RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20885
(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en
(gemachtigde: mr. M.P. Gaal - de Groot).
Procesverloop
Bij besluit van 14 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 17 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
De omzetting van de maatregel
2. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring te laat is omgezet. De maatregel is namelijk onrechtmatig geworden op het moment dat deze eiser zijn asielaanvraag heeft ingetrokken, maar de maatregel is pas een dag later omgezet. Hierdoor was de minister een dag te laat met de omzetting, waardoor eiser recht heeft op schadevergoeding. Eiser verwijst hierbij naar de uitsprak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 december 2025.
Het betoog van eiser slaagt niet. Wanneer een asielaanvraag wordt ingetrokken, heeft de minister volgens vaste rechtspraak een termijn van twee dagen om de wettelijke grondslag van de maatregel van bewaring te wijzigen. De rechtbank is van oordeel dat de maatregel van bewaring in dit geval tijdig en in ieder geval binnen twee dagen is omgezet. Eiser heeft op 16 april 2026 zijn asielaanvraag ingetrokken. De minister heeft de maatregel daarom op 17 april 2026 opgeheven en omgezet met een nieuwe grondslag. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een te late omzetting waardoor sprake is van onrechtmatigheid. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortraject
3. Eiser voert aan dat het voortraject onzorgvuldig is geweest. Volgens eiser is het onduidelijk op basis waarvan eiser is voorgeleid en overgedragen aan de Vreemdelingenpolitie. Eiser is op 14 april 2026 om 21:50 uur aangehouden, maar de voorgeleiding was ook op 14 april 2026 om 02:29 uur. Eiser is van mening dat hij vreemdelingrechtelijk is aangehouden en ten onrechte is overgedragen.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een onzorgvuldig voortraject. Uit het dossier blijkt dat eiser op 13 april 2026 om 23:22 uur strafrechtelijk is aangehouden vanwege het op heterdaad overtreden van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank wijst er op dat het strafrechtelijk voortraject niet door de bewaringsrechter wordt beoordeeld. Eiser is vervolgens op 14 april 2026 om 02:29 uur overgedragen en opgehouden op grond van artikel 50, derde lid van de Vw 2000. Uit het voorgaande is niet gebleken van onrechtmatigheden in het voortraject. De maatregel van bewaring was daarom op die grond niet onrechtmatig. De beroepsgrond slaagt niet.
Rechtsbijstand
4. Eiser voert aan dat zijn recht op rechtsbijstand is geschonden. Hij is van mening dat voorafgaand aan zijn inbewaringstelling onvoldoende duidelijk is gemaakt dat rechtsbijstand kosteloos is. De AVIM had eiser hierover beter moeten voorlichten.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat aan eiser is meegedeeld dat hij zich kosteloos kon laten bijstaan door een raadsman. Eiser heeft aangegeven dit niet te willen. Vervolgens heeft de AVIM de advocatenpiketdienst alsnog ingelicht. De gemachtigde van eiser heeft daarna telefonisch aan eiser medegedeeld dat hij niet aanwezig zal zijn bij het gehoor. Eiser is telefonisch wel in de gelegenheid gesteld om te overleggen met zijn advocaat en heeft dat ook gedaan. Vervolgens heeft eiser aangegeven dat hij eerst dacht dat de advocaat niet gratis was, maar “ja heeft gezegd” toen hij begreep dat het gratis was. Vervolgens is aan eiser gevraagd of hij het goed vindt dat het gehoor wordt gestart zonder zijn gemachtigde. Eiser heeft hierop verklaard geen bezwaar te hebben. De rechtbank ziet geen aanleiding om te concluderen dat de rechtsbijstand van eiser is geschonden. Dat eiser aanvankelijk niet wist dat rechtsbijstand kosteloos is maakt het voorgaande niet anders, omdat hij wel heeft kunnen overleggen met zijn advocaat en vervolgens heeft ingestemd met het gehoor in afwezigheid van de advocaat. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
De gronden van de maatregel
5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser betwist de zware gronden 3b, 3c en lichte grond 4a en voert aan dat deze feitelijk onjuist zijn. Ten aanzien van de zware gronden 3b en 3c voert eiser aan dat de minister de afwijzing van zijn asielaanvraag van 9 januari 2026 ten onrechte niet rechtsgeldig bekend heeft gemaakt. Die beschikking is namelijk verstuurd naar het adres in [plaats], terwijl eiser op dat adres niet in de BRP ingeschreven stond. Eiser wist daarom niet dat hij binnen 28 dagen Nederland moest verlaten. Ten aanzien van de lichte grond 4a voert eiser aan dat hij een identiteitsbewijs heeft en dat zijn paspoort bij de Dienst Terugkeer & Vertrek ligt. Eiser was daarom in de veronderstelling dat hij rechtmatig verblijf had.
De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist zijn. De rechtbank vindt daarvoor van belang dat uit de beschikking van 9 januari 2026 volgt dat eiser heeft verklaard dat hij een relatie zou hebben en samenwoonde op het adres [locatie] te [plaats]. De asielbeschikking van 9 januari 2026 is ook naar dat adres verstuurd. Verder blijkt uit het gehoor dat aan eiser is gevraagd wat hij vindt van de beschikking waarin staat dat hij binnen 28 dagen terug moet keren. Eiser heeft hierop geantwoord dat het nu duidelijk is, maar dat hij het toen niet goed begreep omdat de asielbeschikking in het Nederlands was. De rechtbank maakt hieruit op dat eiser de beschikking van 9 januari 2026 wel heeft ontvangen. Dat hij niet goed begreep wat in de beschikking stond omdat het in het Nederlands was geschreven, maakt niet dat eiser de beschikking niet heeft ontvangen en daardoor niet had kunnen weten dat hij Nederland binnen 28 dagen had moeten verlaten. Het voorgaande brengt met zich dat de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist zijn en aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd.
De rechtbank is dus van oordeel dat de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist zijn en terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd. Deze zware gronden zijn samen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Hieruit volgt namelijk het onttrekkingsrisico en de minister heeft dit in de maatregel van bewaring ook voldoende gemotiveerd. De overige zware en lichte gronden en de beroepsgronden daarover behoeven daarom geen bespreking meer.
Lichter middel
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte niet heeft volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Hiertoe voert eiser aan dat de minister geen rekening heeft gehouden met de Nederlandse partner waarmee eiser een relatie heeft.
De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd de maatregel kunnen dragen en dat het risico op onttrekking voldoende is gemotiveerd. Dat onttrekkingsrisico staat voorop. Verder is niet gebleken van persoonlijke belangen of medische omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken. Eisers gestelde relatie is in de maatregel voldoende meegenomen. Zo heeft de minister in de maatregel meegenomen dat eiser een relatie heeft en hij op basis daarvan zijn verblijf zou willen aanvragen. Verder heeft de minister meegenomen dat de aanvraag voor verblijf bij de gestelde partner van eiser is afgewezen omdat zij geen duurzame relatie zouden hebben. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr.B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.