[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Hijma),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: J.E. Herlaar).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Hij heeft op 6 juli 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 30 augustus 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
De rechtbank heeft beroep op 13 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Masshoor als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat de zaak over?
2. Eiser heeft de Afghaanse nationaliteit en stelt geboren te zijn op [datum] 2006. Verweerder heeft echter de geboortedatum [datum] 2005 als leidend beschouwd. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zijn vader als commandant bij de nationale politie in Afghanistan heeft gewerkt en daarbij heeft samengewerkt met de Amerikanen. Op het moment dat de Taliban de macht heeft overgenomen is eiser samen met zijn gezin, op aanraden van zijn vader, Afghanistan uitgereisd, omdat het niet meer veilig was en eiser geen toekomst meer had in Afghanistan. Tijdens de reis is eiser zijn gezin kwijtgeraakt. Eiser vreest bij terugkeer gegijzeld te worden door de Taliban totdat zijn vader naar Afghanistan terugkeert of dat hij wordt vermoord.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende, geloofwaardig geachte, asielmotieven.
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- vader werkte als politie met de Amerikanen.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging en hij bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade loopt. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege het werk van zijn vader problemen heeft ondervonden.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen geloof hecht aan de later door hem aangevoerde problemen van zijn vader. Het argument van verweerder dat noch eiser noch zijn vader problemen aan de zijde van de Taliban hebben ondervonden zegt weinig over de vrees bij terugkeer. Bovendien heeft eiser niet verklaard dat zijn vader geen problemen heeft gehad, maar dat hij dit niet weet. Het is in de Afghaanse cultuur gebruikelijk dat ouders hun kinderen niet willen belasten met hun problemen. Ook lag het niet voor de hand om voorafgaand aan zijn nader gehoor wel nadere informatie bij zijn vader op te vragen, omdat niemand hem op de noodzaak hiervan heeft gewezen. Dat eiser per direct Afghanistan heeft verlaten tijdens de machtsovername van de Taliban in augustus 2021 geeft aan dat hij wel vreest voor de Taliban. Eiser verwijst hierbij naar het aanmeldgehoor AMV. Verweerder heeft ten onrechte geen nader onderzoek gedaan naar de precieze positie van de vader van eiser, nu juist de positie bepalend is voor de mate van vrees voor de Taliban. Eiser verwijst in dit kader naar het algemeen ambtsbericht Afghanistan van juni 2023. Omdat verweerder geloofwaardig heeft geacht dat de vader van eiser als politie werkte met de Amerikanen loopt eiser gelet op het ambtsbericht risico op ernstige schade. Ten aanzien van de verklaringen die na het nader gehoor zijn ingebracht voert eiser primair aan dat deze geloofwaardig geacht dienen te worden en subsidiair dat los van de aanvullende verklaringen er sprake is van een reëel risico op ernstige schade.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit artikel 31 van de Vw 2000 volgt dat verweerder de beoordeling van het reële risico op ernstige schade moet verrichten aan de hand van de persoonlijke kenmerken van een vreemdeling, diens individuele omstandigheden en wat een vreemdeling verder heeft aangevoerd. Die omstandigheden moeten worden bezien tegen de achtergrond van de algemene veiligheidssituatie in het land van herkomst. Het is aan een vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij op individuele gronden in aanmerking komt voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar Afghanistan niet een reëel risico op ernstige schade loopt.
Hierbij overweegt de rechtbank het volgende. Verweerder heeft onvoldoende betrokken dat eisers vader zowel wegens zijn werkzaamheden voor de politie als zijn functie bij de politie doelwit van de Taliban kan zijn. Verweerder heeft die werkzaamheden immers geloofwaardig gevonden, evenals de omstandigheid dat de vader van eiser samen heeft gewerkt met de Amerikanen. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat is aangenomen dat eiser een rol heeft gehad bij de Afghaanse politie. Welke rol dat is geweest, daar kon verweerder geen antwoord op gegeven nu daar geen onderzoek naar is gedaan. De rechtbank overweegt dat verweerder ten onrechte geen onderzoek hiernaar heeft gedaan, nu de positie van de vader van eiser mede bepalend is voor de mate waarin zijn vader alsmede eiser voor problemen heeft te vrezen. Het betoog van verweerder dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade omdat eiser dan wel zijn vader geen problemen heeft gehad met de Taliban, volgt de rechtbank niet. Dat eiser geen problemen heeft ondervonden met de Taliban wegens de functie van zijn vader, maakt niet dat eiser bij terugkeer geen problemen zal ondervinden. Eiser heeft immers verklaard dat zijn vader berichten heeft gehad dat het district [district] , waarin de stad/dorp van eiser ligt, ingenomen zou worden door de Taliban. Eiser is toen samen met zijn gezin per direct gevlucht. Bovendien is de situatie inmiddels veranderd nu de Taliban aan de macht is. Verder overweegt de rechtbank dat uit het ambtsbericht Afghanistan van juni 2023 blijkt dat er ook expliciet risico’s gelden voor familieleden. Zo staat er in het ambtsbericht “Diverse organisaties bevestigden (..) dat familieleden van voormalige veiligheidstroepen of overheidsmedewerkers slachtoffer zijn geworden van ondervragingen, mishandelingen, geweld en zelfs executies”. Dat het volgens verweerder hier enkel om algemene informatie gaat en dit niet ziet op de persoonlijke situatie kan de rechtbank niet volgen. Eiser is immers een familielid van een voormalige politieagent. Verweerder heeft ten onrechte niet in onderlinge samenhang beoordeeld of eiser door de werkzaamheden van zijn vader, die gelet op het ambtsbericht door de Taliban als problematisch werden bevonden, in combinatie met de omstandigheid dat de Taliban inmiddels aan de macht is en de vreemdeling vanwege het werk en de functie van zijn vader kan opvallen, een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft het besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb dan ook ondeugdelijk gemotiveerd.
Conclusie en gevolgen
6. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het in strijd is genomen met de artikelen 3:2 van de Awb en 3:46 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit;- draagt verweerder op om binnen 8 weken vanaf heden een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-;
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. R.S. Ouertani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.