RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] uit [plaats] , derde-belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/107 en 25/4378
(gemachtigde: mr. F.K. van den Akker),
en
het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg, het college
(gemachtigde: mr. F. Aygun).
1. Deze uitspraak gaat over twee lasten onder dwangsom vanwege overschrijdingen van geluidsnormen en over de invordering van vijf dwangsommen. Eiseres is het niet eens met de aan haar opgelegde lasten en de invordering van de dwangsommen. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de lasten heeft mogen opleggen en of het college terecht is overgegaan tot invordering.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college op goede gronden de eerste last onder dwangsom heeft opgelegd en het eerste invorderingsbesluit heeft mogen nemen. De daarop volgende invorderingsbesluiten en de tweede last onder dwangsom zijn niet genomen op basis van een deugdelijke en controleerbare vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden. Die besluiten kunnen daarom niet in stand blijven. Dat geldt ook voor de op de tweede last gebaseerde invorderingsbesluiten. Eiseres krijgt dus in zoverre gelijk en de beroepen zijn dus in zoverre gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Vanaf 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de bestreden besluiten en onder 4 het juridisch kader. De beoordeling door de rechtbank van het beroep met nummer 25/107 volgt vanaf 5 en de beoordeling van het beroep met nummer 25/4378 vanaf 13. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
In zaak SGR 25/107
2. Met het besluit van 29 mei 2024 heeft het college eiseres – samengevat – gelast aan de geluidsnormen van het Omgevingsplan Leidschendam-Voorburg (hierna: het omgevingsplan) te voldoen, op straffe van een dwangsom van € 3.000,- per keer dat eiseres niet aan de last voldoet, met een maximum aan dwangsommen van € 9.000,-.
Met het besluit van 28 november 2024 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de last onder dwangsom van 29 mei 2024 in stand gelaten.
Met het besluit van 7 mei 2025 heeft het college een dwangsom ingevorderd van € 3.000,- voor overtredingen in de periode van 23tot en met 26 augustus 2024 (invorderingsbesluit I).
Met het besluit van eveneens 7 mei 2025 heeft het college een tweede dwangsom ingevorderd van € 3.000,- voor overtredingen in de periode van 26 november tot en met 2 december 2024 (invorderingsbesluit II).
Met het besluit van 8 mei 2025 heeft het college een derde dwangsom ingevorderd van € 3.000,- voor overtredingen in de periode van 24 tot en met 27 januari 2025 (invorderingsbesluit III).
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit I.
In zaak SGR 25/4378
Met het besluit van 22 mei 2025 (bestreden besluit II) heeft het college eiseres gelast om per direct blijvend aan de geluidsnormen uit artikel 22.63 van het omgevingsplan te voldoen op straffe van een dwangsom van €5.000,- per keer dat eiseres niet aan de last voldoet, met een maximum aan dwangsommen van € 15.000,-.
Met het besluit van 15 september 2025 heeft het college een dwangsom ingevorderd van € 5.000,- voor overtredingen in de periode 6 juni tot en met 10 juni 2025 (invorderingsbesluit IV).
Met het besluit van 10 december 2025 heeft het college een dwangsom ingevorderd van € 5.000,- voor overtredingen in de periode van 24 tot en met 27 oktober 2025 (invorderingsbesluit V).
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen bestreden besluit II en verzocht om hiertegen rechtstreeks beroep in te stellen. Het college heeft ingestemd met het instellen van rechtstreeks beroep. De rechtbank heeft het bezwaar van eiseres op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangemerkt als rechtstreeks beroep bij de rechtbank.
In beide beroepen
Op grond van artikel 5:39, eerste lid van de Awb heeft het beroep van eiseres mede betrekking op de vijf invorderingsbesluiten.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De derde-belanghebbende heeft ook schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk behandeld op de zitting van 19 januari 2026. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 2] namens eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het college, [naam 3] aan de zijde van het college, de derde-belanghebbende en haar gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Aanleiding bestreden besluiten
3. Eiseres exploiteert een sportschool genaamd “ [sportschool] ”. De sportschool is 7 dagen per week, 24 uur per dag geopend en is gevestigd op de begane grond van het pand op het adres [adres] . Boven de sportschool zijn meerdere appartementen gelegen. De derde-belanghebbende bewoont het appartement met nummer [nummer 1] dat zich boven de sportschool bevindt. Zij ervaart met regelmaat geluidsoverlast in haar woning. Met name ’s nachts ervaart zij door piekgeluiden ernstige verstoring van haar nachtrust. Naar aanleiding van onder meer haar verzoek van 18 maart 2024 om handhavend op te treden tegen geluidsoverlast, die zij toeschrijft aan activiteiten in de sportschool, heeft het college handhavend opgetreden. De Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) heeft in opdracht van het college meerdere geluidsmetingen uitgevoerd in een inpandige ruimte boven de sportschool (de woning van de derde-belanghebbende). Dat heeft geleid tot de constatering dat geluidsnormen zijn overtreden en naar aanleiding daarvan heeft het college besloten tot handhavend optreden.
Geluidsnormen
4. Ingevolge artikel 22.63, derde lid, van het omgevingsplan zijn de in tabel 22.3.3 genoemde geluidsniveaus toegestaan in een geluidsgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidsgevoelig gebouw:
- Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voor de dagperiode (07:00-19:00) is 35 dB(A). - Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voor de avondperiode (19:00-23:00) is 30 dB(A).
- Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau voor de nachtperiode (23:00-07:00) is 25 dB(A).
- Het maximale geluidsniveau voor de dagperiode (07:00-19:00) is 55 dB(A).
- Het maximale geluidsniveau voor de avondperiode (19:00-23:00) is 50 dB(A).
- Het maximale geluidsniveau voor de nachtperiode (23:00-07:00) is 45 dB(A).
Het beroep in zaak SGR 25/107
Last onder dwangsom
5. Een toezichthouder van de ODH heeft geluidsmetingen uitgevoerd in een in- of aanpandige gevoelige ruimte boven de sportschool, namelijk in de woning van de derde-belanghebbende. Het onderzoek was hoofdzakelijk gericht op de avond en nachtperiode omdat is gemeld dat dan de meeste overlast wordt ervaren. Tijdens de metingen was de derde-belanghebbende niet in de woning aanwezig. In de geluidsrapportage van 25 september 2023 heeft de toezichthouder vastgesteld dat uit de meting van 5 september 2023 tot en met 8 september 2023 blijkt dat het maximale geluidsniveau in de nachtperiode van 45 d(B)A met ten hoogste 6 d(B)A is overschreden. In de geluidsrapportage van 1 februari 2024 heeft de toezichthouder vastgesteld dat uit de meting van 26 januari 2024 tot en met 29 januari 2024 blijkt dat het maximale geluidsniveau in de nachtperiode met ten hoogste 12 d(B)A is overschreden. In de geluidsrapportage van 6 februari 2024 heeft de toezichthouder vastgesteld dat uit de meting van 29 januari 2024 tot en met 2 februari 2024 blijkt dat het maximale geluidsniveau in de nachtperiode met ten hoogste 12 d(B)A is overschreden. In de rapportages van de ODH worden de overschrijdingen van de geluidsnormen toegeschreven aan activiteiten in de sportschool. In een aanvullende memo van 3 mei 2024 van een milieuspecialist geluid van de ODH is – samengevat – toegelicht dat bij de drie normoverschrijdingen die zijn weergegeven in de geluidsrapportages van 1 en 6 februari 2024, in twee van de drie gevallen sprake is van een duidelijk hoorbaar terugkerend patroon dat duidt op de sportinrichting. In alle drie de gevallen wordt de normoverschrijding veroorzaakt door (het contactgeluid van) een vallend/doorrollend voorwerp op de grond.
Het college heeft eiseres op basis van het hiervoor beschreven onderzoek van de ODH gelast vóór 6 augustus 2024 te voldoen aan de geluidsnormen uit artikel 22.63 van het omgevingsplan. Voor elke keer dat wordt geconstateerd dat eiseres niet voldoet aan deze last, dient eiseres een dwangsom te betalen van € 3.000,-. Per week kan eiseres maximaal één dwangsom verbeuren. Het maximum van de dwangsommen is gesteld op € 9.000,-.
Bestreden besluit I
Het college heeft de last onder dwangsom na heroverweging in stand gelaten. Daarbij heeft het college het advies van de bezwaarschriftencommissie overgenomen, waarin is overwogen dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de piekgeluiden in de nacht afkomstig zijn van de sportschool, vanwege het ontbreken van andere potentiële geluidsbronnen. Ook acht het college het gelet op de memo van de milieuspecialist geluid van de ODH aannemelijk dat de waargenomen geluiden kenmerkend zijn voor activiteiten in een sportschool.
In de bezwaarfase heeft de ODH nog een geluidsmeting uitgevoerd in de woning van de derde-belanghebbende. Deze meting duurde van 23 tot en met 26 augustus 2024. De bevindingen daarvan staan in de geluidsrapportage van 5 september 2024. De toezichthouder heeft in deze rapportage geconstateerd dat het maximale geluidsniveau in de dagperiode met ten hoogste 2 dB(A) is overschreden, in de avondperiode met ten hoogste 5 dB(A) is overschreden en in de nachtperiode met ten hoogste 7 dB(A) is overschreden.
Heeft het college kunnen vaststellen dat eiseres de geluidsnormen heeft overtreden?
6. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat activiteiten in de sportschool hoorbaar zijn in het appartement van eiseres. Tussen partijen is in geschil of door het college aannemelijk is gemaakt dat de sportschool de in het omgevingsplan opgenomen geluidsnormen heeft overtreden.
De rechtbank stelt voorop dat aan een sanctiebesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag moet liggen. Aan de hand van die maatstaf wordt beoordeeld of het college heeft kunnen vaststellen dat eiseres de in het omgevingsplan opgenomen geluidsnormen heeft overtreden.
Eiseres betwist dat de gemeten normoverschrijdingen aan activiteiten in de sportschool toegeschreven kunnen worden. Volgens eiseres kan het onderzoek van de ODH de conclusie van het college dat de sportschool de piekgeluiden veroorzaakt niet dragen. Er is namelijk niet onderzocht in de sportschool zelf, waar de piekgeluiden vandaan komen en ook is niet onderzocht of het geluid een andere bron heeft, zodat niet kan worden uitgesloten dat er een andere oorzaak is voor overschrijding van de geluidsnormen. De overtreding is daardoor niet bewezen. Dat geldt nog meer omdat eiseres tegenbewijs heeft geleverd, op grond waarvan aannemelijk is dat de oorzaak buiten de sportschool ligt. Dat tegenbewijs bestaat uit twee in bezwaar overgelegde geluidsrapportages van adviesbureau Alcedo en uit een vergelijking van de meetresultaten van de ODH met camerabeelden uit de sportschool.
Eiseres wijst op twee geluidsmetingen van Adviesbureau Alcedo. De eerste meting is gedaan op 7 juni 2024 in appartement [nummer 2] en de tweede op 19 juni 2024 in appartement [nummer 1] . Voor de meting zijn oefeningen en gebruik van gewichten en toestellen in de sportschool in scene gezet. Vervolgens is in het bovenliggende appartement gericht het geluid daarvan gemeten. Alcedo heeft ‘worst case’ gemeten. Bij het in scene zetten is op extreme wijze gebruik gemaakt van de toestellen en gewichten in de sportschool om maximaal geluid te maken. Alcedo heeft vastgesteld dat het geluid van de geënsceneerde activiteiten in beide appartementen hoorbaar was, maar heeft bij de meting in appartement [nummer 2] geen enkele overschrijding van de geluidsnorm gemeten. In het appartement [nummer 1] (de woning van de derde-belanghebbende) heeft Alcedo in de nachtperiode vijf overschrijdingen van de dan geldende geluidnorm van 45 dB(A) gemeten, variërend van 46 dB(A) tot 48 dB(A). Deze overschrijdingen traden alleen op bij extreem gebruik van apparaten en gewichten en één overschrijding werd gemeten bij normaal gebruik van de ‘pulling rope’, die eiseres daarna uit de sportschool heeft verwijderd. Bij geen enkele meting heeft Alcedo piekgeluiden gemeten die in de buurt komen van de waarden die de ODH heeft gemeten. Volgens eiseres is het niet aannemelijk dat de door de ODH gemeten geluidspieken in de praktijk afkomstig zijn van de sportschool, als ze niet optreden bij het geënsceneerde extreem geluidmakende gebruik van de gewichten.
Daarnaast stelt eiseres dat zij met camerabeelden van de sportschool heeft bewezen dat de geluidspieken niet worden veroorzaakt door activiteiten in de sportschool. Eiseres heeft de tijdstippen van de door de ODH gemeten geluidspieken in de periode 23 tot en met 26 augustus 2024, vergeleken met de camerabeelden uit de sportschool. Deze vergelijking heeft eiseres in bezwaar al overgelegd. Zij stelt dat bij geen enkele geluidspiek een activiteit in de sportschool te zien was, die de piek zou kunnen hebben veroorzaakt, zoals verkeerd gebruik van een toestel en/of het laten vallen van een gewicht. Die vergelijking toont volgens eiseres aan dat de geluidspieken die toen zijn gemeten een andere oorzaak hadden moeten hebben. Eiseres heeft enkel deze meting kunnen vergelijken met de camerabeelden, omdat de ODH de resultaten van de eerdere metingen steeds niet snel genoeg met eiseres had gedeeld, waardoor de camerabeelden niet meer beschikbaar waren. De camerabeelden werden namelijk na 14 dagen gewist. Had zij de metingen eerder ontvangen van de ODH, dan had eiseres ook deze resultaten met de camerabeelden kunnen vergelijken.
De rechtbank oordeelt dat dit betoog van eiseres over de aan de last onder dwangsom ten grondslag liggende feitenvaststelling niet slaagt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
Aan het bestreden besluit ligt het onderzoek van de ODH, neergelegd in de rapportages van 25 september 2023, 1 februari 2024, 6 februari 2024 en 5 september 2024 ten grondslag. De rechtbank is van oordeel dat het college op basis dit onderzoek, dat door een deskundige is verricht en meerdere meetmomenten omvat, heeft kunnen vaststellen dat de geluidsnormen in de woning van derde-belanghebbende worden overschreden door activiteiten in de sportschool. Uit de verschillende geluidsmetingen blijkt dat de geluidsnormen, onder meer in de nachtperiode, in de woning van de
derde-belanghebbende meermaals worden overschreden. Het college heeft toegelicht dat de geluidsmetingen zijn verricht op korte afstand van de sportschool, waarbij met gebruikmaking van professionele meetapparatuur niet alleen de decibelwaarden zijn vastgesteld, maar ook met gelijktijdige geluidopnamen de aard en herkomst van de geluiden zijn beoordeeld. De geluiden zijn door geluidsspecialisten van de ODH beoordeeld als kenmerkend voor intensieve sportactiviteiten, zoals het laten vallen van gewichten of het gebruiken van fitnessapparatuur. Bij de geluidsmetingen heeft de ODH geen andere geluidsbronnen in of nabij de woning geconstateerd, die als mogelijke oorzaak voor de piekgeluiden aangewezen kan worden. Overigens kan de rechtbank het college erin volgen dat de conclusies van de ODH worden ondersteund door de in beroep overgelegde second opinion van Peutz. In de notitie van Peutz van 16 mei 2025 is onder meer de volgende conclusie opgenomen: “Na het beluisteren van de gemeten piekgeluidniveaus wordt het waarschijnlijk geacht dat deze ontstaan door aanstoting van de gebouwconstructie door relatief zware objecten. Het is aannemelijk dat de geluidpieken in de nachtperiode in ieder geval worden veroorzaakt door activiteiten in de sportschool, met name omdat in het pand op dat moment uitsluitend [sportschool] in bedrijf is en er personen actief gebruik kunnen maken van relatief zware objecten”. Dat, zoals eiseres naar voren brengt, Peutz niet vaststelt dat de geluidpieken worden veroorzaakt door de sportschool en dat geënsceneerde metingen volgens Peutz nuttig kunnen zijn, doet er naar het oordeel van de rechtbank niet aan af dat de second opinion de bevindingen van de ODH over de bron van de piekgeluiden bevestigt.
In het tegenbewijs dat eiseres in de bezwaarfase tegen bestreden besluit I heeft aangeleverd, ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat het college had moeten twijfelen aan de bevindingen van de geluidsdeskundigen van de ODH, zodat het college op dat moment ook geen aanleiding had hoeven te zien voor nader onderzoek. De rechtbank kan het college volgen in het standpunt dat het onderzoek van Alcedo onvoldoende representatief is voor de geluidsbelasting van de sportschool. De metingen van de ODH zijn onaangekondigd uitgevoerd, gedurende een periode van meerdere dagen, avonden en nachten. In het onderzoek van Alcedo daarentegen is twee maal voor een aanzienlijk kortere periode gemeten, en met als uitgangspunt een geënsceneerde situatie. De rechtbank is het met het college eens dat daarmee het spontane karakter van de metingen ontbreekt en dat dit afdoet aan de representativiteit van de metingen. De rechtbank kan het college ook volgen in zijn standpunt dat er geen aanleiding was om metingen te doen in de sportschool zelf zoals Alcedo voorstelt, omdat uit artikel 22.63 van het omgevingsplan volgt dat het gaat om de normen die gelden in een in- of aanpandige ruimte en het college op dat moment niet hoefde te twijfelen aan de bevindingen van de ODH. Dat Alcedo ‘worst case’ heeft gemeten, zoals eiseres stelt, is naar het oordeel van de rechtbank bovendien onvoldoende controleerbaar. Daar komt bij dat Alcedo bij de meting in het appartement van de derde-belanghebbende ook overschrijdingen van geluidsnormen heeft gemeten bij activiteiten in de sportschool in de nachtperiode. Dat ondersteunt op zichzelf de bevindingen van ODH. De rechtbank volgt eiseres om deze redenen niet in haar stelling dat de geluidsmetingen van Alcedo veel accurater en veel betrouwbaarder zijn dan die van de ODH.
Ten aanzien van de vergelijking die eiseres in bezwaar heeft overgelegd van de meting van de ODH van 23 tot en met 26 augustus 2024 met de camerabeelden van de sportschool, overweegt de rechtbank dat deze ook onvoldoende aanleiding geeft voor het oordeel dat het college nader onderzoek had moeten doen naar een mogelijk andere oorzaak van de gemeten geluidspieken. Blijkens het advies van de bezwaarschriftencommissie zijn de beelden in de beoordeling betrokken en wordt op de beelden duidelijk dat er sporters aanwezig waren bij verschillende sportstations. Dat maakt de vergelijking met de camerabeelden niet uitsluit dat de gemeten geluidspieken zijn veroorzaakt door activiteiten in de sportschool. In de door eiseres gestelde omstandigheid dat zij het college al eerder had gewezen op het bestaan van de camerabeelden, en dat die slechts voor een periode van twee weken werden bewaard, ziet de rechtbank geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college niet had mogen afgaan op de door ODH verrichte metingen. De rechtbank kan het college verder volgen in zijn standpunt dat het niet verplicht is om meetresultaten binnen twee weken met eiseres te delen en dat de verwijdering van camerabeelden na twee weken voor risico van eiseres moet blijven.
Gelet op voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat het college op basis van een deugdelijke en controleerbare vaststelling van feiten en omstandigheden tot de conclusie is gekomen dat eiseres de in artikel 22.63, derde lid, van het omgevingsplan, opgenomen geluidsnormen heeft overtreden.
Beginselplicht
7. Op grond van vaste rechtspraak geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Is de opgelegde last onevenredig?
8. Eiseres betoogt dat de last onder dwangsom onevenredig is omdat deze in dit geval niet noodzakelijk en niet evenwichtig is. Zij is altijd bereid geweest om maatregelen te nemen als die noodzakelijk zijn. Het opleggen van een last had volgens haar eenvoudig voorkomen kunnen worden en door de sportschool veroorzaakte geluidhinder – als daar sprake van is, hetgeen niet vaststaat – had snel verholpen kunnen worden als de ODH zich enigszins coöperatief had opgesteld richting eiseres.
De rechtbank ziet in dit betoog geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de opgelegde last niet noodzakelijk en niet evenwichtig is. Het college heeft aan het algemeen belang dat is gediend bij handhaving een zwaar gewicht mogen toekennen, waarbij ook terecht gewicht is toegekend aan de belangen van de derde-belanghebbende. Tussen partijen is niet in geschil dat activiteiten in de sportschool hoorbaar zijn in het appartement van de derde-belanghebbende. Zoals hiervoor onder 6.5 overwogen, blijkt uit het door eiseres overgelegde onderzoek van Alcedo op zichzelf ook van overschrijding van geluidsnormen. Dat door eiseres genomen maatregelen zoals het verwijderen van de pulling rope voldoende zijn, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. Na het verwijderen van de pulling rope zijn immers ook nog overschrijdingen gemeten. Het onderzoek waarin die overschrijdingen zijn vastgesteld, in de periode 23 tot en met 26 augustus 2024, voldoet gelet op het overwogene onder 6.6. en 6.7 aan de daaraan te stellen eisen.
Het beroep tegen bestreden besluit I slaagt niet.
Mocht het college overgaan tot invordering van verbeurde dwangsommen?
9. Op basis van de meting van de ODH van 23 tot en met 26 augustus 2024, neergelegd in de rapportage van 5 september 2024, heeft het college een dwangsom ingevorderd van € 3.000,- (invorderingsbesluit I). Uit de meting blijkt volgens het college dat de maximaal toegestane geluidsniveaus in deze periode diverse keren zijn overschreden zodat geconcludeerd moet worden dat eiseres de last niet heeft nageleefd. Ter controle of de last werd nageleefd heeft de ODH nog twee metingen uitgevoerd. Bij de meting van 26 november 2024 tot en met 2 december 2024, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het rapport van 5 december 2024, heeft de toezichthouder van de ODH vastgesteld dat het maximale geluidsniveau in de dagperiode met ten hoogste 9 dB(A) is overschreden, in de avondperiode met ten hoogste 5 dB(A) en in de nachtperiode met ten hoogste 13 dB(A) is overschreden. Tijdens die meting heeft de ODH in totaal 29 overschrijdingen gemeten die aan de sportschool toegeschreven kunnen worden. Bij de meting van 24 tot en met 27 januari 2025, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het rapport van 30 januari 2025, heeft de toezichthouder van de ODH vastgesteld dat het maximale geluidsniveau in de dagperiode met ten hoogste 4 dB(A) is overschreden, in de avondperiode met ten hoogste 6 dB(A), en in de nachtperiode met ten hoogste 14 dB(A). Tijdens deze meting heeft de ODH in totaal 23 overschrijdingen gemeten die aan de sportschool toegeschreven kunnen worden. Het college heeft zich op basis van dit onderzoek op het standpunt gesteld dat eiseres ook in deze periodes niet aan de last heeft voldaan. Per meetperiode heeft het college een dwangsom ingevorderd van € 3.000,- (invorderingsbesluit II en invorderingsbesluit III).
Tegen de invorderingsbesluiten voert eiseres in de eerste plaats aan dat deze niet in stand kunnen blijven omdat de last onder dwangsom niet opgelegd had mogen worden. Daarnaast voert eiseres aan dat het college onvoldoende (feitelijk) onderzoek heeft verricht naar de bron van de geluidspieken. Eiseres wijst ook in dit kader op het tegenbewijs dat zij heeft ingediend met het onderzoek van Alcedo. Daarnaast heeft zij in dit kader een vergelijking overgelegd van de meting van de ODH van 29 november 2024 tot en met 2 december 2024 en van 27 januari 2025 met de camerabeelden van de sportschool. Volgens eiseres volgt uit deze vergelijking ook dat er geen causaal verband is tussen de gemeten piekgeluiden en de activiteiten in de sportschool. Op sommige beelden is helemaal niemand in de sportzaal te zien en zijn de lichten uit en op andere beelden is volgens eiseres geen activiteit te zien die een geluidspiek kan veroorzaken. Daarnaast heeft eiseres van extra momenten beelden opgenomen waarop te zien is dat er gewichten (hard) op de grond vielen, maar waarbij de ODH geen geluidspiek heeft gemeten. Deze beelden zijn met de rechtbank en met de andere procespartijen gedeeld.
Toetsingskader invorderingsbesluiten
De rechtbank overweegt dat ook voor invorderingsbesluiten geldt dat op basis van een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden moet worden vastgesteld dat sprake is van een overtreding. Verder volgt uit vaste rechtspraak dat bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht moet worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat moet uitgaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. Het gedeeltelijk uitvoeren van de last voor afloop van de begunstigingstermijn, is op zichzelf geen omstandigheid als gevolg waarvan het college van gehele invordering had behoren af te zien. Dat geldt evenmin voor de omstandigheid dat de overtreder zijn best heeft gedaan om de overtreding te beëindigen.
Invorderingsbesluit I
10. Invorderingsbesluit I is gebaseerd op de geluidsmeting van de ODH van
23 tot en met 26 augustus 2024, waarover de rechtbank in overweging 6.6 en 6.7 – kort gezegd – heeft geoordeeld dat die een deugdelijke en controleerbare vaststelling van feiten en omstandigheden inhoudt. Het onderzoek van Alcedo kan, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, niet leiden tot het oordeel dat er nader onderzoek nodig was naar de oorzaak van de geluidspieken. Evenmin geeft een vergelijking met de camerabeelden van de sportschool daar aanleiding voor, zoals de rechtbank hiervoor al heeft geoordeeld.
Ook voor invorderingsbesluit I geldt dat het college op basis van een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden tot de conclusie is gekomen dat eiseres de in artikel 22.63, derde lid, van het omgevingsplan, opgenomen geluidsnormen heeft overtreden. Eiseres heeft ook geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan het college had moeten afzien van invordering.
Het beroep tegen invorderingsbesluit I slaagt niet.
Invorderingsbesluiten II en III
11. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres tegen invorderingsbesluit II en invorderingsbesluit III slaagt. De rechtbank licht hieronder toe waarom zij tot dat oordeel komt.
Aan invorderingsbesluit II heeft het college de geluidsmeting van de ODH van 26 november 2024 tot en met 2 december 2024, neergelegd in het rapport van 5 december 2024, ten grondslag gelegd. Uit de door eiseres gemaakte vergelijking met de camerabeelden van de sportschool, volgt dat er op twee momenten waarop door de ODH een geluidspiek is gemeten, op de camerabeelden geen personen te zien zijn in de sportschool. Het gaat om beeld nummer 4 van 30 november 2024 in de nachtperiode en om beeld nummer 9 van 2 december 2024 in de nachtperiode. Eveneens volgt uit de vergelijking met de meting van 24 tot en met 27 januari 2025, die het college aan invorderingsbesluit III ten grondslag heeft gelegd, dat er op een moment waarop door de ODH een geluidspiek is gemeten, op beeld geen personen in de sportschool te zien zijn. Het gaat daar om beeld nummer 15 van 27 januari 2025 in de nachtperiode.
Naar het oordeel van de rechtbank had het college hierin – anders dan bij de hangende bezwaar overgelegde camerabeelden waarin wel personen in de sportschool waren te zien – aanleiding moeten zien om nader onderzoek te doen naar de gemeten geluidspieken en de bron daarvan. Op de camerabeelden is, naar niet is betwist, de gehele sportzaal te zien. Wanneer geluidspieken worden gemeten op momenten dat geen personen aanwezig zijn in de sportzaal, geeft dat aanleiding voor twijfel aan de bevindingen. Zonder nader onderzoek dat die twijfel wegneemt, is onvoldoende onderbouwd dat de gemeten piekgeluiden in die gevallen afkomstig zijn van activiteiten in de sportschool. De rechtbank volgt het college daarmee niet in zijn standpunt dat het buiten zijn onderzoeksplicht ligt om camerabeelden in zijn onderzoek te betrekken. Ook discrepantie tussen de tijdstippen van de metingen en van de camerabeelden, is onvoldoende om deze camerabeelden zonder meer buiten beschouwing te laten. Deze discrepantie betreft, naar de rechtbank begrijpt uit de vergelijking van eiseres, seconden. Dit verschil heeft eiseres geprobeerd te ondervangen door camerabeelden van een breder tijdsbestek te gebruiken in de vergelijking dan alleen het moment van de gemeten geluidspiek door de ODH. Als het college twijfelt over de juistheid van de tijdstippen op de camerabeelden, ligt het op de weg van het college om die tijdstippen te verifiëren.
Gelet op het voorgaande ligt aan invorderingsbesluiten II en III geen deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag. Deze besluiten zijn daarom niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De rechtbank ziet geen mogelijkheid voor het college om dit gebrek te herstellen. Dit betekent dat invorderingsbesluiten II en III niet in stand kunnen blijven en zullen worden vernietigd. Het beroep is in zoverre gegrond.
Grondslag last onder dwangsom
12. Op zitting heeft eiseres haar betoog dat de last is gebaseerd op een onjuiste wettelijke grondslag niet langer gehandhaafd. De rechtbank zal dit betoog daarom niet bespreken.
Het beroep in zaak SGR 25/4378
Last onder dwangsom 22 mei 2025 (bestreden besluit II)
13. Op basis van de hierboven beschreven geluidsmeting van 24 tot en met 27 januari 2025 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat eiseres de overtreding niet heeft beëindigd. Daarom heeft het college een tweede last onder dwangsom opgelegd. Eiseres is daarbij gelast per direct blijvend te voldoen aan de geluidsnormen uit artikel 22.63 van het omgevingsplan. Eiseres kan dit doen door maatregelen te nemen die ertoe leiden dat ter plaatse van omliggende woningen de geluidsnormen niet worden overschreden. Per keer dat wordt geconstateerd dat niet voldaan wordt aan deze last, moet eiseres een dwangsom betalen van € 5.000,-. Per week kan eiseres maximaal één dwangsom verbeuren. Het maximum van de dwangsommen is € 15.000,-. Het college stelt dat geen begunstigingstermijn wordt geboden omdat eiseres voldoende tijd heeft gehad om onderzoek te verrichten en herhaling van de overtreding te voorkomen. De dwangsom is verder hoger dan de eerdere dwangsom van € 3.000,- per constatering, omdat die dwangsom niet tot het gewenste herstel heeft geleid en het woongenot van omwonenden nog steeds wordt aangetast.
Invorderingsbesluiten IV en V
14. Bij twee controles of deze last werd nageleefd, heeft de ODH geluidsmetingen uitgevoerd van 6 tot en met 10 juni 2025 en van 24 tot en met 27 oktober 2025. Bij de geluidsmeting van 6 tot en met 10 juni 2025 heeft de toezichthouder van de ODH vastgesteld dat het maximale geluidsniveau ten minste 7 keer werd overschreden, met ten hoogste 2 dB(A) in de dagperiode, ten hoogste 5 dB(A) in de avondperiode en ten hoogste 7 dB(A) in de nachtperiode. Bij de geluidsmeting van 24 tot en met 27 oktober 2025 heeft de toezichthouder van de ODH vastgesteld dat de maximale geluidsniveau ten minste 5 keer werd overschreden, met ten hoogste 5 dB(A) in de dagperiode en ten hoogste 6 dB(A) in de avondperiode. Het college heeft op basis van deze geluidsmetingen tweemaal een dwangsom ingevorderd van € 5.000,- per meetperiode. Volgens het college is uit dit onderzoek aannemelijk geworden dat eiseres de last niet heeft nageleefd.
Beoordeling door de rechtbank
15. Het betoog van eiseres komt overeen met wat zij tegen bestreden besluit I en de daarop volgende invorderingsbesluiten heeft aangevoerd, namelijk dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat de piekgeluiden afkomstig zijn van de sportschool.
De rechtbank heeft in het beroep met nummer 25/107 geoordeeld dat het college de geluidsmeting van de ODH over de periode van 24 tot en met 27 januari 2025 niet zonder nader onderzoek aan invorderingsbesluit III ten grondslag kon leggen, vanwege de door eiseres overgelegde camerabeelden. Nu diezelfde geluidsmeting door het college ten grondslag is gelegd aan de last onder dwangsom van 22 mei 2025, kan ook dit besluit geen stand houden. Aan de last ligt geen deugdelijke en controleerbare vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden ten grondslag. Het beroep tegen het bestreden besluit II slaagt. De rechtbank ziet geen mogelijkheid voor het college om dit gebrek te herstellen. De rechtbank zal het bestreden besluit II daarom vernietigen omdat het niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.
Omdat de last onder dwangsom niet in stand kan blijven, vervalt de grondslag voor de invorderingsbesluiten IV en V. Het beroep tegen deze invorderingsbesluiten slaagt en de rechtbank zal deze vernietigen.
Conclusie en gevolgen
16. Het beroep in de zaak SGR 25/107 is ongegrond voor zover het gericht is tegen bestreden besluit I en invorderingsbesluit I. Dat betekent dat bestreden besluit I en invorderingsbesluit I in stand blijven. Voor zover het beroep in zaak SGR 25/107 gericht is tegen de invorderingsbesluiten II en III, is het beroep gelet op wat de rechtbank heeft overwogen onder 11.3 gegrond. De rechtbank zal de invorderingsbesluiten II en III vernietigen vanwege strijd met artikel 3:2 van de Awb.
Het beroep in de zaak SGR 25/4378 is gelet op wat de rechtbank onder 15 en verder heeft overwogen, gegrond. De rechtbank zal bestreden besluit II vernietigen vanwege strijd met artikel 3:2 van de Awb. Invorderingsbesluiten IV en V zullen worden vernietigd vanwege het vervallen van de grondslag daarvan.
Omdat het beroep in zaak SGR 25/107 gedeeltelijk gegrond is en het beroep in zaak 25/4378 gegrond is, moet het college in beide zaken het betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank ziet verder aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten die eiseres in beroep heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) zodat de zaken voor de begroting van de proceskosten worden beschouwd als één zaak. De proceskosten worden daarom begroot op € 1.868,- voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (voor het indienen van een beroepschrift en deelname aan de zitting, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 1,0). Deze proceskosten worden toegekend in zaak SGR 25/107.
Het verzoek van eiseres om vergoeding van de in bezwaar tegen bestreden besluit I gemaakte proceskosten, waaronder deskundigenkosten, komt niet voor toewijzing in aanmerking. Dat is alleen al omdat bestreden besluit I in stand blijft en de last onder dwangsom van 28 november 2024 daarmee niet is herroepen wegens onrechtmatigheid daarvan.
Beslissing
De rechtbank:
in het beroep met zaaknummer SGR 25/107:
- verklaart het beroep ongegrond voor zover dat gericht is tegen bestreden besluit I en invorderingsbesluit I;
- verklaart het beroep gegrond voor zover dat gericht is tegen invorderingsbesluiten II en III;
- vernietigt invorderingsbesluit II en invorderingsbesluit III;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres vergoedt;
- bepaalt dat het college de proceskosten van € 1.868,- aan eiseres vergoedt.
in het beroep met zaaknummer SGR 25/4378:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt bestreden besluit II en invorderingsbesluiten IV en V;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr.Y. Al-Qaq, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.