uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15367
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. S.L. Sarin),
en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. S. Faddach).
Procesverloop
Bij besluit van 26 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 april 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987.
De informatieplicht
2. Eiser voert verder aan dat eiser bij zijn inbewaringstelling onvoldoende is geïnformeerd over zijn rechten. Er is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 20241. Anders dan ten tijde van die uitspraak is er inmiddels een formulier ontwikkeld waarop de toepasselijke gronden zijn aangekruist in de taal die eiser verstaat. Volgens eiser is dit formulier echter nog steeds niet goed opgesteld. Het in het Arabisch gestelde formulier vermeldt namelijk terecht dat eiser recht heeft op gratis rechtsbijstand, maar wekt de onterechte suggestie dat eiser het beroep tegen zijn inbewaringstelling moet indienen middels een advocaat. Dat is onjuist; eiser kan immers ook in persoon procederen. De te maken belangenafweging dient in het nadeel van de minister uit te vallen, aldus eiser.
1. ECLI:NL:RVS:2024:2979
Ambtshalve toetsing
3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister aan de informatieplicht voldaan. Artikel 5.3 van het Vb bepaalt dat eiser bij het opleggen van de maatregel op de hoogte moet worden gebracht van de redenen van bewaring en van de in het nationale recht vastgestelde procedures om het bevel tot bewaring aan te vechten. In dit geval is een informatiefolder in de Arabische taal aan eiser uitgereikt met daarin aangekruist de van toepassing zijnde feitelijke en juridische gronden. In een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 18 februari 20252 is vermeld dat in deze Arabische versie van de informatiefolder zou staan: “U kunt in beroep gaan tegen de maatregel van bewaring. Dit dient u met uw advocaat te bespreken.” De rechtbank stelt vast dat eiser hiermee is geïnformeerd over dat hij beroep tegen de maatregel kan instellen. Het feit dat, ervan uitgaand dat de hiervoor weergegeven vertaling juist is, de formulering wellicht nog wat duidelijker had gekund, betekent niet dat de minister niet heeft voldaan aan het vereiste van artikel 5.3 van het Vb. De rechtbank verwijst in dit kader naar wat daarover in rechtsoverweging 4.5 van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 17 maart 20253 is overwogen en neemt deze overweging over. De beroepsgrond slaagt niet.
4. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier.
2. ECLI:NL:RBDHA:2025:2549
3 ECLI:NL:RBDHA:2025:5338
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
18 april 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.