[verzoekers] e.a., uit Gaza, verzoekers
(gemachtigde mr. E.E.M. Bezem),
tegen
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. E.C. Pietermaat).
Voor de zaaknummers en gegevens van de in totaal 46 betrokken verzoekers wordt verwezen naar de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekers.
Verzoekers hebben afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen het e-mailbericht van
25 maart 2026, herhaald met het e-mailbericht van 30 maart 2026, waarbij verweerder het verzoek om verzoekers consulaire bijstand te verlenen om Gaza te verlaten, heeft afgewezen.
Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige
voorziening te treffen.
Met afzonderlijke besluiten van 10 april 2026 (de bestreden besluiten)
heeft verweerder de bezwaren van verzoekers niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld. Voor elke verzoeker geldt dat het
verzoek om een voorlopige voorziening wordt gelijkgesteld met een verzoek hangende het beroep bij de bestuursrechter.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:83, derde
lid, van de Awb zonder zitting uitspraak te doen op de verzoeken om een voorlopige voorziening.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet
bindend in de bodemprocedure.
Waar gaan deze zaken over?
3. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in soortgelijke zaken bij
uitspraken van 16 februari 2026 twee beroepen ongegrond verklaard en de samenhangende verzoeken om een voorlopige voorziening afgewezen. In die zaken hebben de betreffende verzoekers bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van hun verzoek om consulaire bijstand te verlenen bij het verlaten van Gaza. De bezwaren van die verzoekers zijn niet-ontvankelijk verklaard, omdat volgens verweerder geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen bezwaar/beroep open staat. De voorzieningenrechter heeft het standpunt van verweerder in die zaken gevolgd.
4. Tegen voornoemde uitspraken is hoger beroep ingesteld bij de Afdeling.
De zitting van deze hoger beroepen is volgens verweerder gepland op 2 juni 2026. Hangende deze hoger beroepen heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bij uitspraken van 19 maart 2026 de verzoeken om een voorlopige voorziening van de betreffende verzoekers toegewezen in die zin dat verweerder zich moet inspannen om ervoor te zorgen dat die verzoekers Gaza kunnen verlaten om de toegekende mvv’s (machtiging tot voorlopig verblijf) op te halen.
5. Verzoekers verblijven in Gaza en willen naar Nederland komen voor studie, arbeid
dan wel als meereizend familielid (dit zijn partners en kinderen). De minister van Asiel en Migratie heeft voor alle verzoekers een toewijzend besluit genomen op hun aanvraag voor een mvv, waarbij hij de Nederlandse ambassade in Amman te Jordanië heeft gemachtigd om een mvv te verlenen. Na aankomst van verzoekers in Nederland maakt de IND een verblijfsvergunning. Verzoekers krijgen bericht over wanneer zij hun verblijfsvergunning kunnen afhalen. De ophaaltermijn voor de mvv’s is inmiddels verlengd met het oog op de situatie in Gaza. Het is volgens verzoekers niet mogelijk om zonder hulp van verweerder de grens van Gaza over te steken. Zij hebben verweerder daarom verzocht om consulaire bijstand, zodat zij Gaza kunnen verlaten.
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen consulaire bijstand hoeft te worden
verleend omdat er geen sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen bezwaar/beroep open staat. Verweerder kan zich niet vinden in de overwegingen van de voorzieningenrechter van de Afdeling in de uitspraken van 19 maart 2026.
Wat is overwogen in de uitspraken van de voorzieningenrechter van de Afdeling van
19 maart 2026?
7. In de uitspraken van 19 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling overwogen dat de hoger beroepen gaan over de vraag of het bericht waarbij het verzoek om consulaire bijstand is afgewezen een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In die uitspraken wordt in rechtsoverwegingen 6 tot en met 8 het volgende overwogen.
De vraag of verweerder een publieke taak aan zich heeft getrokken, leent zich niet voor beantwoording in deze procedure. Dit is namelijk een principiële vraag die de Afdeling verder moet onderzoeken. Deze vraag zal in de bodemprocedure beantwoord moeten worden. Dit betekent dat in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen oordeel zal worden geven over de ontvankelijkheid van het bezwaar. Er zal daarom alleen worden beoordeeld of het verzoek om bij wijze van voorlopige voorziening verweerder op te dragen om verzoeker consulaire bijstand te verlenen, moet worden toegewezen gelet op de aangevoerde belangen. (rechtsoverweging 6)
In het kader van deze belangenafweging is vermeld dat verweerder er terecht op wijst dat er in de Nederlandse wet geen recht op consulaire bijstand staat en dat verweerder in beginsel veel ruimte heeft om te bepalen hoe en onder welke omstandigheden hij consulaire bijstand verleent. De voorzieningenrechter ziet in dit specifieke, bijzondere geval toch aanleiding om het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. De voorzieningenrechter is namelijk van oordeel dat de door verzoeker voorgedragen belangen bij het ontvangen van consulaire bijstand in dit geval zwaarder wegen dan de belangen van verweerder. Vast is komen te staan dat verzoeker zonder consulaire bijstand niet of zeer moeilijk Gaza kan verlaten om zijn mvv op te halen. Verzoeker heeft dan ook een groot belang bij consulaire bijstand. Daarbij is ook gewezen op de schrijnende situatie in Gaza.
De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat het enige tijd kan duren voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist. Hierdoor bestaat het risico dat verzoeker bij een eventuele voor hem positieve uitkomst in de bodemprocedure niet meer in staat zal zijn om de mvv op te halen. Dit belang weegt voor de voorzieningenrechter zwaarder dan het belang van verweerder om niet voor een voldongen feit geplaatst te worden.
De voorzieningenrechter weegt daarbij ook mee dat de voorziening die verzoeker vraagt, een relatief kleine inspanning van verweerder vraagt. Het gaat niet om het verlenen van een verblijfsvergunning of het verstrekken van een mvv. Verzoeker vraagt ook geen hulp bij de reis naar Nederland of Jordanië of om feitelijke evacuatie uit Gaza. Hij vraagt de minister alleen om via diplomatieke weg te proberen te bereiken dat hij de grens mag oversteken, wat een inspanningsverplichting is. De minister van Asiel en Migratie heeft al laten weten dat hij geen bezwaar heeft tegen afgifte van de mvv aan verzoeker, de mvv ligt klaar om afgehaald te worden en verzoeker voldoet dus al aan de voorwaarden voor verblijf in Nederland. Verweerder heeft zich bovendien niet op het standpunt gesteld dat deze inspanning op dit moment niet mogelijk is. (rechtsoverweging 7)
Gelet op de zeer bijzondere omstandigheden van dit geval, treft de voorzieningenrechter van de Afdeling de voorlopige voorziening dat verweerder zich moet inspannen om ervoor te zorgen dat verzoeker Gaza kan verlaten om de mvv op te halen. Hoe verweerder precies invulling geeft aan deze opdracht om consulaire bijstand te verlenen, is aan hem.
De voorzieningenrechter hecht eraan te benadrukken dat deze uitspraak niet betekent dat de Afdeling van oordeel is dat de afwijzing van het verzoek om consulaire bijstand een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Deze uitspraak betekent ook niet dat de Afdeling van oordeel is dat verweerder de publieke taak aan zich heeft getrokken om in situaties als deze consulaire bijstand te verlenen. Dit zijn onderwerpen die aan bod zullen komen bij de behandeling van het hoger beroep. (rechtsoverweging 8)
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
8. Nu de voorzieningenrechter van de Afdeling de verzoeken bij de uitspraken van
19 maart 2026 heeft toegewezen hangende de hoger beroepsprocedure en de inhoudelijke rechtsvragen aan de orde komen tijdens de behandeling van die hoger beroepen op de zitting van de Afdeling van 2 juni 2026 ziet de voorzieningenrechter aanleiding de verzoeken om voorlopige voorziening van de 46 verzoekers toe te wijzen, gelet op de onverwijlde spoed en de betrokken belangen van verzoekers.
9. De beroepen (bodemprocedures) van verzoekers zullen vooralsnog worden aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Afdeling in die hoger beroepen. In de beroepen van verzoekers kan het oordeel van de Afdeling worden meegewogen.
Conclusie en gevolgen
10. Gelet op de zeer bijzondere omstandigheden van de onderhavige soortgelijke zaken, treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat verweerder zich moet inspannen om ervoor te zorgen dat verzoekers Gaza kunnen verlaten om de mvv op te halen. Hoe verweerder precies invulling geeft aan deze opdracht om consulaire bijstand te verlenen, is aan hem.
11. Verweerder zal worden veroordeeld in de door verzoekers gemaakte proceskosten, met inachtneming van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De 46 verzoeken die gelijktijdig zijn ingediend en gevoegd zijn behandeld door de voorzieningenrechter voldoen aan de voorwaarden om als samenhangende zaken te worden aangemerkt. Volgens de Bijlage bij het Bpb, onder C2, wordt voor vier of meer samenhangende zaken een wegingsfactor van 1,5 toegepast. De totale proceskostenvergoeding voor deze 46 verzoeken voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bedraagt dan € 1.401,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,-. Wegingsfactor 1 (C1) wordt vermenigvuldigd met wegingsfactor 1,5 (C2).)
12. Er is geen griffierecht verschuldigd in deze zaken. Voor vergoeding van het griffierecht bestaat dus geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. van Rossum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.
griffier voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage bij deze uitspraak met namen van de betrokken verzoekers en de registratienummers van de verzoeken om een voorlopige voorziening
l. [naam 1] SGR 26/2918
2. [naam 2] SGR 26/2922
3. [naam 3] SGR 26/2925
4. [naam 4] SGR 26/2927
5. [naam 5] SGR 26/2930
6. [naam 6] SGR 26/2932
7. [naam 7] SGR 26/2933
8. [naam 8] SGR 26/2936
9. [naam 9] SGR 26/2939
10. [naam 10] SGR 26/2942
11. [naam 11] SGR 26/2946
12. [naam 12] SGR 26/2951
13. [naam 13] SGR 26/2954
14. [naam 14] SGR 26/2965
15. [naam 15] SGR 26/2971
16. [naam 16] SGR 26/2973
17. [naam 17] SGR 26/2975
18. [naam 18] SGR 26/2976
19. [naam 19] SGR 26/2983
20. [naam 20] SGR 26/2986
21. [naam 21] SGR 26/2987
22. [naam 22] SGR 26/2988
23. [naam 23] SGR 26/2989
24. [naam 24] SGR 26/2996
25. [naam 25] SGR 26/2999
26. [naam 26] SGR 26/3007
27. [naam 27] SGR 26/3011
28. [naam 28] SGR 26/3013
29. [naam 29] SGR 26/3014
30. [naam 30] SGR 26/3018
31. [naam 31] SGR 26/3020
32. [naam 32] SGR 26/3025
33. [naam 33] SGR 26/3027
34. [naam 34] SGR 26/3030
35. [naam 35] SGR 26/3031
36. [naam 36] SGR 26/3033
37. [naam 37] SGR 26/3038
38. [naam 38] SGR 26/3039
39. [naam 39] SGR 26/3075
40. [naam 40] SGR 26/3076
41. [naam 41] SGR 26/3077
42. [naam 42] SGR 26/3080
43. [naam 43] SGR 26/3081
44. [naam 44] SGR 26/3085
45. [naam 45] SGR 26 /3086
46. [naam 46] SGR 26/3088