ECLI:NL:RBDHA:2026:10074

ECLI:NL:RBDHA:2026:10074

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 29-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer NL26.20770
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Eerste beroep bewaring – beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.20770

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel),

en

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. S.A.M. Fikken, als waarnemer van haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum] 1978 en de Poolse nationaliteit te hebben.

2. Eiseres stelt dat onvoldoende gemotiveerd is waarom er gebruik is gemaakt van handboeien tijdens het transport na staandehouden. Zij meent dat dit niet noodzakelijk was.

3. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat uit het proces-verbaal staandehouding/overbrenging/overdracht van 13 april 2025 voldoende duidelijk blijkt waarom het gebruik van handboeien is toegepast. Hieruit volgt dat eiseres probeerde aan de staandehouding te ontkomen door van de verbalisanten weg te rennen. Na een korte

achtervolging werd zij ingehaald. Hierna werden de handboeien geplaatst ten behoeve van het transport naar het politiebureau te Breda. De noodzaak van het gebruik van de handboeien is hiermee voldoende gemotiveerd.

4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiseres:

- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe gedaan;

- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; - 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

en als lichte gronden vermeld dat eiseres:

- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; - 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5. Eiseres betwist de zware grond 3b. Ze is vertrokken naar Polen en daarna teruggekeerd. Ze stond dan ook niet meer onder toezicht, wat betekent dat zij zich daar ook niet aan kon onttrekken.

6. Het Hof heeft in het arrest FS geoordeeld dat, om opnieuw in aanmerking te komen voor een verblijfsrecht op hetzelfde grondgebied krachtens artikel 6, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn, de burger van de Unie ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen, het grondgebied van het gastland niet alleen fysiek moet hebben verlaten, maar ook zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief moet hebben beëindigd, zodat bij zijn terugkeer naar dat grondgebied niet kan worden aangenomen dat zijn verblijf in werkelijkheid een voortzetting is van zijn eerdere verblijf op dat grondgebied.

7. Bij besluit van 11 oktober 2023, uitgereikt aan eiseres op 10 november 2023, heeft verweerder vastgesteld dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van het Unierecht en dat zij het grondgebied binnen een maand moet verlaten. De rechtbank stelt vast dat eiseres in september 2024 en november 2025 weliswaar is uitgezet naar Polen, maar dat zij beide keren weer is teruggekeerd naar Nederland. Uit haar verklaringen in het gehoor voorafgaand aan de maatregel kan niet worden afgeleid dat eiseres een bestaan heeft opgebouwd in Polen. Ter zitting heeft eiseres, zonder enige verdere onderbouwing, gesteld dat zij na haar uitzetting in september 2024 een half jaar heeft gewerkt als schoonmaakster. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Daarom moet worden aangenomen dat haar huidige verblijf in Nederland in werkelijkheid een voortzetting is van haar eerdere verblijf. Dit betekent dan ook dat geen nieuwe vrije termijn is gaan lopen en het besluit van 11 oktober 2023 nog steeds werking heeft. Nu vaststaat dat op eiseres een vertrekplicht rust en zij geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, is verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw bevoegd tot het opleggen van de maatregel van bewaring. Dit betekent ook dat de zware gronden 3a en 3b terecht aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Eiseres is immers na haar laatste verwijdering onrechtmatig en op onregelmatige wijze naar Nederland teruggekeerd en zij heeft haar onrechtmatige verblijf niet gemeld bij de korpschef. Deze zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Reeds uit deze twee gronden volgt dat een risico op onttrekking aan het toezicht wordt aangenomen.

8. Verweerder heeft verder voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het risico op onttrekking te ondervangen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiseres onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.

9. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de bewaring onrechtmatig moet worden geacht.

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 29 april 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.F.I. Sinack

Griffier

  • mr. J. de Winter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand