RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20335
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Bij besluit van 10 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen,
bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw [tolk] . Verweerder
heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2002 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Hij is op 10 april 2026 onder de Dublinverordening door de Belgische autoriteiten overgedragen aan Nederland. Eiser heeft dezelfde dag een (opvolgende) asielaanvraag gedaan.
Grondslag maatregel van bewaring
2. Eiser heeft in afwachting van de beslissing op zijn asielaanvraag rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 onder f, van de Vw. Verweerder is dan op grond van artikel 59b van de Vw bevoegd tot het opleggen van een maatregel van bewaring. In de maatregel is, onder verwijzing naar het bepaald in artikel 59b, eerste lid, onder b, van de Vw overwogen dat de maatregel noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Eiser meent dat hiervan onvoldoende blijkt uit het gehoor voorafgaand aan de maatregel en dat het onderzoek tijdens dat gehoor te veel is gericht op zijn vertrek naar Marokko. Eiser verwijst in dit verband naar twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond.
3. Uit de tekst van artikel 59b, eerste lid, onder b, van de Vw volgt dat de daarin opgenomen bevoegdheid met name bestaat wanneer er sprake is van een risico op onttrekking. Is dat het geval, dan volgt reeds daaruit dat de bewaring noodzakelijk is voor het verkrijgen van gegevens die nodig zijn om (inhoudelijk) op de asielaanvraag te beslissen. Verweerder neemt in dit geval aan dat sprake is van een onttrekkingsrisico. Dit maakt dat de toepassingsvoorwaarden voor het gebruikmaken van de bevoegdheid tot inbewaringstelling op grond van artikel 59b van de Vw zijn vervuld.
Gronden maatregel van bewaring
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder ter onderbouwing van het aan te nemen risico op onttrekking als zware gronden vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; - 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; - 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; - 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; - 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; - 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; - 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; - 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Verweerder heeft ter zitting de zware grond 3i laten vallen, zodat deze niet langer ten grondslag ligt aan de maatregel.
5. Eiser betwist de zware gronden 3a, 3d en 3e. Hij stelt in reactie op de zware grond 3a Nederland op de voorgeschreven wijze te zijn ingereisd, via een overdracht in het kader van de Dublinverordening vanuit België. In reactie op de zware gronden 3d en 3e wijst eiser erop dat uit het proces-verbaal van de ophouding volgt dat zijn identiteit en nationaliteit onmiddellijk konden worden vastgesteld. Ook is in een eerdere uitspraak op zijn asielaanvraag geoordeeld dat zijn identiteit geloofwaardig is.
6. De zware grond 3a is terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. Eiser was bij zijn eerste binnenkomst in Nederland niet in het bezit van een reis- of identiteitsdocument, noch van een geldig visum of andere toestemming om Nederland binnen te reizen. Zware grond 3a is dan ook feitelijk juist. Uit het dossier blijkt verder dat eiser zelf heeft verklaard met onbekende bestemming te zijn vertrokken na de afwijzingen van zijn asielaanvragen. De zware grond 3b acht de rechtbank daarom eveneens feitelijk juist. De grondslag voor de ophouding en de omstandigheid dat eisers gestelde identiteit en nationaliteit in een eerdere asielprocedure zijn aangenomen, laten onverlet dat eisers identiteit tot op heden niet is vastgesteld. Op eiser rust daarom onverkort de verplichting om daaraan mee te werken. Niet is gebleken dat eiser ooit pogingen heeft ondernomen om identificerende documenten te verkrijgen. De zware grond 3d is daarmee feitelijk juist. Ook blijkt uit de Eurodac-registratie dat eiser tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt in een andere lidstaat, wat zware grond 3e feitelijk juist maakt. Deze hiervoor genoemde zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Voortvarend handelen
7. Eiser stelt dat hij zo kort mogelijk in vreemdelingenbewaring dient te verblijven. Verweerder heeft eiser pas na 10 dagen gehoord op de asielaanvraag. . Daarmee wordt onvoldoende voortvarend gewerkt. Hij wijst daarbij op een uitspraak van de Afdeling van 23 februari 2024.
8. Eiser is op 10 april 2026 in bewaring gesteld. Op 20 april 2026 heeft er een gehoor opvolgende aanvraag plaatsgevonden. Uit artikel 59b, tweede lid, van de Vw volgt dat de duur van de maatregel is begrensd tot maximaal zes weken. Binnen die zes weken moet worden beslist worden op de asielaanvraag. Zoals in de door eiser genoemde Afdelingsuitspraak is overwogen over de bewaring van Dublinclaimanten, geldt ook hier dat verweerder binnen de maximaal bewaringstermijn voldoende voortvarend te werk moet gaan. Hierbij is van belang dat de voorbereiding van de beslissing op de asielaanvraag, waaronder het plannen van een gehoor, afhankelijk is van de beschikbaarheid van mensen en middelen. Verweerder moet in de gelegenheid worden gesteld om dit te organiseren. Dat het na het kenbaar maken van de asielwens door eiser tien dagen heeft geduurd voordat eiser hierover is gehoord, valt binnen een normale voorbereidingstijd en hoeft niet nader te worden verantwoord. Eiser wordt daarom niet gevolgd in zijn standpunt dat niet voldoende voortvarend is gehandeld.
Lichter middel
9. Eiser stelt dat het oordeel dat niet met een lichter middel kan worden volstaan is gebaseerd op de vaststelling dat eiser niet wil meewerken aan zijn terugkeer naar Marokko. Eiser meent dan ook dat de maatregel op dit punt niet deugdelijk is gemotiveerd.
10. Verweerder heeft met zijn verwijzing naar de gronden voor de maatregel voldoende gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met een lichter middel om het risico op onttrekking aan het toezicht te ondervangen. Zoals in de maatregel is vastgesteld is eiser met onbekende bestemming vertrokken na de afwijzing van een eerdere asielaanvraag.
Ambtshalve toets
12. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de bewaring onrechtmatig moet worden geacht.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 29 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.