RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19884
(gemachtigde: mr. P.J.J. van de Kerkhof),
en
(gemachtigde: mr. M.P. Gaal-de Groot).
Procesverloop
Bij besluit van 3 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht
Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin
besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet betwist. Ook naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank zijn de zware en lichte gronden feitelijk juist en voldoende om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
2. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Hoewel hij zeven keer is uitgezet en teruggekeerd naar Nederland, heeft hij nu voor het eerst een asielaanvraag ingediend. Net als andere asielzoekers moet eiser de kans worden geboden om de behandeling van zijn asielaanvraag in een asielzoekerscentrum af te wachten. Dat Unieburgers wiens verblijfsrecht is geëindigd en die in bewaring zijn gesteld steeds vaker asiel aanvragen met als doel in vrijheid gesteld te worden, betekent niet dat dit bij eiser ook vanzelfsprekend het geval is. Verder is er geen reden om aan te nemen dat eiser bij het opleggen van een lichter middel terug zal vallen in zijn criminele gedragingen. Uit zijn strafblad blijkt namelijk dat zijn gepleegde misdrijven dateren van 2023 en eerder en zijn overtredingen van 2025 of eerder. Eiser vertoont dus goed gedrag.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft in de maatregel terecht gewezen op de onbestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser al zeven keer is teruggekeerd naar Nederland nadat hij was uitgezet. Dat het risico op onttrekking niet zou bestaan omdat eiser nu voor de eerste keer een asielaanvraag heeft ingediend, volgt de rechtbank daarom niet. Ook de omstandigheid dat eiser sinds (respectievelijk) 2023 en 2025 niet meer zou zijn veroordeeld voor misdrijven en/of overtredingen, maakt niet dat de minister een lichter middel had moeten toepassen. De minister heeft zich in de maatregel gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de kans groot is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en terug zal vallen in zijn criminele gedragingen zoals het plegen van overlast en openbaar dronkenschap. Eiser heeft namelijk geen vaste woon- of verblijfplaats, onvoldoende middelen van bestaan, en heeft zich eerder aan het toezicht onttrokken. Bovendien wijst de rechtbank in dit kader op het feit dat uit de maatregel volgt dat eiser in de afgelopen maanden meerdere politieregistraties op zijn naam heeft staan in verband met openbaar dronkenschap of overlast. Gelet op het voorgaande hoefde de minister dan ook geen lichter middel toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.