Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 7 maart 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank onbekend adres in Hongarije,
advocaat: mr. J.H. Weermeijer-Patist in Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen in Utrecht.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen.
Op 25 maart 2025 is in deze zaak een regiezitting gehouden met als behandelend rechter, ook kinderrechter, mr. C.L. Strop. Aan deze zitting hebben deelgenomen: de vader met
mr. A. Weterings als waarnemend advocaat en A.E. Czudar als tolk, de moeder met haar advocaat, en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Na de regiezitting is de verdere behandeling van de zaak aangehouden.
De vader en de moeder hebben daarna getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op 1 april 2025 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is geslaagd.
Bij beschikking van deze rechtbank van 7 april 2025 is drs. J.L. van Wesemael-Smit benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] .
De rechtbank heeft opnieuw kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
Op 17 april 2025 is de behandeling op de zitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat en A. Visser als tolk, de moeder met haar advocaat, de bijzondere curator en [naam] namens de Raad.
Feiten
30 december 2024 bij de moeder. De moeder is in die periode met [de minderjarige] naar Nederland vertrokken en heeft hem niet teruggebracht naar de vader.
Verzoek en verweer
De vader verzoekt:
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder voert verweer tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
Rechtsmacht
Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Hongarije zijn partij bij het Verdrag.
De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht om kennis te nemen van het onderhavige teruggeleidingsverzoek, gelet op de werkelijke verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834). Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag over het kind toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.
Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag
Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht op grond van het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of
gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).
Tussen partijen is in geschil of [de minderjarige] onmiddellijk voor zijn overbrenging naar Nederland zijn gewone verblijfplaats in Hongarije of Nederland had. Tussen partijen is ook in geschil wie op dat moment met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] was belast.
De rechtbank overweegt als volgt. Bij de geboorte van [de minderjarige] in Nederland was de moeder van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over hem. In mei 2021 zijn de ouders en [de minderjarige] als gezin naar Hongarije verhuisd, waarmee de vader op grond van artikel 16 lid 4 van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen uit 1996 en het Hongaarse gezagsrecht van rechtswege mede met het gezag over [de minderjarige] is belast. Uit de beschikking van het Gerechtshof van Miskolc van 25 januari 2024 leidt de rechtbank af dat de Hongaarse rechtbank in zowel 2021 als 2022 een voorlopige beslissing heeft genomen waarbij aan de vader de bevoegdheid is gegeven om alleen het gezagsrecht over [de minderjarige] uit te oefenen. In de bodemzaak heeft de Hongaarse rechtbank op 12 juni 2023 de vader bevoegd verklaard alleen het gezagsrecht over [de minderjarige] uit te oefenen. Deze beslissing is vervolgens bekrachtigd door het Gerechtshof van Miskolc op 25 januari 2024. De beslissingen van de Hongaarse rechter worden in Nederland van rechtswege erkend. Voor een toetsing van de bevoegdheid van de Hongaarse rechter is geen plaats.
Voor de rechtbank staat niet vast hoe de in deze beslissingen toegekende bevoegdheid naar Hongaars recht tot het uitoefenen van het gezagsrecht door de vader, zich verhoudt tot de inhoud van het gezag naar Nederlands recht en dus of die beslissingen impliceren dat de vader alle gezagsbeslissingen over [de minderjarige] alleen mocht en mag nemen. Wel leidt de rechtbank uit de Hongaarse beslissingen af dat de vader ten minste mede het gezag over [de minderjarige] had en dat hij voorafgaande aan het vertrek van de moeder met [de minderjarige] in december 2024 degene was die mocht bepalen waar [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats had. De hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] was onmiddellijk voor zijn overbrenging naar Nederland dus in Hongarije.
Nu niet in geschil is dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland staat vast dat de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar Hongaars recht. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de overbrenging van de [de minderjarige] naar Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.
Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag
Op grond van artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.
Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [de minderjarige] in Nederland is geworteld en moet in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [de minderjarige] volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.
Weigeringsgronden
De moeder betoogt dat er sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag. De rechtbank overweegt als volgt.
Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag
Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, als de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.
Het is de rechtbank niet gebleken dat [de minderjarige] bij een terugkeer naar Hongarije wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar of in een ondragelijke toestand wordt gebracht. De argumenten waarmee de moeder dit standpunt onderbouwt zien op de gevolgen van de terugkeer voor haar eigen toestand en niet op de toestand van [de minderjarige] . De rechtbank concludeert daarom dat de argumenten van de moeder niet een weigeringsgrond opleveren in de zin van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.
Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag
Op grond van artikel 13 lid 2 van het Verdrag kan de rechtbank ook weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.
Voor zover de moeder heeft bedoeld te stellen dat [de minderjarige] zich verzet tegen een terugkeer naar Hongarije is dat de rechtbank niet gebleken. Uit het verslag van de bijzondere curator blijkt ook geen verzet van [de minderjarige] . Het enkele gegeven dat [de minderjarige] heeft gezegd dat hij het fijn vindt bij de moeder en in Nederland en dat hij hier wil blijven is daarvoor niet voldoende. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat [de minderjarige] niet een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt om te rechtvaardigen dat er met zijn mening rekening wordt gehouden. De rechtbank concludeert daarom dat er geen sprake is van een weigeringsgrond in de zin van artikel 13 lid 2 van het Verdrag.
Onmiddellijke terugkeer
Nu er geen sprake is van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van de [de minderjarige] en de indiening van het verzoekschrift, moet op grond van artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de [de minderjarige] volgen.
De rechtbank zal dan ook de teruggeleiding van [de minderjarige] bevelen overeenkomstig het verzoek van de vader.
Afgifte
De vader heeft afgifte van [de minderjarige] aan hem verzocht. De rechtbank zal daartoe - ondanks het bepaalde in artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet - niet overgaan, nu zij dat niet in het belang van [de minderjarige] acht. Bovendien is de strekking van het Verdrag (en de Uitvoeringswet) dat het kind wordt teruggeleid naar het land van herkomst zodat daar zo nodig verdere beslissingen over de verblijfplaats van het kind kunnen worden genomen. De rechtbank zal daarom de teruggeleiding van [de minderjarige] bevelen op de na te melden wijze, waarbij afgifte aan de vader pas aan de orde komt als de moeder niet zelf voor teruggeleiding zorgt en dan enkel met het doel de [de minderjarige] terug te geleiden naar Hongarije.
Uitvoerbaarverklaring bij voorraad
Op grond van artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het wenselijk dat de [de minderjarige] een eventuele uitspraak in hoger beroep in Nederland kan afwachten en zal het verzoek van de vader en de moeder om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren afwijzen. De rechtbank zal de terugkeer gelasten op uiterlijk 19 mei 2025, zijnde de vierde dag na afloop van de termijn waarbinnen hoger beroep tegen onderhavige beslissing kan worden ingediend.
Sterke arm
Op grond van artikel 13 lid 6 van de Uitvoeringswet juncto artikel 813 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van rechtswege voorzien in het met behulp van de sterke arm ten uitvoer leggen van de onderhavige beschikking. Het betreffende verzoek van de vader zal dan ook bij gebrek aan belang worden afgewezen.
Voorlopige voogdij
Artikel 13 lid 4 van de Uitvoeringswet bepaalt dat de rechter op verzoek of ambtshalve een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet kan belasten met de voorlopige voogdij over een kind, indien gevaar bestaat dat het wordt onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een bevel tot afgifte van het kind als bedoeld in lid 5 van voormeld artikel.
De rechtbank overweegt dat er in het kader van een internationale zorgmelding vanuit Hongarije een uitgebreid raadsonderzoek heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat er geen sprake is van vluchtgevaar van de moeder. De moeder woont al bijna vier jaar in Nederland, heeft een vaste woonplaats en heeft hier een baan. De rechtbank ziet onvoldoende aanwijzingen om vast te stellen dat de moeder zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel zal onttrekken. De rechtbank zal het verzoek tot benoeming van een voorlopige voogd daarom afwijzen.
Bijzondere curator
De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat de bijzondere curator de uitspraak van de rechtbank (en eventueel de uitspraak van het gerechtshof) met hem bespreekt. De rechtbank merkt ten overvloede op dat de benoeming van de bijzondere curator, voor zover er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing, doorloopt tijdens de appelprocedure. Indien er geen hoger beroep wordt ingesteld dan beschouwt de rechtbank de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure één maand na datum van deze beschikking als beëindigd.
Beslissing
De rechtbank:
*
gelast de terugkeer van de minderjarige:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] ,
naar Hongarije uiterlijk op 19 mei 2025, waarbij de moeder [de minderjarige] moet terugbrengen naar Hongarije en beveelt, indien de moeder nalaat [de minderjarige] terug te brengen naar Hongarije, dat de moeder [de minderjarige] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 19 mei 2025, zodat de vader [de minderjarige] zelf mee terug kan nemen naar Hongarije;
*
wijst af het meer of anders verzochte;
*
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van 1 juni 2025 als beëindigd.