleden als gevolg van het opleggen en voortduren van de bewaringsmaatregel. Het vervolgberoep dat verzoeker heeft ingesteld tegen het voortduren van de bewaringsmaatregel is bij uitspraak van 16 januari 2025 ongegrond verklaard. Daarmee is het voortduren van de bewaringsmaatregel rechtmatig bevonden tot en met 7 januari 2025. Daarom heeft verweerder schadevergoeding aangeboden vanaf 8 januari tot en met 25 februari 2025, de datum dat de bewaringsmaatregel is opgeheven. Het verzoek om schadevergoeding in deze zaak moet worden afgewezen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Procesbelang
5. Verweerder heeft bij brief van 26 maart 2025 door middel van een systeemuitdraai medegedeeld dat eiser sinds 12 maart 2025 met onbekende bestemming is vertrokken en de rechtbank verzocht om het procesbelang te beoordelen.
Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrecht volgt dat als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. De rechtbank overweegt echter dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om tot het oordeel te komen dat deze rechtspraak analoog moet worden toegepast in het onderhavige geval waarin het gaat om een verzoek om schadevergoeding wegens een onrechtmatig besluit en niet om een verzoek om internationale bescherming. De rechtbank zal het beroep daarom inhoudelijk beoordelen.
Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat ook procesbelang dient te worden aangenomen in het geval de hiervoor genoemde rechtspraak van de hoogste bestuursrechter wel van toepassing zou zijn, omdat de gemachtigde van eiser bij bericht van 1 april 2025 heeft laten weten dat hij nog contact heeft met eiser, dat eiser in Nederland verblijft en dat hij de procedure wenst voort te zetten.
Het verzoek om schadevergoeding
6. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding toe. Zij overweegt hiertoe als volgt.
Uit artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb volgt dat de bestuursrechter bevoegd is om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit.
Bij uitspraak van 25 februari 2025 heeft de rechtbank de afwijzing van verzoekers asielaanvraag als kennelijk ongegrond onrechtmatig bevonden omdat verweerders aanwijzing van Senegal als veilig land van herkomst niet berust op een draagkrachtige motivering. De rechtbank heeft zich daarbij aangesloten bij het oordeel van de meervoudige kamer van deze rechtbank in de uitspraak van 8 januari 2025.
De rechtbank is van oordeel dat de beslissing van verweerder, na het gehoor, om de grensprocedure toe te passen en de bewaringsmaatregel te laten voortduren daarmee moet worden beschouwd als een onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit. Deze beslissing berustte immers op de onterechte aanname dat verzoekers aanvraag kon worden afgedaan als kennelijk ongegrond vanwege zijn herkomst uit een veilig land en de aanvraag enkel op deze grond is afgedaan als kennelijk ongegrond.
Verweerder wijst er terecht op dat artikel 106 van de Vw 2000 een bijzondere en exclusieve bevoegdheid geeft als het gaat om de toekenning van schadevergoeding als gevolg van een maatregel van vreemdelingenbewaring. Die exclusieve bevoegdheid ziet op verzoeken om schadevergoeding waarbij de schade naar gesteld is gelegen in de onrechtmatigheid van het besluit tot inbewaringstelling. In dit geval heeft verzoeker als schadeoorzaak echter niet de bewaringsmaatregel aangewezen maar het besluit tot voortzetting van de grensprocedure. De bestuursrechter is op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 72a van de Vw 2000, anders dan verweerder betoogt, wel degelijk bevoegd om te oordelen over een verzoek tot vergoeding van schade die beweerdelijk is veroorzaakt door de beslissing tot voortzetting van de grensprocedure. De rechtbank heeft in dit oordeel betrokken dat het volgen van het standpunt van verweerder zou betekenen dat de mogelijkheid voor een vreemdeling om schade vergoed te krijgen die geleden is als gevolg van een (voorbereidende handeling op een) onrechtmatige asielbeschikking afhankelijk zou zijn van de min of meer toevallige omstandigheid of al een rechterlijk oordeel is gegeven over (het voortduren van) de maatregel van bewaring. Zoals volgt uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 14 mei 2012, zou een dergelijk oordeel zich niet verhouden tot artikelen 5 en 13 van het EVRM omdat voor de vreemdeling steeds de mogelijkheid moet bestaan om de door hem geleden schade vergoed te krijgen.
De rechtbank ziet aanleiding om schadevergoeding toe te kennen voor de periode vanaf 6 november 2024 - twee dagen na het gehoor - tot en met 7 januari 2025. Reden hiervoor is dat verweerder uit de door verzoeker afgelegde verklaringen tijdens het gehoor op 4 november 2024 had kunnen en moeten opmaken dat verzoekers aanvraag redelijkerwijs niet zou kunnen worden afgewezen als kennelijk ongegrond en dat daarom geen grondslag bestond voor voortzetting van de grensprocedure en daarmee het voortduren van de bewaringsmaatregel. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder na het aanmeldgehoor twee dagen de tijd heeft om een beslissing te nemen ten aanzien van het voortduren van de bewaring. Daarnaast heeft verweerder in de zaak betreffende het vervolgberoep tegen de bewaringsmaatregel al schadevergoeding aangeboden vanaf 8 januari 2025 tot en met 25 februari 2025. Voor deze periode zal de rechtbank daarom geen schadevergoeding toekennen. Hieruit volgt dat verzoeker ten aanzien van de schade die hij heeft geleden door zijn verblijf in bewaring, recht heeft op een schadevergoeding van € 6.300,- (63 dagen x € 100,-). De rechtbank veroordeelt verweerder tot het betalen van dit bedrag.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding toe en veroordeelt verweerder tot het betalen van een bedrag van € 6.300,- aan verzoeker.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte kosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door
een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50,- (1 punt voor het (in plaats van een fysieke zitting) voeren van een schriftelijke procedure, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, waarvoor een wegingsfactor van 0,5 dient te worden gehanteerd, omdat de gemachtigde van eiser zijn verzoek in deze procedure summier heeft gemotiveerd.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.J. Yilmaz, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.