RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16365
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 7 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 26 maart 2026.
Overwegingen
Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 24 maart 2026 (in de zaak NL26.12909) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 20 maart 2026. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 20 maart 2026 tot 26 maart 2026.
Schending informatieplicht en voortvarend handelen
3. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn overdracht. Hiertoe voert hij aan dat uit de voortgangsrapportage (M120) blijkt dat op 23 maart 2026 een claimakkoord met Duitsland is bereikt, maar dat het dossier geen aanwijzing bevat dat verweerder direct na dit akkoord concrete overdrachtshandelingen heeft verricht. Daarnaast was tijdens het vertrekgesprek van 11 maart 2026 al bekend dat Duitsland de verantwoordelijke lidstaat was. Volgens eiser ontbreken bovendien het overdrachtsbesluit en de aankondiging van de overdracht in het dossier, waardoor de vereiste kenbaarheid en controleerbaarheid van verweerders handelen ontbreekt. Eiser stelt ook dat het (eventuele) standpunt dat eerst rechtsmiddelen tegen een overdrachtsbesluit moeten worden afgewacht in dit geval niet opgaat, omdat verweerder wel voorbereidende handelingen, zoals logistieke voorbereidingen en contact met Duitsland, had kunnen en moeten uitvoeren.
4. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verweerder heeft het overdrachtsbesluit op 26 maart 2026 aan het dossier toegevoegd. Dat op 11 maart 2026 al bekend was dat Duitsland de verantwoordelijke lidstaat was, maakt niet dat onvoldoende voortvarend aan de overdracht wordt gewerkt. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder op 9 maart 2026 een Dublinclaim naar Duitsland heeft verstuurd en in afwachting was van een reactie van de Duitse autoriteiten. Vervolgens is op 23 maart 2026 een claimakkoord bereikt en heeft verweerder eveneens een overdrachtsbesluit aan eiser verzonden. Dat er drie dagen later nog geen aankondiging van de overdracht is overgelegd, betekent ook niet dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank houdt daarbij rekening dat een overdracht moet worden voorbereid. De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder meer of andere overdrachtshandelingen, zoals eiser helpen contact te leggen met de Duitse vertegenwoordiging, had dienen te verrichten. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.